Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BY5992

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
08/710323-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld in vereniging. 365 dagen jeugddetentie waarvan 165 dagen voorwaardelijk, plus toekenning schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710323-12

Datum vonnis: 11 december 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] in [plaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in [locatie].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 november 2012. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mevrouw mr. L. Grooters en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: samen met anderen [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of geschopt om diens fiets te kunnen stelen, door welk geweld bij die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan;

Feit 1 subsidiair: samen met anderen aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een schedelbasisfractuur en een hersenschudding;

Feit 1 meer subsidiair: samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1];

Feit 2 primair: samen met anderen [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of geschopt om diens fiets te kunnen stelen;

Feit 2 subsidiair: samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2];

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 27 mei 2012,

te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets

(merk Sparta), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij en/of

zijn mededader(s) die [slachtoffer 1]:

- met (zeer grote) kracht in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd heeft/hebben

geslagen en/of gestompt en/of

- (terwijl die [slachtoffer 1] al dan niet gestrekt op de grond lag) in/op/tegen het

(gehele) lichaam heeft/hebben geslagen/gestompt/getrapt/geschopt,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbasisfractuur

met een hersenschudding) voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 mei 2012,

te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, en/althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(te weten een schedelbasisfractuur met een hersenschudding) heeft toegebracht,

door deze [slachtoffer 1] opzettelijk met (zeer grote) kracht in/op/tegen het

gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen en/of (terwijl die [slachtoffer 1] al dan niet

gestrekt op de grond lag) die [slachtoffer 1] in/op/tegen het (gehele) lichaam te

slaan/stompen/trappen/schoppen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 mei 2012,

te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Reggesingel,

in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig:

- aanvallen van en/of indringen op die [slachtoffer 1] en/of

- (met kracht) slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht en/althans het

lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- trappen/schoppen/slaan/stompen in/op/tegen het (gehele) lichaam van die

[slachtoffer 1];

2.

hij op of omstreeks 27 mei 2012,

te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets

(merk Gazelle, type Davos), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het

bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 2]

- met kracht in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/althans in/op/tegen

(gehele) lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

- met kracht in/op/tegen het lichaam heeft/hebben

geslagen/gestompt/getrapt/geschopt;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 mei 2012,

te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Reggesingel,

in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen [slachtoffer 2],

welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig:

- aanvallen van en/of indringen op die [slachtoffer 2] en/of

- (met kracht) slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht en/althans het

lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- trappen/schoppen/slaan/stompen in/op/tegen het (gehele) lichaam van die

[slachtoffer 2];

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake van feit 1 primair en feit 2 primair wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, met als bijzondere voorwaarden toezicht door de jeugdreclassering en een behandeling bij Tactus verslavingszorg met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1.957,32 en oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 19.698,20 en oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr en met teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

5.1 De feiten die niet ter discussie staan

De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.

Verdachte heeft op 27 mei 2012 samen met medeverdachte [medeverdachte 1] over de Reggesingel in Rijssen gelopen. Medeverdachte [medeverdachte 2] kwam hen tegemoet fietsen met een fiets die hij kort tevoren had weggenomen bij het station in Rijssen. Kort daarvóór was [medeverdachte 2] door medeverdachte [medeverdachte 1] gebeld en afgesproken was om elkaar te treffen. Tussen verdachte en [medeverdachte 1] aan de ene kant en [medeverdachte 2] aan de andere kant bevonden zich de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met hun fietsen. [medeverdachte 2] heeft geroepen: ‘Pak die fiets’. Verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelopen en hebben vervolgens bij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] halt gehouden. Over en weer werden wat onvriendelijkheden uitgewisseld. Duidelijk was dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet van plan waren hun fietsen aan verdachte en zijn medeverdachten af te staan en dat ook in niet mis te verstane bewoordingen kenbaar hebben gemaakt. Verdachte en zijn medeverdachten lieten zich echter niet wegsturen waarop [slachtoffer 1] vervolgens verdachte en zijn medeverdachten een duw heeft gegeven. Nadat eerst medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een duw hadden gehad, kreeg verdachte als laatste een duw van [slachtoffer 1]. Daarop heeft verdachte hard met zijn vuist tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gestompt. [slachtoffer 1] viel daarop achterover op de grond en is buiten bewustzijn op de grond blijven liggen. Verdachte heeft gezien dat [slachtoffer 1] buiten bewustzijn was. Verdachte heeft daarna [slachtoffer 2] een klap gegeven. [slachtoffer 2] is weggerend. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn achter [slachtoffer 2] aangerend. Verdachte heeft vervolgens meermalen tegen het gezicht en tegen het hoofd van [slachtoffer 2] geslagen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft meermalen tegen het gezicht, tegen het hoofd en tegen het bovenlichaam van [slachtoffer 2] geslagen. [medeverdachte 2] heeft meermalen tegen het lichaam van [slachtoffer 2] geschopt.

