Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BY7268

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
12/771 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering Wob-verzoek bekendmaking namen van drie partijen die hebben ingeschreven in het kader van de aanbestedingsproces van de exploitatie van de luchthaven Twente. In het in de aanbesteding gebruikte Request for Qualification is aangegeven dat de namen van de inschrijvers bekend zullen worden gemaakt. Niet aannemelijk gemaakt dat (op verzoek) met partijen is afgesproken om de namen niet bekend te maken.

Verweerder en de inschrijvende partijen waren vóór de inschrijving op de hoogte dat hun naam bekend zou worden gemaakt.

Ook is niet aannemelijk gemaakt dat economische of financiële belangen van verweerder worden geschaad bij openbaar maken van de documenten waaruit de namen blijken. Derhalve geen reden om het Wob-verzoek met toepassing van artikel 10, tweede lid onder b en g van de Wob, te weigeren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2013/17

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 12/771 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

Vereniging Omwonenden Luchthaven Twente (VOLT-Twente),

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde 1],

en

Area Development Twente,

gevestigd te Enschede, verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde 2].

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 2 juli 2012.

2. Procesverloop

Eiseres heeft op 2 januari 2012 verweerder verzocht om bekendmaking van de namen van drie geselecteerde reflectanten (hierna: de inschrijvers) die aan het aanbestedingsproces van de exploitatie van de luchthaven Twente deelnemen. Op 8 februari 2012 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Op 11 maart 2012 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiseres op 7 augustus 2012 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op het geding betrekking hebbende stukken op 3 september 2012 overgelegd. Op 19 september 2012 heeft eiseres gronden ingediend en op 23 september 2012 aanvullende stukken overgelegd. Daarop heeft verweerder op 4 oktober 2012 aanvullende stukken overgelegd. Op 8 november 2012 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vervolgens op 21 november 2012 hierop gereageerd.

De rechtbank heeft verweerder op 15 oktober 2012, op 22 oktober 2012 en op 12 november 2012 verzocht de documenten waarop het verzoek betrekking heeft, indien gewenst met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), over te leggen. Verweerder heeft bij brieven van 19 oktober 2012 gesteld dat er geen document is waarop het verzoek ziet en bij brief van 20 november 2012 gesteld dat, voor zover de rechtbank doelt op aanbestedingsdocumenten zoals de inschrijving, het overleggen daarvan geen wezenlijke bijdrage levert aan de beoordeling van het beroep.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 22 november 2012, waar de gemachtigde van eiseres is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door [gemachtigde 3, 4 en 5]. Het onderzoek is ter zitting geschorst om verweerder nogmaals de gelegenheid te geven de gevraagde stukken in te zenden. Ter zitting hebben partijen, voor het geval de stukken worden overgelegd met een verzoek als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb en voor het geval de rechtbank zou besluiten dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Op 28 november 2012 heeft gemachtigde van verweerder de gevraagde stukken overgelegd met het verzoek te beslissen dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Bij uitspraak van 29 november 2012 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de stukken A62, A621, A622 en A623 gerechtvaardigd is.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 13 december 2012 waarbij voor eiseres en verweerder dezelfde personen verschenen zijn.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 3, eerste lid , van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 .

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. (…);

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a , onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

c. (…);

d. (…);

e. (…);

f. (…);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Verweerder heeft de weigering tot openbaarmaking van de stukken in bezwaar gehandhaafd omdat het openbaar maken van de namen van de inschrijvers economische en tevens financiële risico’s voor verweerder meebrengt. Bekendmaking kan ook leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden. Volgens verweerder heeft het mogelijk terugtrekken uit de aanbesteding van een van de inschrijvers daarbij een rol gespeeld. Het risico van terugtrekking van een van de inschrijvers terwijl er slechts drie inschrijvers voorhanden zijn heeft geleid tot het zwaarder meewegen van het economische en financiële belang van verweerder dan het belang dat is gediend bij het openbaar maken van de namen van de inschrijvers.

Eiseres voert in beroep gronden aan tegen het besluit die er op neerkomen dat het maatschappelijk belang vraagt om openbaarmaking van de namen. In de Request for Qualification (hierna: RFQ) dat gebruikt is in de aanbestedingsprocedure is onder 9.2 (notifications) vermeld dat de namen van de inschrijvers bekend gemaakt zullen worden in lokale bladen en op het internet. Eiseres ziet dan ook niet in dat de economische of financiële belangen van verweerder in de weg staan aan openbaarmaking en evenmin dat derden onevenredig zouden worden bevoordeeld of benadeeld door openbaarmaking.

