Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BY6188

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
12 / 437 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 12/ 437 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

I JTI Autobedrijf VOF, gevestigd te Vriezenveen

II [naam], te [woonplaats]

eisers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, milieu-adviesbureau te Almelo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Twenterand,

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 maart 2012.

2. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft verweerder aan JTI Autobedrijf VOF een last onder dwangsom opgelegd van € 200.000 ineens teneinde de illegale situatie op de percelen Hammerweg 77 en 79 te Vriezenveen op te heffen en opgeheven te houden. De begunstigingstermijn is gesteld op vier maanden na de bekendmaking van het dwangsombesluit.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 7 augustus 2012 een verweerschrift doen toekomen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 7 december 2012, waar

namens eisers is verschenen M.H. Middelkamp, voornoemd. Verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. E. Nijhuis.

3. Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat het belang van [naam] als vennoot van de vennootschap onder firma JTI Autobedrijf (hierna: JTI) zodanig is verweven met het belang van de vennootschap zelf, dat hij als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de aan de vennootschap gerichte last onder dwangsom. Geen reden bestaat om het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

In artikel 5:32b, van de Awb is onder meer bepaald dat het bestuursorgaan de dwangsom vaststelt hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van de percelen Hammerweg 77 en 79 te Vriezenveen voor de handel en verkoop van motorvoertuigen, voor zover deze plaatsvindt binnen de bestemming “Agrarisch gebied” en de bestemming “Woningbouw EO” zonder de gebiedsaanduiding “Gebiedsaanduiding als bedoeld in artikel 5, lid 11, sub b”, alsmede de verharding van het terrein, het hekwerk en twee lichtmasten binnen deze bestemmingen, in strijd zijn met het bestemmingsplan “Hammerweg”. Verweerder was daarom bevoegd om tegen dit illegale gebruik op te treden door het opleggen van een last onder dwangsom.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dat kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van concreet zicht op legalisatie is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. Verweerder heeft op 23 november 2010 een verzoek van JTI om binnenplanse ontheffing als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het bestemmingsplan “Hammerweg” afgewezen, omdat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden. Dit besluit is onherroepelijk. Verder heeft de raad van de gemeente Twenterand voor het gebied waarbinnen de percelen Hammerweg 77 en 79 zijn gelegen op 7 februari 2012 het nieuwe bestemmingsplan “Vriezenveen lintbebouwing en centrum” vastgesteld. Daarbij is besloten om geen medewerking te verlenen aan de activiteiten waarvoor de last onder dwangsom is opgelegd, nu deze een doorkruising betekenen van het planologisch beleid dat erop is gericht om het oorspronkelijke karakter van de historische lintbebouwing in Vriezenveen te handhaven. Het is niet onredelijk dat verweerder, bij zijn beoordeling omtrent de mogelijkheid tot legalisatie, aansluit bij de uitdrukkelijke wens van de planwetgever. Het betoog van eisers, zoals namens hen ter zitting is gesteld, dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten in beperkte mate kunnen worden voorgezet, mist feitelijke grondslag. Verweerder heeft duidelijk uiteengezet dat hij wat betreft het stallen van voertuigen geen enkele afwijking van het bestemmingsplan wil toestaan. Dat eisers menen dat van een aantasting van de karakteristieke ruimtelijke structuur van de Hammerweg geen sprake is, kan evenmin leiden tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot de last onder dwangsom. In beginsel volstaat het enkele feit dat verweerder niet bereid is vergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het ter zake door verweerder ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Daarbij heeft de rechtbank tevens in ogenschouw genomen dat naar aanleiding van het beroep dat is ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan “Vriezenveen lintbebouwing en centrum” door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) om advies is gevraagd van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB). De StAB heeft in haar advies van

3 september 2012 vastgesteld dat de activiteiten waarop de last ziet in strijd zijn met het gemeentelijk landschappelijk beleid en een aantasting betekenen van het landschappelijke karakter.

Voorgaande geldt evenzeer ten aanzien van het standpunt van eisers dat het niet toestaan van de bedrijvigheid op de gewenste locatie meebrengt dat JTI is gedwongen de bedrijfsvoering op een vanuit milieuhygiënisch oogpunt minder wenselijke wijze vorm te geven. Wat er verder van dit standpunt zij, ook hierin kan geen reden worden gevonden dat verweerder in redelijkheid van de opgelegde last heeft moeten afzien. Niet aannemelijk is dat JTI binnen de geldende planologische mogelijkheden in het geheel niet op milieuhygiënische adequate wijze haar bedrijf kan voeren.