Daarna hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de fiets van [slachtoffer 1] en de fiets van [slachtoffer 2] weggenomen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn op de fietsen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gestapt en zij zijn samen met medeverdachte [medeverdachte 2] weggefietst richting Wierden.

[slachtoffer 1] heeft ten gevolge van de klap zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een schedelbasisfractuur en een hersenschudding.

5.2 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad en het onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld, kan worden bewezen. De officier van justitie heeft zich hiertoe beroepen op de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en van aangever [slachtoffer 1] en op de verklaringen van verdachte en de medeverdachten en de verklaring van getuige [getuige 1].

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van diefstal van twee fietsen en dat er sprake is van geweld, maar dat diefstal met geweld niet kan worden bewezen. Zij stelt dat het plan om de fietsen te stelen pas ontstond bij verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] na het hebben gehad van een van een voorgenomen diefstal losstaande woordenwisseling gevolgd door en gepaard met geweld, zodat het oogmerk van het plegen van geweld te weten het gemakkelijk maken van de diefstal of het mogelijk maken van de vlucht niet bewezen kan worden. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat vaststaat dat medeverdachte [medeverdachte 1] reeds vervoer had geregeld en dat verdachte daarvan op de hoogte was. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de diefstal van de fietsen hebben gepleegd om de vlucht na het gepleegde geweld mogelijk te maken en dat het geweld dus juist niet is gepleegd om de vlucht na de diefstal mogelijk te maken. Volgens de raadsvrouw geldt voor zowel feit 1 als feit 2 dat enkel het primair tenlastegelegde tot en met het woord mededader(s) in de zevende regel bewezen kan worden verklaard en daarmee enkel het medeplegen van diefstal van de fietsen.

5.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor bewezenverklaring van diefstal met geweld of bedreiging met geweld dienen de geweldshandelingen ingevolge artikel 312 Sr te zijn gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, om de diefstal gemakkelijk te maken of om bij betrapping aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren.

Op basis van de bewijsmiddelen is voor de rechtbank komen vast te staan dat het moment waarop medeverdachte [medeverdachte 2] duidelijk hoorbaar voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] alsmede voor de beide slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], riep; ‘Pak die fiets’, het moment geweest is dat voor verdachte en zijn medeverdachten het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening van de fietsen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat oogmerk af te leiden uit het gedrag van de verdachte en zijn medeverdachten volgend op de opmerking van medeverdachte [medeverdachte 2]. Grond hiervoor vindt de rechtbank in de reactie van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op deze woorden, nu zij zich met medeverdachte [medeverdachte 2], na de geuite woorden onmiddellijk – wellicht na voorafgaand verbaal protest van de latere slachtoffers – aan de slachtoffers hebben opgedrongen, waarna, toen de slachtoffers hun fiets kennelijk niet vrijwillig wilden afstaan, de geweldshandelingen werden verricht en de verdachten er vervolgens met de fietsen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vandoor gingen. Kennelijk hebben de verdachten het geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aldus gepleegd om de diefstal van de fietsen gemakkelijk te maken. Dat er naar het geval lijkt te zijn ook al ander vervoer was geregeld en onderweg was, doet aan voormeld op de diefstal gericht oogmerk niet af.