De rechtbank overweegt allereerst dat het recht van openbaarmaking ingevolge de Wob het belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan of moet openbaarmaking achterwege blijven. Het is aan verweerder aannemelijk te maken dat deze bijzondere omstandigheden zich voordoen.

Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de door verweerder overgelegde vertrouwelijke documenten is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat financiële of economische belangen van verweerder zich verzetten tegen openbaarmaking van de namen van de inschrijvers.

Verweerder heeft gesteld dat een van de inschrijvers heeft verzocht om de bekendmaking van de namen achterwege te laten. Bovendien is verweerder, gelet op zijn ervaring in andere aanbestedingsprocedures, wat betreft de openbaarmaking van de namen tot een ander inzicht gekomen. Daarop heeft verweerder met de inschrijvers overlegd en afgesproken dat de namen niet zouden worden bekend gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze feiten echter op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door het, al dan niet met een verzoek om beperkte kennisneming, overleggen van stukken, aannemelijk gemaakt. Uit het dossier blijkt niet van een verzoek van een van de inschrijvers, van een voortschrijdend inzicht van verweerder dan wel van een overleg met de inschrijvers over de bekendmaking van de namen. De rechtbank acht deze gestelde feiten dan ook niet aannemelijk.

De stelling dat een van de inschrijvers heeft verzocht om de namen niet bekend te maken acht de rechtbank ook niet aannemelijk nu in het RFQ is opgenomen dat de namen van de inschrijvers actief bekend zullen worden gemaakt. Het is, nu de inschrijvers zich aan het RFQ hebben gecommitteerd, zeker niet voor de hand liggend dat een van de inschrijvers daarop terug komt. Nu mag worden aangenomen dat de inschrijvers kennis hebben genomen van en in hun beleid rekening hebben gehouden met het RFQ en daarin de openbaarmaking van de namen is voorzien, ziet de rechtbank niet in dat de financiële of economische belangen van verweerder worden geschaad door openbaarmaking van de namen.

Verweerder heeft onvoldoende geconcretiseerd en gepreciseerd op welke wijze de onderhandelingspositie van verweerder en daarmee zijn financiële en economische belangen worden benadeeld door openbaarmaking van de namen van de inschrijvers.

Daaraan doet niet af dat het aanbestedingsrechtelijk is toegestaan dat verweerder met de inschrijvers overeenkomt af te wijken van het RFQ en de namen van de inschrijvers niet bekend te maken. Daaruit volgt immers nog niet dat de financiële en economische belangen van verweerder zodanig worden geschaad dat het belang van een goede en democratische bestuursvoering daarvoor dient te wijken.

De omstandigheid dat door bekendmaking van de namen van de inschrijvers uitwisseling van informatie en afspraken tussen inschrijvers mogelijk is, maakt dat niet anders nu dit in het RFQ door verweerder is voorzien. Bovendien acht de rechtbank met deze stelling niet te rijmen dat een van de inschrijvers heeft verzocht de namen niet bekend te maken.

De rechtbank concludeert dat verweerder de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder b van de Wob niet aan zijn beslissing ten grondslag heeft kunnen leggen.

Verweerder heeft openbaarmaking van de namen van de inschrijvers ook geweigerd gelet op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Verweerder heeft daaraan echter geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd dan die welke hiervoor al besproken zijn in het kader van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder b van de Wob. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g van de Wob niet aan zijn beslissing ten grondslag heeft kunnen leggen.

Aangezien blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting geen andere weigeringsgronden in het geding zijn, is de rechtbank van oordeel dat het belang van een goede en democratische bestuursvoering noopt tot openbaarmaking van de namen van de inschrijvers. Ter zitting heeft verweerder subsidiair gesteld dat de inschrijvers moeten worden gehoord voordat een nieuw besluit kan worden genomen, gelet op het bepaalde in artikel 4:8 en 3:2 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt niet gevolgd kan worden, gelet op hetgeen in het RFQ is opgenomen (dat de namen bekend gemaakt zullen worden) en gelet op de omstandigheid dat verweerder een andersluidende afspraak niet aannemelijk heeft gemaakt.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en verweerder te gelasten binnen vier weken na deze uitspraak de documenten waaruit de namen van de inschrijvers blijken van de aanbesteding openbaar te maken.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde € 29,-- ( 2 x reiskosten Ootmarsum - Almelo).

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 8 februari 2012;

- bepaalt dat verweerder de documenten waaruit de namen van de inschrijvers blijken openbaar maakt en wel binnen vier weken na de datum van deze uitspraak;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 29,-- door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad € 310, - vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2012

Afschrift verzonden op