Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BY6950

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
AWB 12 / 786 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebiedsverbod burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet in verband met ongeregeldheden tijdens voetbalwedstrijd. Procesbelang aanwezig. Verweerder kon in redelijkheid tot het oordeel komen dat sprake is van ernstige vrees voor de openbare orde. Voldaan aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/42

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 12 / 786 GEMWT

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

(eiser),

wonende te De Meern, eiser,

gemachtigde: mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht,

en

de Burgemeester van de gemeente Enschede,

verweerder,

gemachtigde: P. Hamer.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder een gebiedsverbod opgelegd aan eiser, inhoudende dat eiser zich op zondag 26 februari 2012 van 0:00 uur tot 24:00 niet mocht bevinden binnen de gemeentegrens van Enschede.

Bij besluit van 13 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2012. Eiser is niet verschenen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R.P. van der Graaf. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde de heer P. Hamer.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder terecht en op goede gronden voornoemd gebiedsverbod heeft opgelegd aan eiser.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 4 december 2011 hebben ernstige ongeregeldheden plaatsgevonden bij een voetbalwedstrijd tussen FC Utrecht tegen FC Twente. In het Voetbal Volg Systeem (VVS) was op 16 februari 2012 onder meer opgenomen:

“4-12-2011: FC Utrecht – FC Twente. (…) In gracht met groep stewards en hek bestormen. Buiten stadion met groep politie belagen en daarbij iets gooien. Zegt alleen te hebben staan kijken”.

Eiser is in maart 2012 vrijgesproken in de strafzaak die in dit kader tegen hem diende.

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder is uitgegaan van eenzijdige informatie die op geen enkele wijze is geverifieerd. Bovendien is diverse informatie pas voor het eerst aan de orde gekomen tijdens de behandeling van het bezwaarschrift. Er had nader onderzoek gedaan moeten worden naar de rol van eiser. Voorts had het primaire besluit in een veel eerder stadium genomen kunnen worden. Dat sprake zou zijn van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde, blijkt volgens eiser niet uit de geschetste omstandigheden. Verder is het besluit volgens eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het opgelegde gebiedsverbod met deze duur en omvang voldoet volgens eiser niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten tijde van het primaire besluit aan de hand van de beschikbare informatie er terecht vanuit is gegaan dat eiser bij de ongeregeldheden op 4 december 2011 betrokken is geweest. De ongeregeldheden die zich toen hebben voorgedaan, gevoegd bij de gerede verwachting dat daarop een reactie zou komen en de historie van de confrontatie tussen de supporters van de betreffende voetbalclubs, waren voldoende aanleiding voor ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde op 26 februari 2012. De omvang van het gebied van de gemeente is vastgesteld om te voorkomen dat de confrontatie elders binnen het grondgebied van de gemeente zou plaatsvinden. De omvang en duur van het verbod zijn volgens verweerder niet onnodig bezwarend voor eiser geweest.

Procesbelang

5. Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat het gebiedsverbod inmiddels reeds geruime tijd is verstreken. Eiser heeft aangevoerd dat het gebiedsverbod een ingrijpende maatregel voor hem is. Voorts wil hij precedentwerking voorkomen. Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat sprake is van procesbelang, aangezien het gaat om een tegen de persoon gerichte maatregel, die als ingrijpend mag worden beschouwd.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ten aanzien van huisverboden en verblijfsverboden impliceren dergelijke verboden, gelet op de gronden waarop deze worden opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de betrokkene (zie de uitspraak van 24 november 2010, LJN: BO4882). Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat degene aan wie een dergelijk verbod is opgelegd als gevolg van het besluit in zijn eer en goede naam is geschaad. Naar het oordeel van de Afdeling kan het resultaat dat diegene nastreeft, te weten vernietiging van dat besluit, om die reden voor hem van meer dan principiële betekenis zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van procesbelang. Eiser kan in zijn beroep worden ontvangen en is ook terecht door verweerder in zijn bezwaar ontvangen.

Beschikbare informatie en ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde

7. Artikel 172, derde lid van de Gemeentewet geeft verweerder de bevoegdheid om bevelen te geven in geval van verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Met ernstige vrees wordt bedoeld dat verweerder een gegronde vrees moet hebben dat de orde verstoord zal worden. Dit zal hij feitelijk genoegzaam moeten kunnen onderbouwen. Uit dit artikel moet worden afgeleid dat verweerder beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. De rechtbank kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen. Ter beantwoording ligt dan ook voor de vraag of verweerder in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. Bij deze toetsing dient te worden uitgegaan van de informatie die verweerder op dat moment ter beschikking stond.

8. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder ten tijde van het nemen van het besluit beschikte over gegevens uit het VVS van 16 februari 2012. Hij had van de politie de verzekering gekregen dat de gegevens uit het VVS waren gebaseerd op camerabeelden en processen-verbaal van de politie en dat eiser zou worden vervolgd voor zijn betrokkenheid bij de ongeregeldheden op 4 december 2011. Tevens heeft verweerder informatie over eerdere confrontaties tussen supporters van FC Twente en FC Utrecht ontvangen van de politie per e mailbericht van 21 februari 2012. Daaruit blijkt dat er in september 2009 rellen zijn geweest tussen FC Twente en FC Utrecht supporters (buiten de combiregeling met eigen vervoer), in maart 2011 mishandelingen door FC Twente supporters en in december 2011 heftige rellen na bestorming door FC Utrecht supporters van het gastenvak van FC Twente. Op grond van die informatie beschouwt de politie de confrontaties van beide clubs als risicoduels. Uit het VVS en informatie van de politie blijkt dan ook dat eiser in december 2011 bij de rellen betrokken is geweest en dat sprake is van eerdere ordeverstoringen als gevolg van rellen tussen de betreffende supporters. Aangezien de wetgever van mening is dat betrokkenheid bij ordeverstoringen in het verleden ernstige vrees voor verdere verstoringen kan opleveren (Memorie van Toelichting bij de Voetbalwet, Kamerstukken II, 31467, nr. 3), kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank op grond van voornoemde informatie dan ook in redelijkheid tot het oordeel komen dat sprake is van ernstige vrees voor de openbare orde. Concrete informatie over supporters van FC Utrecht die zonder geldig toegangsbewijs vanuit Utrecht naar Enschede zouden gaan op 26 februari 2012, is niet vereist voor een dergelijke vrees.