Op basis van de zich in het dossier bevindende verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en verdachte en zijn medeverdachten alsmede op basis van hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten elkaar snel achter elkaar hebben opgevolgd en over en weer hebben versterkt en dat zij aldus gezamenlijk de situatie hebben gecreëerd waarin de diefstal van de fiets van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], voorafgegaan door geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft plaats gevonden. De rechtbank is van oordeel dat tussen verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] sprake is geweest van een naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zodanig nauwe en bewuste samenwerking gericht op de diefstal, dat het in vereniging plegen van de feiten kan worden bewezen.

De rechtbank is op basis van de voorgaande bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

5.4 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 mei 2012 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets

toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij die [slachtoffer 1]:

- met kracht tegen het hoofd heeft gestompt;

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbasisfractuur

met een hersenschudding) voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op 27 mei 2012 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij en/of zijn mededader die [slachtoffer 2]

- met kracht tegen het gezicht en het hoofd en tegen het lichaam heeft geslagen en

- met kracht tegen het lichaam heeft geschopt.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en onder 2 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 312 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

feit 2 primair

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Over verdachte is een psychologisch rapport uitgebracht. In dit rapport heeft de deskundige geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van middelenmisbruik en een onrijpe sociaal emotionele ontwikkeling. De deskundige heeft hierin grond gezien te adviseren het minderjarigenstrafrecht toe te passen. Voorts heeft de deskundige geconcludeerd dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Dit werkt strafverminderend.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat in onderhavige zaak het minderjarigenstrafrecht dient te worden toegepast. De onder 1 primair en onder 2 primair bewezenverklaarde feiten zijn door de verdachte gepleegd slechts een dag na zijn achttiende verjaardag, terwijl voorts in de persoonlijkheid van de verdachte, zoals uit voornoemde rapportage naar voren is gekomen, grond wordt gevonden recht te doen overeenkomstig de bepalingen geldend voor minderjarigen.

Het standpunt van de raadsvrouw dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 sprake is van een voortgezette handeling, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen twee diefstallen voorafgegaan van geweld als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, niet worden beschouwd als een voortgezette handeling. Voor elk van deze misdrijven is naar het oordeel van de rechtbank een afzonderlijk besluit genomen tot het plegen van geweld ter verkrijging van de weg te nemen fiets. Achtereenvolgens heeft het geweld zich gericht tegen [slachtoffer 1] en vervolgens tegen [slachtoffer 2] die nog tevergeefs geprobeerd heeft om aan zijn belagers te ontkomen. Aldus is er sprake van twee ongeoorloofde wilsbesluiten tot het aanwenden van geweld tegen twee verschillende personen telkens met het oogmerk om de daarop gevolgde diefstal van de fietsen gemakkelijk te maken. Het feit dat de geweldshandelingen elkaar snel achtereen hebben opgevolgd doet daaraan niet af.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan twee ernstige, met fors fysiek geweld gepaard gaande, vermogensdelicten. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hebben beiden een fiets van de slachtoffers gepakt, waarna zij er samen met medeverdachte [medeverdachte 2] per fiets vandoor zijn gegaan. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij puur uit eigenbelang met zijn buitensporig gewelddadig handelen het gevoel van veiligheid op straat in het algemeen en in het bijzonder dat van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangetast. Te meer nu tengevolge van dit geweld één van de slachtoffers, te weten [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, waarvan hij, hoewel fysiek genezen verklaard, tot op heden blijkens zijn ter terechtzitting in het kader van het spreekrecht afgelegde verklaring nog immer psychische gevolgen en praktische belemmeringen ondervindt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf de door het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS) ontwikkelde oriëntatiepunten straftoemeting betrokken. Deze geven aan als uitgangspunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging in geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. De omstandigheid dat in de onderhavige zaak sprake is van het tweemaal in vereniging plegen van een brutale straatroof, als ook dat beide slachtoffers letsel hebben opgelopen, van wie [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank oplegging van een aanzienlijk langere vrijheidsbenemende straf dan uit de oriëntatiepunten naar voren komt.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat voornoemde oriëntatiepunten in beginsel zijn toegespitst op het meerderjarigenstrafrecht.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte rekening met het feit dat verdachte, terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] bewusteloos op de straat lag, er vandoor is gegaan en zich totaal niet om [slachtoffer 1] heeft bekommerd.

