Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BZ2017

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
22-02-2013
Zaaknummer
08/054520-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep van de raadslieden luidt dat de staande- en aanhouding van verdachte(n) onrechtmatig heeft plaatsgevonden nu sprake is van grenscontrole (handelen in strijd met de Schengengrenscode). Beroep wordt verworpen. Er is geen sprake van een strafvorderlijk vormverzuim. (Bestuursrechtelijk gezien is wel sprake van een onrechtmatige staandehouding.) De staandehouding geschiedde niet in het kader van een strafrechtelijk voorbereidend onderzoek van het in deze zaak tenlastegelegde feit. De rechtbank volgt daarbij de arresten van de Hoge Raad van 26 juni 2012, LJN BV1642 en LJN BW9199. Verdachte (en zijn mededader) zijn niet consistent in hun verklaringen en bovendien zijn hun verklaringen onderling tegenstrijdig. Volgt veroordeling voor het medeplegen van witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/054520-12

Datum vonnis: 28 december 2012

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1987],

wonende in [plaats]([land)]), [adres],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken op 18 december 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mevrouw mr. S. Leusink en van hetgeen door de raadsman mr. J.W. Stegeman, advocaat te Goor, en de raadsvrouw mr. A. Vossenberg, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: op 14 december 2010 in de gemeente Losser en al dan niet in vereniging met een ander geld heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 14 december 2010, te De Lutte, gemeente Losser, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen van (een) voorwerp(en), te weten één of meer bankbiljetten (met een gezamenlijke waarde van (ongeveer) 12.500 euro), in ieder geval geld, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was of die/dat voorwerp(en) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist (althans redelijkerwijs kon

vermoeden) dat het voorwerp (onmiddellijk of middellijk) afkomstig was uit enig misdrijf en/of één of meer voorwerp(en), te weten voornoemd(e) bankbiljet(ten)/geld heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen of omgezet of van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist (althans redelijkerwijs kon vermoeden) dat het/die voorwerp(en) (onmiddellijk of middellijk) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur te vervangen door 60 dagen hechtenis en tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en dat het inbeslaggenomen geld wordt verbeurd verklaard.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank heeft, met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie, het navolgende overwogen.

Ter terechtzitting van 18 december 2012 heeft de raadsman mr. Stegeman aangevoerd dat de staande- en aanhouding van verdachte (en die van zijn medeverdachte) onrechtmatig is geschied, aangezien er - kort en zakelijk weergegeven - sprake is geweest van grenscontrole, hetgeen in strijd is met de Schengengrenscode.

De rechtbank verwerpt dat verweer.

Verdachte is staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status door opsporingsambtenaren van het zogenaamde MTV (Mobiel Toezicht Vreemdelingen). Uitgaande van een onder de gestelde omstandigheden plaatsgevonden staandehouding van verdachte, levert dat bestuursrechtelijk gezien weliswaar een onrechtmatige staandehouding op, maar deze onrechtmatigheid is geen strafvorderlijk vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De staandehouding heeft immers niet plaatsgevonden in het kader van het strafrechtelijk voorbereidend onderzoek van het in deze zaak tenlastegelegde misdrijf. De rechtbank volgt daarbij het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2012, LJN: BV1642 en LJN: BW9199

5. De beoordeling van het bewijs

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 december 2010, te De Lutte, gemeente Losser, tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten bankbiljetten (met een gezamenlijke waarde van ongeveer 12.500 euro), de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, terwijl hij wist dat het voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf en voorwerpen, te weten voornoemde bankbiljetten voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen.

Op 14 december 2010 worden [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte] als inzittenden van een auto met Duits kenteken kort na het passeren van de Duits-Nederlandse grens gecontroleerd door twee wachtmeesters van de Koninklijke Marechaussee op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status. Vervolgens blijkt dat beiden in een gehuurde auto zitten en dat [verdachte] in het bezit is van een zogenaamde “Duldung”, zodat hij feitelijk als illegaal persoon kan worden beschouwd. [Verdachte] is eerder in Nederland geweest en heeft in Duitsland antecedenten terzake van de Opiumwet. Beide inzittenden hadden een aanzienlijk bedrag aan geld bij zich bijna uitsluitend in coupures van vijfhonderd euro. [Medeverdachte] verklaarde daarnaar gevraagd ten overstaan van de wachtmeesters van de Koninklijke Marechaussee dat hij en zijn passagier [verdachte] op weg waren naar Deurne om daar een auto te bezichtigen en eventueel een aanbetaling te doen. [Medeverdachte] had een bedrag van ongeveer 8000 euro bij zich en [verdachte] een bedrag van ongeveer 4500 euro. [Medeverdachte] en [verdachte] verklaarden dat het familiegeld was.

