Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BY8430

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
133536 / KG ZA 12-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming afgewezen - rechtsverhouding tussen partijen niet eenvoudig te duiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 133536 / KG ZA 12-253

Vonnis in kort geding van 28 december 2012

in de zaak van

[EISER]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. K.J. Coenen te Enschede,

tegen

1. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. B. Bentem te Enschede,

2. ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN,

staande en gelegen aan het [adres] te [plaats],

gedaagden,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde sub 1]’ genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Eiser] is sinds 19 maart 1993 eigenaar van de woning, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: ‘de woning’).

2.2. [Eiser] heeft de woning per november 2010 verhuurd aan stichting ‘Hou Vast Zorg’ (hierna: ‘de stichting’). De stichting is bij vonnis van de rechtbank Zutphen op 15 november 2011 in staat van faillissement verklaard.

2.3. De stichting hield zich bezig met het bieden van ondersteuning en begeleiding

- onder meer op het gebied van wonen en werken - aan jongeren, aan wie onder meer ook [gedaagde sub 1].

2.4. De huurovereenkomst die [eiser] was overeengekomen met de stichting is in november 2011 bij brief van de curator van 25 november 2011 opgezegd.

2.5. [Gedaagde sub 1] is sinds januari 2011 woonachtig in de woning, aldus ook na beëindiging van de huurovereenkomst van [eiser] met de stichting.

2.6. [Eiser] en [gedaagde sub 1] zijn na het faillissement van de stichting overeengekomen dat [gedaagde sub 1] een bedrag van € 150,- per maand aan [eiser] zou voldoen voor het gebruik van de woning, alsmede de verplichting van [gedaagde sub 1] om de tuin te onderhouden. De bijdrage van € 150,- per maand is in ieder geval tot en met oktober 2012 (deels) voldaan.

2.6. Voorts zijn partijen schriftelijk het navolgende overeengekomen:

“ondergetekenden verklaren hierbij:

Dat [gedaagde sub 1] zonder recht of titel in het in eigendom van [eiser] aan de [adres] te [plaats] gelegen pand verblijft;

Dat [gedaagde sub 1] op eerste oproep van [eiser] hiertoe voornoemd pand binnen zeven dagen metterwoon onder medeneming van de aan hem toebehorende zaken en onder afgifte van de sleutels (…) zal verlaten;

Dat [gedaagde sub 1] het pand uit eigen beweging voorts uiterlijk 30 juni 2012, eveneens onder medeneming van de aan hem toebehorende zaken en afgifte van de sleutels, zal hebben verlaten;

Dat [gedaagde sub 1] van de door [eiser] gerealiseerde mogelijkheid om zich door de Stichting Zorg Plus te laten begeleiden geen gebruik wenst te maken.”

Het woord ‘geen’ in de laatste zin is doorgestreept, waarna handgeschreven het woord ‘wel’ is toegevoegd.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert samengevat - ontruiming van gedaagden, desnoods deze te mogen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm en met bepaling dat deze veroordelingen tot ontruiming tot een jaar na datum vonnis ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in de woning bevindt of daar binnen treedt, alsmede [gedaagde sub 1] te verbieden om zich binnen een afstand van 100 meter van de woning te bevinden op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

3.2. [Eiser] stelt daartoe dat [gedaagde sub 1] zonder recht of titel in de woning verblijft nu hij hiertoe nimmer toestemming heeft gegeven. Aldus is sprake van kraak, volgens [eiser] bij dagvaarding. Het vorenstaande blijkt ook uit de schriftelijke overeenkomst die partijen op 6 april 2012 met elkaar zijn aangegaan. De noodzaak tot ontruiming is volgens [eiser] gelegen in het feit dat de woning in haar huidige staat onverkoopbaar is gelet op de ravage die onder meer door [gedaagde sub 1] wordt veroorzaakt, alsmede het feit dat de woning momenteel wordt gekraakt. Bovendien wordt [eiser] thans geconfronteerd met een zeer hoge energienota, met als gevolgd dat zijn maandelijks voorschot van € 35,- per maand is bijgesteld naar € 556,- per maand. Gelet op al het vorenstaande maakt [gedaagde sub 1] inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] en lijdt [eiser] op grond hiervan voortdurend schade. Daarenboven is een plaatselijk verblijfsverbod noodzakelijk, nu [gedaagde sub 1] heeft gedreigd de woning in brand te steken.

3.3. [Gedaagde sub 1] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel afwijzing van de vorderingen, met compensatie van de proceskosten.