Verdachte heeft met zijn houding ter terechtzitting er blijk van gegeven inmiddels wel de onjuistheid en strafbaarheid van zijn handelen in te zien en berouw getoond. Dit zal de rechtbank in het voordeel van verdachte laten meewegen alsmede het feit dat verdachte niet eerder met Justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank acht voor de strafmaat voorts van belang dat ten aanzien van verdachte overeenkomstig het advies van de psychologe mevrouw Hulst het minderjarigenstrafrecht zal worden toegepast ter zake van de onderhavige feiten, alsmede dat verdachte blijkens de over hem uitgebrachte gedragskundige rapportage van mevrouw Hulst enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank volgt ook dat advies. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte reeds een aanzienlijke periode in preventieve hechtenis heeft verbleven.

Alles tegen elkaar afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen passend is.

Rekening houdend met alle hiervóór genoemde omstandigheden zal de rechtbank een aanzienlijk deel van de jeugddetentie, te weten 165 dagen, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nogmaals strafbare feiten te plegen.

Op grond van hetgeen in de over verdachte opgemaakte rapporten naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat aan het voorwaardelijk deel van de vrijheidsbenemende straf twee bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld. Om verdachte de noodzakelijke hulp en steun te bieden zal de rechtbank bepalen dat verdachte zich moet houden aan de door de jeugdreclassering gestelde voorschriften en aanwijzingen. Gelet op het advies van de reclassering in de op 10 augustus 2012 door J. Boenink, over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage, acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte zich ambulant laat behandelen bij Tactus verslavingszorg in verband met zijn middelenmisbruik.

8.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte is een voorwerp, te weten een mobiele telefoon, in beslag genomen. Dit voorwerp is eigendom van verdachte. Er bestaat geen verband tussen dit voorwerp en de bewezenverklaarde feiten, anders dan dat verdachte de telefoon ten tijde van de feiten bij zich heeft gedragen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de mobiele telefoon alsnog aan verdachte dient te worden teruggegeven.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

Vordering [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] aan [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert de veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.957,32 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schadevordering bestaat uit de volgende posten:

- Broek € 25,00;

- Shirt € 20,00;

- Zomerjas € 100.00;

- Gouden ketting € 750,00;

- Fysiotherapeut € 86,90;

- Verlies arbeidsvermogen € 175,42;

- Smartengeld € 800,00.

-

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder feit 2 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

Ten aanzien van de opgevoerde schadeposten, broek, shirt en zomerjas, is door de officier van justitie ter terechtzitting te kennen gegeven dat deze nog op het politiebureau aanwezig zijn. Door de officier van justitie is medegedeeld dat deze kleding onbeschadigd is en dat de kledingstukken aan verdachte zullen worden teruggegeven. Om deze reden zal de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer 2] ten aanzien van de opgevoerde schadeposten broek, shirt en zomerjas niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de opgevoerde schadepost ter zake van de gouden ketting overweegt de rechtbank dat deze gouden ketting niet expliciet noch impliciet in de telastelegging wordt genoemd en dat de bewezen feiten ook niet noodzakelijk iets met het gestelde verlies te maken hebben. Er is dan geen sprake van “rechtstreekse schade” zoals wettelijk is vereist voor het kunnen toewijzen van een vordering m.b.t. die ketting. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat verdachte door het onder feit 2 primair bewezenverklaarde schade heeft toegebracht aan de gouden ketting en evenmin is gebleken dat de gouden ketting na en tengevolge van de diefstal met geweld vermist is geraakt. De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] ten aanzien van deze schadepost niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De overige opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De rechtbank wijst aldus, gebaseerd op hetgeen hiervoor is uiteengezet, het gevorderde toe tot een totaalbedrag van € 1.062,32 (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