Op grond van die feiten en omstandigheden werden [medeverdachte] en [verdachte] aangehouden ter zake van verdenking van overtreding van de witwasbepalingen ingevolge artikel 420 bis e.v. Wetboek van Strafrecht. Bij nader onderzoek is vervolgens komen vast te staan dat ook verdachte [medeverdachte] antecedenten heeft bij de Duitse justitie, namelijk in verband met zware diefstal en aanbouw van een illegale kwekerij. Daarnaast komt uit het onderzoek naar voren dat in de bij verdachte inbeslaggenomen telefoon een Nederlands telefoonnummer is aangetroffen, dat de politie in verband brengt met een hennepplantage in een woning. Een eigen inkomen die het aangetroffen geld kan verklaren hebben beide verdachten niet. De rechtbank is van oordeel dat de vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, het sterke vermoeden rechtvaardigen dat er sprake is van crimineel geld. Een dergelijk gerechtvaardigd vermoeden kan vervolgens door bijvoorbeeld (consistente) verklaringen van verdachte en/of zijn medeverdachte en/of door het overleggen van bescheiden weerlegd worden, maar daarin is verdachte en zijn medeverdachte naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting het volgende is gebleken.

[Medeverdachte] en [verdachte] hebben beiden geen reguliere baan en moeten leven van een (minimale) uitkering in Duitsland. Beide verdachten hebben wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld. Zo heeft [verdachte] verklaard (blz. 73-78) dat een zekere [H] een goede vriend is en dat deze [H] een bedrijf heeft in Berlijn. [H] koopt en verkoopt auto’s.

In zijn tweede verklaring (blz. 79-83) heeft [verdachte] verklaard dat hij € 3.500,= van [H] heeft gekregen en dat zijn vriend van [H] € 6.500,= kreeg. [Medeverdachte] (die hij [S] noemt) was daarbij aanwezig. Voorts heeft [verdachte] verklaard dat ze het geld onderweg hebben verdeeld voor het geval er onderweg iets zou gebeuren. [Verdachte] heeft het geld niet nageteld, maar een ruime schatting gemaakt en een deel aan [S] gegeven.

In een latere verklaring (blz. 84-87) heeft [verdachte] verklaard dat hij [S] van zien ongeveer een jaar kent, maar van kennen ongeveer 2 à 3 dagen. Hij heeft verklaard dat hij met [S] naar het bedrijf van [H] is gereden en dat het bedrijf een parkeerplaats heeft waar ook auto’s stonden en dat [H] hem 20 briefjes van 500 euro heeft gegeven en dat [S] dat gezien heeft. Hij heeft later in de auto het geld verdeeld.

[Medeverdachte] heeft verklaard (blz. 98-99) dat zij bij [H], een autohandelaar, op kantoor zijn geweest en daar het geld hebben opgehaald. Bij die [H] heeft hij [verdachte] opgehaald. Hij heeft een Ford gehuurd bij een bedrijf in Berlijn waar hij de naam niet meer van weet. Hij kreeg € 6.500,= van [H] en [verdachte] kreeg € 3.500,= van [H].

In zijn tweede verklaring (blz. 101-103) heeft [medeverdachte] verklaard dat [verdachte] hem het geld gaf en dat hij niet bij [H] is geweest. Hij heeft verklaard [H] verder niet te kennen. [Verdachte] heeft hem gezegd dat het geld van [H] afkomstig is.

In een latere verklaring (blz. 104-110) heeft [medeverdachte] verklaard dat hij [H] helemaal niet kent. Er staat wel een [H] in zijn mobiele telefoon, maar dat is een andere [H].

Gelet op de inconsistentie van de afgelegde verklaringen en de onderlinge tegenstrijdigheid van die over en weer afgelegde verklaringen acht de rechtbank die verklaringen ongeloofwaardig en niet aannemelijk.