3.4. Het spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen ontbreekt volgens [gedaagde sub 1], nu de woning al jaren te koop wordt aangeboden en de woning al evenzo lang in haar huidige slechte staat verkeert. Voorts stelt [gedaagde sub 1] dat de rechtsverhouding tussen partijen niet eenvoudig is te duiden, om welke reden een bodemprocedure de geëigende weg zou zijn. Immers, volgens [gedaagde sub 1] kan namelijk sprake zijn van een viertal mogelijke opties, te weten voortzetting van de onderhuurrelatie die de stichting met [gedaagde sub 1] had, dan wel een zelfstandige verhuurovereenkomst of bruikleenovereenkomst en wellicht dat zelfs sprake is van anti-kraak. De door [eiser] overgelegde schriftelijke overeenkomst is nadien gewijzigd, zodat hieraan geen rechtskracht meer aan te ontlenen is. [Eiser] erkent bovendien dat hij de financiële bijdrage heeft ontvangen tot en met in ieder geval oktober van dit jaar. Voorts is onjuist dat de slechte staat van de woning de schuld is van [gedaagde sub 1]. De slechte staat wordt immers ook in het faillissementsverslag van de curator van de stichting benoemd. [Gedaagde sub 1] onderhoudt de woning juist voor zover hij hiertoe in staat is. Ten aanzien van de hoge energierekening merkt [gedaagde sub 1] nog op dat hij reeds geruime tijd geleden aan [eiser] heeft laten weten dat de verwarming in de badkamer niet deugdelijk functioneert, hetgeen de hoge kosten kan verklaren. Bovendien kunnen alle deuren in de woning op slot en maakt [gedaagde sub 1] slechts gebruik van enkele kamers van de woning, zodat de stelling van [eiser] dat hij alle deuren in het huis open laat staan met een dergelijke hoge nota tot gevolg, alleen om die reden al onjuist is.

Het gevorderde plaatselijk verblijfsverbod dient eveneens te worden afgewezen, nu [gedaagde sub 1] onnodig crimineel wordt neergezet. [Gedaagde sub 1] heeft slechts gezegd dat de woning beter in brand gezet kan worden gelet op de slechte staat van het pand, waarmee hij derhalve niet heeft gezegd dat hij de woning in brand wil steken. Volgens [gedaagde sub 1] wordt door een getuige de door de partner van [eiser] hieromtrent afgelegde verklaring weersproken.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.

4.2. Allereerst merkt de voorzieningrechter op dat ter zitting is vastgesteld dat er thans niemand anders dan [gedaagde sub 1] in de woning verblijft, zodat het geschil enkel ziet op [eiser] en [gedaagde sub 1]. [Eiser] is in zijn vorderingen jegens de niet bestaande gedaagde(n) sub 2 niet ontvankelijk.

4.3. De kern van dit geschil is vervolgens de vraag of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde sub 1] zonder recht of titel in zijn woning verblijft en ontruiming om die reden gerechtvaardigd is. Deze vraag dient vooralsnog ontkennend te worden beantwoord.

4.4. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de rechtsverhouding tussen partijen dient te worden geduid. Hoewel [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat [gedaagde sub 1] zonder recht of titel in de woning verblijft, heeft hij erkend dat [gedaagde sub 1] krachtens afspraak een maandelijkse bijdrage voor het gebruik van de woning heeft voldaan tot in ieder geval oktober van dit jaar. Eveneens heeft [eiser] erkend dat hij [gedaagde sub 1] toestemming voor het gebruik van de woning heeft gegeven. Tussen partijen staat vast dat [eiser] [gedaagde sub 1] een periode heeft willen voorthelpen, maar dat neemt niet weg dat er tussen partijen sprake is van enige contractuele relatie. Nu sprake is van een tegenprestatie (zowel een geldelijke bijdrage als onderhoud woning) is vooralsnog aannemelijk dat er sprake is van een vorm van huur en dat [gedaagde sub 1] aldus niet zonder recht of titel in de woning verblijft. Hoe deze relatie exact is te duiden is vooralsnog echter niet vast te stellen nu voorts eveneens nog onduidelijk is hoe de rechtsverhouding tussen [gedaagde sub 1] en de stichting zich verhouden heeft en of voortduring van die ‘onderverhuurrelatie’ thans nog aan de orde kan zijn.

4.5. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een nader feitenonderzoek noodzakelijk naar de vraag hoe de rechtsverhouding tussen partijen exact is te duiden. Voor de beoordeling van deze vragen en de eventuele rechtsgevolgen daarvan zal voorts nader bewijs moeten worden geleverd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent de onderhavige procedure zich daar echter niet voor. De vraag of [gedaagde sub 1] zonder recht of titel in de woning verblijft dient evenwel ontkennend te worden beantwoord, zodat de vorderingen van [eiser] dan ook zullen worden afgewezen.

4.6. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat er geen grondslag aanwezig is om een plaatselijk verblijfsverbod uit te spreken, nu de enkele verklaring van de partner van [eiser] dat [gedaagde sub 1] de woning in brand dreigt te steken gemotiveerd door [gedaagde sub 1] is betwist en de door hem ter zitting verklaarde bewoordingen zijn uiting in een minder dreigende context plaatst, zodat een plaatselijk verblijfsverbod een te verregaande maatregel is om - thans op basis van die ene verklaring - op te leggen.

4.7. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van het geval - waaronder het expliciete verzoek daartoe van [gedaagde sub 1] - aanleiding te bepalen dat partijen [eiser] en [gedaagde sub 1] ieder hun eigen kosten dragen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. bepaalt dat [eiser] en [gedaagde sub 1] ieder hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2012.?