Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BY6436

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
133268 / KG ZA 12-239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Perfecte overeenkomst m.b.t. overname van gezamenlijke woning na beeindiging relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 133268 / KG ZA 12-239

datum vonnis: 12 december 2012

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder om reconventie,

verder te noemen de man,

advocaat: mr. M.E. Kikkert te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie

verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. A.S.M. Zweerman- Oude Breuil te Hengelo.

1. Het procesverloop

1.1 De man heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding. Van de zijde van de man zijn nog enkele stukken in het geding gebracht. De vrouw heeft een conclusie van antwoord ingediend en tevens een eis in reconventie ingesteld. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 10 december 2012. Ter zitting zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. M.E. Kikkert en de vrouw, bijgestaan door mr. A.S.M. Zweerman- Oude Breuil. De standpunten zijn toegelicht. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1 In deze zaak staat het navolgende vast.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op 7 januari 2002 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten. Partijen hebben samen een woning gekocht en geleverd gekregen waarop een hypothecaire geldlening rust van € 197.500,00. Daarnaast is sprake van een krediethypotheek van € 22.500,00. Voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van de hypothecaire lening zijn beide partijen hoofdelijk aansprakelijk. De hypotheeklasten bedragen € 732,00 bruto per maand. Na het beëindigen van de relatie in april 2012 heeft de vrouw de woning verlaten. De man bewoont de gezamenlijke woning nog steeds. Partijen hebben onderhandeld over een overname van de gezamenlijke woning door de man. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of zij hierover overeenstemming hebben bereikt.

3. Het geschil

In conventie

3.1 De man vordert samengevat - om de vrouw met ingang van 1 juni 2012 tot de datum van verkoop en levering van de gemeenschappelijke woning aan derden, te veroordelen tot betaling aan de man van de helft van de woonlasten van deze woning, levensverzekering en hypothecaire geldlening van partijen en de vrouw op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot het meewerken aan de aanbieding en verkoop van de gezamenlijke woning. Voor het geval de vrouw niet op het eerste verzoek van de man deze medewerking verleent, vordert de man vervangende toestemming te verlenen en te bepalen dat het vonnis mede in de plaats zal treden van de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot de woning, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van de vrouw tot die levering. Tevens vordert de man te bepalen dat partijen de over- c.q. onderwaarde van de woning minus de kosten van makelaar en notaris op datum transport bij helfte delen, dat de vrouw aan de man een bedrag van € 104,-- zal voldoen ter zake de taxatiekosten van de woning en te bepalen dat de vrouw aan de man de helft zal voldoen van de nog te ontvangen factuur inzake de afwikkeling van de samenleving en te verstaan dat de man zal zorgdragen voor de betaling van deze factuur aan de notaris. Daarnaast vordert de man te bepalen dat de vrouw tot de verkoop en levering van de honden aan een derde, een bedrag van € 16,00 per maand bijdraagt in de kosten van deze honden. Tot slot vordert de man de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2 De man stelt daartoe kort gezegd dat de vrouw sinds juni 2012 niet meer haar aandeel betaalt in de hypotheeklasten van de woning. De man is daardoor niet in staat de hypotheeklasten te voldoen, nu hij ook nog partneralimentatie aan zijn ex-vrouw dient te betalen. Er is inmiddels een achterstand in de hypotheekbetalingen ontstaan. Partijen hebben onderhandeld over de overname van de gezamenlijke woning door de man. De uiteindelijke acceptatie van het voorstel van de man aan de vrouw is volgens de man echter gebrekkig en niet volledig. Zijns inziens is slechts sprake van een niet geaccepteerd voorstel in de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst. De man stelt dan ook dat van een partijen bindende overeenkomst, die de hem verplicht de woning over te nemen en de volledige hypothecaire lasten van die woning te blijven voldoen, geen sprake is en dat hij daartoe evenmin op naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gedwongen kan worden. Het aanbod, zoals dat door de man is neergelegd in het voorstel, is inmiddels vervallen. De man is nu van mening dat de woning verkocht dient te worden. De vrouw heeft tot op heden niet willen meewerken aan de verkoop van de woning. Ook is zij haar toezegging om € 104,00 te betalen aan de man, als zijnde haar aandeel in de taxatiekosten van de woning, nog niet nagekomen. De honden maken volgens de man deel uit van de gemeenschappelijke huishouding, zodat op grond van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst de kosten die voor de honden worden gemaakt, gezamenlijk gedragen dienen te worden.