Door de verdediging is op verzoek van verdachte een “Bescheinigung” en een bankafschrift overgelegd. Uit de inhoud van die stukken zou moeten blijken dat er 10.000 euro aan de verdachten is meegegeven en dat er € 3.500,= is opgenomen. Het bankafschrift is ingebracht in verband met een verzoek tot teruggave van het onder [verdachte] inbeslaggenomen geld (punt 10 van de pleitnota van mr. Vossenberg). De rechtbank constateert dat op de Bescheinigung een zekere [X], Geschäftsführer van AKLC UG verklaart dat hij [medeverdachte] en [verdachte] 10.000 euro heeft meegegeven. Dat is in strijd met zowel de verklaring van [medeverdachte] als van [verdachte] nu beiden uitsluitend over [H] hebben verklaard.

Uit de kopie van het overgelegde bankafschrift van 9 oktober 2010 blijkt dat er op 5 oktober 2010 een bedrag is opgenomen van € 3.500,=. De tenaamstelling van dat bankafschrift is onbekend. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat dit geld al op 5 oktober 2010 is opgenomen en pas ruim twee maanden later (op 14 december 2010) aan [verdachte] zou zijn overhandigd zodat hij in Deurne een aanbetaling op een te kopen auto kon doen. Bovendien zou volgens de verklaring van [verdachte] aan hem € 10.000,= zijn gegeven door [H]. [Verdachte] zou volgens zijn verklaring dat geld zonder te tellen onderweg hebben verdeeld met [medeverdachte]. De rechtbank concludeert dat het dus op toeval berust dat er € 6.500,= bij [medeverdachte] en € 3.500,= bij [verdachte] is aangetroffen. De rechtbank acht de overgelegde bescheiden ter onderbouwing van de rechtmatige herkomst van het geld in samenhang met de door [medeverdachte] en [verdachte] afgelegde verklaringen dan ook niet geloofwaardig.

Voorts acht de rechtbank de verklaringen van beide verdachten ook ongeloofwaardig voor zover die zien op de huurauto. Volgens zowel [medeverdachte] als [verdachte] is voor een bedrag van € 500,= een auto gehuurd. Zij gingen in opdracht van een garagebedrijf (AKLC UG) naar Nederland voor het bezichtigen dan wel kopen van een Mercedes op verzoek van voornoemde [H], die zelf een garagebedrijf in Berlijn zou exploiteren. Het is ongeloofwaardig dat in dergelijke situatie extra kosten worden gemaakt door een auto bij een ander bedrijf te huren.

Tot slot heeft de rechtbank nog een aanwijzing dat verdachte crimineel handelde, aangezien in de bij verdachte [verdachte] inbeslaggenomen mobiele telefoon (relaas politie blz. 9) drie Nederlandse telefoonnummers zijn opgeslagen, terwijl één van die nummers in blueview voorkomt in verband met een hennepplantage in een woning.

Gezien het vorenstaande overweegt de rechtbank dat verdachte en zijn medeverdachte voor de vastgestelde feiten en omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd naar het oordeel van de rechtbank redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring hebben gegeven.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het inbeslaggenomen geld afkomstig is van crimineel handelen.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 420bis Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Medeplegen van witwassen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan witwassen. Dergelijke feiten maken een ernstige inbreuk op het financieel en economisch verkeer.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf en de hoogte daarvan allereerst rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voor het onderhavige feit zijn geen landelijke oriëntatiepunten straftoemeting vastgesteld, zodat de rechtbank de strafoplegging in vergelijkbare zaken in haar overwegingen zal betrekken.

Gelet op het vorenstaande is voor dit feit in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van enkele maanden op zijn plaats. Anderzijds is van belang dat het een feit betreft van ruim twee jaar geleden en verdachte destijds na 2 dagen inverzekeringstelling in vrijheid is gesteld. De rechtbank zal daarom verdachte wel een vrijheidsstraf opleggen, maar die geheel voorwaardelijk doen zijn, ook om verdachte te weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Daarbij heeft de rechtbank ook mee laten wegen dat verdachte financieel getroffen wordt doordat het inbeslaggenomen geld verbeurd wordt verklaard.

8.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank overweegt verder dat het onder verdachte inbeslaggenomen geld, vatbaar is voor verbeurdverklaring, aangezien het geld aan verdachte toebehoort en hij dat ten eigen bate kan aanwenden en dat geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit is verkregen.

Bij de verbeurdverklaring heeft de rechtbank op de voet van artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a en 47 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de in beslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geld, te weten € 4.500,=.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr.

J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2012. Mr. Wentink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.