9. Verweerder beschikte pas vlak voor het primaire besluit over de hiervoor genoemde informatie. Dat is ook niet in geschil. Dat de politie mogelijk eerder over (een deel van) de gegevens zou hebben beschikt, zoals door eiser gesteld aan de hand van het interne e mailbericht van 11 januari 2012 van de Politie Twente, doet daaraan niet af. Dat al eerder een beslissing had kunnen worden genomen, is dan ook niet aan de orde en kan naar het oordeel van de rechtbank niet af doen aan de redelijkheid van het besluit. Voor zover er al sprake zou zijn van informatie waarover verweerder zou beschikken en die niet duidelijk zou blijken uit de primaire beslissing, is dit in ieder geval in de bezwaarprocedure en het bestreden besluit hersteld. Aangezien het in het bestreden besluit gaat om een volledige heroverweging, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Omvang en duur van het gebiedsverbod

10. Vervolgens dient te worden beoordeeld of het door verweerder opgelegde gebiedsverbod voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, die voortvloeien uit zowel artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als artikel 12 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

11. Ten aanzien van de eis van proportionaliteit overweegt de rechtbank als volgt. De ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde kan een rechtvaardiging vormen voor de beperking van (grond)rechten, waaronder het recht op bewegingsvrijheid. Tussen het algemeen belang bij het tegengaan van een dreigende verstoring van de openbare orde enerzijds en het belang van eiser bij het respecteren van zijn rechten anderzijds, moet een redelijke verhouding bestaan. Als algemeen uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat een gebiedsverbod niet langer mag duren dan noodzakelijk en dat het gebied waarop het verbod ziet zoveel mogelijk moet worden beperkt. Voorts moeten de onderscheiden belangen worden bezien in het licht van de aan verweerder toegekende bevoegdheid op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Deze bevoegdheid betreft een lichte bevelsbevoegdheid om in urgente situaties snel te kunnen handelen en is niet in het leven geroepen om (grond)rechten vergaand te beperken.

12. In het onderhavige geval had eiser een stadionverbod en mocht hij de wedstrijd van 26 februari 2012 niet bijwonen. Hij woont in Utrecht en heeft te kennen gegeven die dag geen andere redenen te hebben gehad om naar Enschede af te reizen. Dit betekent dat zijn belang in de afweging minder zwaar dient te wegen dan in het geval hij bijvoorbeeld in of nabij de gemeente Enschede zou hebben gewoond of een (dringende) reden zou hebben gehad om naar Enschede af te reizen. De rechtbank is van oordeel dat het opgelegde gebiedsverbod, afgemeten aan het hiervoor weergegeven toetsingskader, zowel voor wat betreft de duur als de omvang voldoet aan de eisen van proportionaliteit. Verweerder heeft het verbod in duur beperkt tot één dag, de dag van de voetbalwedstrijd. Gelet op het feit dat de wedstrijd zich ’s middags afspeelde en verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er redenen waren om te verwachten dat zich ook voor en/of na de wedstrijd ongeregeldheden zouden voordoen, vormt dit – gelet op het toetsingskader – niet een zodanig vergaande inbreuk op de bewegingsvrijheid van eiser dat niet wordt voldaan aan de eis van proportionaliteit. Dit geldt ook voor de omvang van het gebied. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met het verder beperken van het grondgebied tot het centrum en/of het stadion, supporters de mogelijkheid hadden om de confrontatie elders binnen het grondgebied van de gemeente te zoeken. Met inachtneming van het toetsingkader, levert ook dit standpunt niet een te vergaande inbreuk op de bewegingsvrijheid van eiser op.

13. Voorts dient te worden onderzocht of verweerder op het moment van het primaire besluit met een minder verstrekkende maatregel dan een gebiedsverbod kon volstaan. Dat er met een minder verstrekkende maatregel kon worden volstaan, is niet aannemelijk geworden. De door eiser genoemde alternatieve maatregel - controle op toegangswegen op reizen naar Enschede buiten de combiregeling om - kan niet als een lichtere maatregel worden beschouwd. Dergelijke reizen zijn in beginsel immers niet verboden, zodat hiervoor een aanvullende bevelsmogelijkheid had moeten worden ingezet door verweerder, zoals een (nood)bevel of noodverordening. Hierdoor wordt de bewegingsvrijheid eveneens verstoord en dit treft ook andere mensen, zoals supporters die niet eerder bij ongeregeldheden betrokken zijn geweest. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Conclusie

14. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht en op goede gronden het gebiedsverbod, inhoudende dat eiser zich op zondag 26 februari 2012 van 0:00 uur tot 24:00 niet mocht bevinden binnen de gemeentegrens van Enschede, heeft opgelegd aan eiser.

15. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Het beroep van eiser zal derhalve ongegrond worden verklaard.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van B.D. Endlich, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

Afschrift verzonden op