Ook overigens hebben eisers geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die verweerder zouden moeten nopen tot het afzien van handhavend optreden. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder JTI in het verleden ter wille is geweest door haar in 2005 een tijdelijke vrijstelling en een tijdelijke bouwvergunning voor de duur van vijf jaar te verlenen in afwachting van het beschikbaar komen van bedrijfsgrond op het bedrijventerrein Almeloseweg Oost. JTI was dan ook al jaren op de hoogte van het illegale karakter van de huidige situatie en wist dat de situatie na ommekomst van de termijn van vijf jaar in overeenstemming met het bestemmingsplan moest worden gebracht. Dat de termijn van de vrijstelling is verstreken zonder dat zich een bedrijfsverplaatsing heeft gerealiseerd, betekent niet dat verweerder van een handhavend optreden diende af te zien. De rechtbank tekent hierbij aan dat de gemeente Twenterand sinds 2005 meerdere malen een bedrijfslocatie op het bedrijventerrein Almeloseweg Oost heeft aangeboden, doch dat JTI deze om haar moverende reden niet heeft aanvaard.

Voor zover eisers een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel, kan dit niet slagen nu verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft aangetoond dat bij de door verzoekster genoemde gevallen, te weten Brinks Metaal, Witte van Moort en Jari Autohandel, met name vanwege de ligging van deze bedrijven geen sprake is van gelijke gevallen. Ook dit standpunt van verweerder is overigens door de StAB onderschreven. Dat

– waar het gaat om Witte van Moort – de afstand tot de gestalde auto’s gemeten vanaf de as van de weg nagenoeg gelijk is, doet daaraan niet af.

Eisers hebben zich ter zitting voorts op het standpunt gesteld dat de hoogte van de dwangsom van € 200.000 te hoog is in verhouding tot de geconstateerde overtredingen. De rechtbank overweegt dienaangaande dat het opleggen van een last onder dwangsom tot doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. De financiële omstandigheden van de overtreder spelen hierbij in beginsel geen rol. Evenmin behoeft de last te worden gerelateerd aan de kosten van het voldoen aan de last (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2006, LJN: AX0732).

Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat de hoogte van de dwangsom is bepaald aan de hand van de grondprijs die JTI zou hebben betaald indien geen sprake was van grond met een agrarische bestemming maar met de bestemming bedrijfsdoeleinden. JTI heeft circa 1940 m² aan agrarische grond voor haar bedrijfsdoeleinden in gebruik genomen. Uitgaande van een grondprijs van € 105,- per m² voor bedrijfsgrond en een grondprijs van € 5,- per m² voor agrarische grond, heeft JTI een voordeel behaald van circa € 100,- per m². Daar komt bij dat de dwangsom ook een prikkel moet geven de overtreding daadwerkelijk te beëindigen.

De rechtbank acht het standpunt van verweerder niet onredelijk. Gelet op het feit dat JTI gedurende de tijdelijke vrijstelling van 2005 tot 2010 en ook in de jaren daarna heeft kunnen profiteren van de illegale situatie en daarmee een aanmerkelijk financieel voordeel heeft genoten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om, zoals namens eisers ter zitting is gesteld, aansluiting te zoeken bij de huurwaarde van de grond. JTI heeft de agrarische grond reeds in eigendom en heeft beoogd deze grond permanent voor haar bedrijfsdoeleinden te gebruiken. In die situatie heeft verweerder in redelijkheid kunnen aansluiten bij de geldende grondprijzen. Dat verweerder de opgelegde last heeft gepubliceerd, inclusief de hoogte van de opgelegde dwangsom, is in dit verband niet relevant.

Eisers hebben tot slot gesteld dat ten tijde van de beslissing op bezwaar de overtreding ten aanzien van de lichtmasten reeds was beëindigd, zodat verweerder de last in zoverre had dienen aan te passen. Verweerder heeft dit standpunt, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, gemotiveerd en op juiste gronden weerlegd.

Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

Afschrift verzonden op