3.3 De vrouw voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkverklaring althans tot afwijzing van de vorderingen van de man. Daaraan legt zij samengevat weergegeven allereerst ten grondslag dat een spoedeisend belang ontbreekt, nu de man op geen enkele wijze heeft aangetoond waarom hij de woning niet alleen kan betalen en evenmin is onderbouwd dat de man eventueel op straat zou komen te staan. Met betrekking tot de gezamenlijke woning stelt de vrouw dat er tussen partijen wel degelijk overeenstemming is bereikt over de overname van de woning door de man. Het door de man op 26 juli 2012 gedane voorstel is door de vrouw diezelfde dag geaccepteerd. Er is derhalve sprake van een rechtsgeldige overeenkomst tussen partijen op grond waarvan de man de lasten over de maand augustus 2012 voor zijn rekening zou nemen. Daarna zou de woning aan hem worden toebedeeld, hetgeen impliceert dat de man daarna ook alle lasten met betrekking tot de woning zou gaan voldoen. Dat de man blijkens een schrijven van 28 augustus 2012 nadien zijn standpunt heeft gewijzigd, doet daar niet aan af. In de omstandigheid dat de man heeft meegedeeld de overeenkomst niet te zullen nakomen, heeft de vrouw aanleiding gezien om haar bijdrage van € 570,00 voor de maanden juni en juli 2012 nog niet over te maken. Zij zou deze bedragen voldoen op het moment dat de man de woning en de hypothecaire lening overnam en zij niet langer aansprakelijk zou zijn en aan deze voorwaarde is nog niet voldaan. Aangezien de man € 2.000,00 heeft opgenomen van de gezamenlijke rekening om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, gaat de vrouw er vanuit dat zij meer dan haar deel heeft voldaan, aangezien de helft van de hypothecaire lasten € 366,00 per maand is. Nu er een rechtsgeldige overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, de overeenkomst niet is ontbonden en er daartoe ook geen reden bestaat, kan de man niet meer op grond van de samenlevingsovereenkomst vorderen dat de vrouw voor de helft in de hypothecaire lasten bijdraagt. Deze vordering dient dan ook te worden afgewezen. Er bestaat volgens de vrouw evenmin reden om haar te veroordelen tot het meewerken aan de verkoop van de woning, aangezien op geen enkele wijze is aangetoond dat zij daaraan niet zou willen meewerken, zodat ook de hierop betrekking hebbende vordering dient te worden afgewezen. De tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst staat volgens de vrouw eveneens in de weg aan toewijzing van de vordering dat de over- dan wel onderwaarde van de woning minus de kosten bij helfte moeten worden gedeeld, nu uit die overeenkomst blijkt dat de man deze onderwaarde voor zijn rekening moet nemen, nadat de vrouw tot betaling van een bedrag van € 8.500,00 is overgegaan. Indien wordt aangenomen dat er geen rechtsgeldige overeenkomst tussen partijen ligt, is de vrouw van mening dat de vordering van de man ter zake de hypothecaire lasten dient te worden afgewezen, aangezien de vrouw de hypothecaire lasten niet aan de man, maar aan de bank verschuldigd is. Voor zover dat al in kort geding gevorderd kan worden is de vrouw is van mening dat zij niet verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten gemaakt voor de honden, zodat deze vordering afgewezen dient te worden. Bij haar vertrek had de vrouw niet de mogelijkheid om de honden mee te nemen en afgesproken is dat de honden bij de man zouden blijven. De vrouw heeft de man al eerder te kennen gegeven het niet redelijk te vinden voor de honden een financiële bijdrage te moeten leveren en zij heeft de man verschillende adressen doorgegeven waar hij de honden naar toe zou kunnen brengen.

In reconventie

3.4 De vrouw vordert samengevat - de man vanaf 1 augustus 2012 te veroordelen tot betaling van de maandelijkse hypothecaire lasten met betrekking tot de gezamenlijke woning aan de bank op straffe van verbeurte van een dwangsom. Subsidiair vordert de vrouw de man te veroordelen tot voldoening van een gebruiksvergoeding gelijk aan de helft van de maandelijkse hypothecaire lasten met betrekking tot de woning met ingang van

1 juni 2012, althans een in redelijkheid vast te stellen gebruikersvergoeding met ingang van een in redelijkheid vast te stellen ingangsdatum. Voor zover de vrouw wordt veroordeeld om bedragen ter zake de verdeling aan de man te voldoen, vordert de vrouw de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen ter zake opgenomen gelden van de gemeenschappelijke rekening een bedrag van € 1.000,00, een bedrag van € 5.500,00 ter zake de investeringen in de camper, € 3.373,00 ter zake de overbedeling van de man met betrekking tot de inboedel en € 5.500,00 ter zake de toebedeling van de spaarverzekering bij de bank. Tot slot vordert de vrouw primair de man te veroordelen in de kosten van de procedure en subsidiair de proceskosten te compenseren.

3.5 De vrouw stelt daartoe dat zij niet vrijwillig de gezamenlijke woning heeft verlaten, maar dat zij dit onder bedreiging van de man heeft gedaan. Zij heeft eigen woonruimte moeten betrekken, waarvoor zij maandelijks € 600,00 huur dient te betalen. Nog afgezien van de overeenkomst op grond waarvan de man de woning zal overnemen en aansprakelijk zal worden voor de daarmee samenhangende lasten, acht de vrouw het ook gelet hierop niet redelijk en billijk dat zij nog zou bijdragen in de kosten van de gezamenlijke woning. Voor zover zij een bijdrage in de hypotheeklasten zou dienen te leveren, dient de man in de visie van de vrouw een gebruikersvergoeding te voldoen, aangezien hij het gebruik en genot van de woning heeft. Met betrekking tot de door de man gevorderde verdeling stelt de vrouw zich op het standpunt dat partijen hierover al een overeenkomst hebben gesloten die de man dient na te komen. Dit geldt ook voor de notariskosten, de makelaarskosten en de kosten van de honden. Los daarvan leent een kort geding zich volgens de vrouw niet voor het vaststellen van een verdeling. De vrouw vordert zowel in conventie als in reconventie primair veroordeling van de man in de proceskosten en subsidiair compensatie van deze kosten.