Vordering [slachtoffer 1]

Mr. T. Takkenberg, advocaat te Almelo, heeft zich namens benadeelde [slachtoffer 1], wonende te Almelo, aan de Jan Koermanstraat 45, voorafgaand aan het onderzoek op de terechtzitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 19.698,20. Deze schadevordering bestaat uit de volgende posten:

- Ziekenhuisdaggeldvergoeding € 676,00;

- Reiskosten vader € 940,80;

- Reiskosten moeder € 1.082,40;

- kledingschade € 200,00;

- fietsschade € 200,00;

- telefoon Samsung Galaxy € 399,00;

- extra verteringskosten ouders € 1.700,00;

- smartengeld € 14.500,00.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder feit 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

Ten aanzien van de opgevoerde schadepost ter zake van de schade aan de fiets overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 1] door het onder feit 1 primair bewezenverklaarde zijn fiets is kwijtgeraakt. De fiets is later volgens [slachtoffer 1] in beschadigde staat aan hem teruggegeven. De rechtbank overweegt dat de fiets daardoor nu wellicht minder waard is maar de schade is door [slachtoffer 1] niet nader onderbouwd, waardoor het niet duidelijk is waaruit de schade bestaat en of de schade door het bewezenverklaarde feit is veroorzaakt. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de opgevoerde schadepost ter zake van de telefoon Samsung Galaxy overweegt de rechtbank dat, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 primair schade heeft toegebracht aan de telefoon, er geen sprake is van rechtstreekse schade. De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van deze schadepost niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de schadepost ter zake van extra verteringskosten overweegt de rechtbank dat deze schadepost in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt, nu is komen vast te staan dat verteringskosten zijn gemaakt ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer 1] en dat [slachtoffer 1] deze schadepost zelf ook had kunnen vorderen als hij deze kosten zelf had gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verteringskosten echter niet volledig en voldoende duidelijk gespecificeerd. De rechtbank acht wel aannemelijk dat verteringskosten zijn gemaakt. De rechtbank acht deze schadepost tot een bedrag van € 1.000,00 voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde in zoverre toewijzen. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De overige opgevoerde materiële schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Ten aanzien van de schadepost ter zake van smartengeld overweegt de rechtbank dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder feit 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] heeft nadeel in zijn psychisch en lichamelijk welbevinden ondervonden. Het ter terechtzitting door mr. Takkenberg genoemde zijn ontstaan van PTSS met langdurig toekomstig lijden bij [slachtoffer 1] acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd voor toekenning van het gevorderde bedrag. De rechtbank acht wel aannemelijk dat [slachtoffer 1] aanzienlijke immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht deze schadepost tot een bedrag van € 7.500,00 voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde in zoverre toewijzen. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank wijst aldus, gebaseerd op hetgeen hiervoor is uiteengezet, het gevorderde toe tot een totaalbedrag van € 11.399,20. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal bij de onder 9.1 toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de maatregel als bedoeld in artikel 77h lid 3 sub e, juncto artikel 77l lid 6, juncto artikel 36f lid 6 Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 primair en feit 2 primair bewezenverklaarde is toegebracht.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14c, 14d, 27, 36f, 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en onder 2 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: het misdrijf: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

feit 2 primair: het misdrijf: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd

met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd

door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en onder 2 primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, waarvan 165 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Tactus Verslavingszorg, en zich daartoe zal melden op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn middelenmisbruik;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de (jeugd)reclassering, een en ander zoals uiteengezet in het d.d. 10 augustus 2012 opgemaakte rapport van de Reclassering Nederland;

- draagt de (jeugd)reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] aan [adres], van een bedrag van € 1.062,32 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2012, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van €1.062,32 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende jeugddetentie voor de tijd van 20 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], aan de [adres], van een bedrag van € 11.399,20;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 11.399,20 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende jeugddetentie voor de tijd van 91 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 14 december 2012.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. M. Melaard en mr. F.C. Berg, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2012.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer 2012052695. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], pagina 38, 39, 40, onder meer inhoudende:

Op zondag 27 mei 2012 te 04:34 uur werd op de Reggesingel te Rijssen het betreffende feit gepleegd.

