Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BY6998

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
08/790177-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Collectief Horecaverbod Hengelo. Vervolg op LJN BK8911. De officier van justitie vervolgde de verdachte voor het in april 2009 overtreden van een met een "rode kaart" gegeven collectief horecaverbod. De politierechter had in 2009 principiële vragen gesteld en verwezen naar de meervoudige kamer. De officier van justitie heeft ter zitting van de meervoudige kamer antwoord gegeven op die vragen. Volgens de officier van justitie was de oude werkwijze volgens het College bescherming persoonsgegevens onrechtmatig. Er zou sinds 2010 een nieuwe werkwijze zijn die wel door het CBP zou zijn goedgekeurd. In de nieuwe werkwijze zou de politie ook niet langer bij het uitdelen van een "rode kaart" betrokken zijn. De meervoudige kamer verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging: zij heeft haar vervolgingsrecht verspeeld door pas nu, ter zitting, informatie te verschaffen. Informatie die voor een deel al in november 2009 voor handen was. De raadsvrouw kon zich op alle gegeven informatie niet voorbereiden. Bovendien heeft de OvJ geen belang meer bij vervolging nu het openbaar ministerie niet langer voor overtreding van "oude kaarten" vervolging instelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/790177-09

Datum vonnis: 18 december 2012

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1987 in Enschede,

wonende in [plaats, adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 december 2012. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mevrouw mr. A.M. Tromp en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in strijd met een collectief horecaverbod toch horecagelegenheid discotheek Lunatic is binnengegaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 10 april 2009, in Enschede, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de Oude Markt aldaar en in gebruik bij [naam] en/of discotheek Lunatic, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

3. De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

4. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat zij niet ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de uitspraak van de rechtbank Almelo op 16 juli 2010 die is gedaan in een soortgelijke zaak, met parketnummer 08/800004-10, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BN3518. Zij stelt vast dat het College van Procureurs-Generaal heeft kenbaar gemaakt dat het zich niet kan vinden in het vonnis maar zij stelt eveneens vast dat er destijds geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis. In de eerste plaats lettend op het genoemde vonnis is zij van mening dat verdachte dus eigenlijk reeds een straf heeft gekregen van de politie toen die hem een rode kaart uitreikte. Voor een tweede vervolging is geen plaats. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijkverklaring.

De officier van justitie is voorts ter terechtzitting ingegaan op de principiële kwesties die de politierechter in het proces-verbaal naar aanleiding van de terechtzitting van 15 juni 2009, waarin hij de zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer, aan de orde heeft gesteld (LJN BK8911). Zij heeft daarbij aan de rechtbank daarvoor relevante stukken overgelegd. Ten eerste is dat een document van een collega-officier van justitie inhoudende antwoorden op de vragen, bedoeld om tijdens een geappointeerde (maar uiteindelijk op die zitting tot heden aangehouden) zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Almelo op 4 november 2009 voorgedragen te worden. Ten tweede heeft zij overgelegd een interne memo gedateerd 30 augustus 2010 naar aanleiding van de door de politierechter gestelde vragen. Naar aanleiding van die vragen was kennelijk ontvangen het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens (hierna CBP te noemen) dat de Twentse werkwijze van destijds met betrekking tot het Collectief Horecaverbod volgens het CBP niet rechtmatig was. Het interne memo ziet ook op het hierboven genoemde vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 16 juli 2010. Ten derde heeft de officier van justitie een brief overgelegd van het College van Procureurs-generaal van 2 november 2010 naar aanleiding van vragen van de Nationale Ombudsman. De officier van justitie brengt naar voren dat er nu een nieuwe werkwijze is met betrekking tot het Collectief Horecaverbod waarin politie en justitie volgens haar geen enkel aandeel meer hebben. De nieuwe werkwijze is door het CBP goedgekeurd. De “oude kaarten” zijn niet ingetrokken maar overtreding van de bij die “oude kaarten” opgelegde collectieve horecaverboden wordt niet meer vervolgd.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging omdat teveel tijd is verlopen sinds de zaak door de politierechter op 15 juni 2009 naar de meervoudige kamer is verwezen en dat vanwege schending van de redelijke termijn de officier van justitie het vervolgingsrecht heeft verspeeld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw dat een schending van de redelijke termijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet meer kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Er is geen reden om in de onderhavige zaak anders te oordelen. De rechtbank verwerpt het beroep van de raadsvrouw op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank stelt vast dat de politierechter in het proces-verbaal naar aanleiding van de terechtzitting van 15 juni 2009 een aantal vragen heeft opgeworpen. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie blijkens hetgeen de officier van justitie daarover ter terechtzitting van heden naar voren heeft gebracht, kennelijk al een reactie gereed had op die vragen toen aanvankelijk op 4 november 2009 deze zaak op een zitting van de meervoudige kamer stond geappointeerd. De rechtbank constateert dat de daarop betrekking hebbende stukken destijds evenwel niet zijn gevoegd in het dossier en dus tot op heden geen deel uitmaakten van het dossier zodat de rechtbank en de verdediging daarvan geen kennis hebben kunnen nemen. De rechtbank stelt vast dat de reactie van de officier van justitie met een aantal daarmee verband houdende wezenlijke documenten, naar aanleiding van die door de politierechter aan de orde gestelde vragen, eerst ter zitting van de meervoudige kamer, op 18 december 2012 is overgelegd. De rechtbank en de verdediging konden derhalve eerst ter zitting van heden kennis nemen van die documenten en het standpunt van het openbaar ministerie met betrekking tot de reeds op 15 juni 2009 door de politierechter aan de orde gestelde vraagpunten.

De rechtbank noch de verdediging hebben tevoren kennis kunnen nemen van deze stukken en van de antwoorden op de vragen die de politierechter destijds heeft gesteld. In het bijzonder de verdediging is door het achterwege blijven van tijdige verstrekking vooraf van de ter terechtzitting van heden overgelegde stukken in haar belangen geschaad nu zij die niet heeft kunnen betrekken bij de voorbereiding van de verdediging met het oog op de terechtzitting van heden.

Gezien het feit dat het i.c. gaat om een relatief eenvoudige zaak en het op de weg van de officier van justitie lag om binnen redelijke termijn de rechtbank en de verdediging van stukken te voorzien als reactie op de door de politierechter op 15 juni 2009 aan de orde gestelde principiële vragen, is de rechtbank bij gebreke van een en ander van oordeel dat de officier van justitie het vervolgingsrecht heeft verspeeld en om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Voorts heeft de rechtbank bij haar beslissing nog in aanmerking genomen dat de officier van justitie ter terechtzitting heeft gesteld dat vervolging van overtreding van “oude kaarten” thans niet meer plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie om die reden thans ook niet langer meer een redelijk belang bij vervolging in de onderhavige zaak.

De rechtbank zal de officier van justitie derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

5. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. F.C. Berg en

mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.