3.6 De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Hij stelt daartoe in aanvulling op hetgeen reeds in de dagvaarding is verwoord samengevat weergegeven dat het spoedeisend belang nog eens wordt onderstreept door de in procedure gebrachte brieven van de bank waaruit blijkt dat sprake is van een achterstand in de betaling van de hypotheek. De man handhaaft zijn stelling dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen, nu zijn van 26 juli 2012 daterende aanbod niet conform is geaccepteerd, er door de vrouw in de brief van 29 augustus 2012 aanvullende voorwaarden zijn gesteld en zij door haar toegezegde bedragen niet aan de man heeft betaald. De man betwist dat de vrouw een voorbehoud heeft gemaakt in welk kader zij pas tot betaling zou overgaan als de overdracht van de woning rond was. De man heeft de intentie gehad de woning over te nemen, maar heeft die intentie niet meer nu hem door de bank is voorgespiegeld dat hij de lasten daarvan niet zal kunnen opbrengen, mede gezien de nieuwe kabinetsplannen. De man verwijst naar jurisprudentie, onder meer van deze rechtbank, waaruit zou blijken dat het mogelijk is om het deel van de hypotheek waarvoor de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is aan de man over te maken in plaats van aan de bank. De reden dat er in kort geding verdeling wordt gevorderd is gelegen in de omstandigheid dat de vrouw eerder heeft aangegeven niet mee te willen werken.

4. De beoordeling

In conventie

4.1 Tussen partijen is in geschil of er een met betrekking tot de overname van de woning en de daaraan verbonden lasten door de man een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Met de vrouw is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat partijen hieromtrent definitief tot een overeenkomst zijn gekomen. De voorzieningenrechter overweegt daarover het volgende.

4.2 Partijen zijn het erover eens dat zij onderhandelingen hebben gevoerd over de overname van de gezamenlijke woning door de man. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een voorstel van de zijde van de man, zoals verwoord in een schrijven van 26 juli 2012.

Hierop is van de zijde van de vrouw gereageerd bij schrijven van eveneens 26 juli 2012.

In deze correspondentie is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen steun te vinden voor de stelling van de man dat de vrouw niet heeft bevestigd akkoord te zijn met een overname van de woning door de man. Uit deze en overige gedingstukken komt juist naar voren dat de tussen partijen gevoerde onderhandelingen waren gericht op de voorwaarden waaronder de man de woning kon overnemen. Evenmin is in de stukken steun te vinden voor het betoog van de man dat zijn aanbod om de woning over te nemen is gedaan onder het voorbehoud dat hij de financiering rond zou krijgen. Indien een dergelijk voorbehoud zou zijn gemaakt, ligt het voor de hand dat hiervan expliciet melding zou zijn gemaakt in de correspondentie. Dat is niet gebeurd. In zijn brief van 9 juli 2012 heeft de man zelfs met zoveel woorden aangegeven dat hij in staat is om de woning te financieren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in een bodemprocedure waarschijnlijk zal worden geconcludeerd dat partijen in de briefwisseling van 26 juli 2012 op alle punten overeenstemming hebben bereikt en dat er dus op dat moment een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen. Daar doet niet aan af dat de vrouw door haar toegezegde bedragen als bijdrage in de lasten van de woning niet heeft overgemaakt, nu de betaling van deze bedragen juist onderdeel uitmaken van de overeenkomst. Dat, zoals de man stelt, door de vrouw in het schrijven van 29 augustus 2012 aanvullende voorwaarden heeft gesteld, waarmee zij terugkomt op haar brief van 26 juli 2012, zodat ook hierin een aanwijzing is gelegen dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, volgt de voorzieningenrechter niet. De vrouw had niet het recht aanvullende voorwaarden te stellen.

4.3 Nu er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vanuit gegaan moet worden dat er tussen partijen al een overeenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van hetgeen hij vordert, kan de man in zijn vorderingen niet worden ontvangen.

4.4 Van enig spoedeisend belang kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin sprake zijn nu niet is gebleken dat de woonlast voor de man onoverkomelijk is.

In reconventie

4.5 Nu de man in zijn vorderingen in conventie niet kan worden ontvangen, komt de voorzieningenrechter aan de vorderingen in reconventie niet toe.

4.6 Hoewel de man volledig in het ongelijk is gesteld, zal de voorzieningenrechter vanwege de aard van de procedure de proceskosten compenseren.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Verklaart de man niet ontvankelijk in zijn vorderingen.

II. Compenseert de proceskosten in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. E.V.A. Groener, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.