Net voorbij de tunnel aan de Reggesingel te Rijssen viel de fiets van [betrokkene] opnieuw op de grond. [slachtoffer 1] en ik waren nog steeds aan het stuntelen met de fiets.

Ik ging een beetje op de stoep naast het fietspad staan, om zo de fiets rechtop te krijgen. Ik had mijn eigen fiets nog tussen mijn benen staan. [slachtoffer 1] stond links naast mij, ook met zijn eigen fiets nog tussen zijn benen. Ik schat dat [slachtoffer 1] op ongeveer 40 centimeter afstand naast mij stond, gewoon vlak naast mij. Toen zag ik vanuit de richting van de tunnel, dus vanachter ons 3 jongens aan kwamen lopen. Eén van deze jongens liep met een fiets aan de hand. De andere 2 jongens hadden geen fiets bij zich. Ik hoorde dat één van deze jongens zei: "Kom we pakken de fiets" of woorden van dergelijke strekking. Zij waren met z'n drieën en hadden maar 1 fiets, en wij waren met z'n tweeën en hadden 3 fietsen. Ik zag dat ze om ons heen liepen en voor ons gingen staan. Ik zag dat 2 jongens links langs ons liepen en 1 jongen rechts langs ons. De jongen met het witte t-shirt, ik zal hem straks helemaal omschrijven, had de fiets aan de hand bij zich (de rechtbank begrijpt dat hiermee [medeverdachte 2] bedoeld wordt). Ik zag dat hij de fiets aan de kant zette en dat deze 3 jongens voor ons gingen staan. Ze gaven ons gelijk een grote bek, dat wij onze fietsen moesten afgeven. Wij zeiden dat ze op moesten rotten, dat we naar huis wilden en dat we al een fiets hadden met een lekke band. De jongens zeiden tegen ons dat we niet zo'n grote mond moesten hebben en dat wij de fietsen moesten afgeven. De jongen met het witte t-shirt en de lange jongen zeiden dit. Wij gaven opnieuw een grote bek en gelijk hierop begonnen de jongens ons te slaan. Ik zag dat de jongen met het witte t-shirt als eerste [slachtoffer 1] op het hoofd sloeg. Ik weet dit niet helemaal zeker, maar volgens mij deed hij dat. Of die lange jongen deed dat. De kleinere jongen stond er toen alleen maar een beetje bij. [slachtoffer 1] stond toen hij de eerste klap kreeg, nog steeds ongeveer 40 centimeter van mij af. Na deze eerste klap, zag ik dat [slachtoffer 1] gelijk op de grond viel. Ik zag ook dat deze klap het hoofd van [slachtoffer 1] raakte. Ik denk zelf op zijn slaap of zo, ook omdat hij gelijk op de grond viel hierdoor. Ik zag dat [slachtoffer 1] niet meer van de grond opstond. Ik zag dat [slachtoffer 1] zijn ogen dicht had en dat hij niets meer zei. Ik zag toen dat de jongen met het witte t-shirt mijn kant op kwam en mij begon te slaan. Ik ben toen een paar meter van [slachtoffer 1] weggegaan. De jongen met het witte t-shirt begon mij te slaan. Hij sloeg mij overal waar hij mij raken kon, maar met name mijn gezicht en mijn kaak. De jongen met het witte t-shirt sloeg mij met zijn beide gebalde vuisten meerdere malen. Ik denk dat hij rechts was, want met zijn rechtervuist sloeg hij harder. Ik voelde pijn door deze vuistslagen. Ik zag en voelde dat de jongen met het witte t-shirt achter mij aan kwam en mij begon te schoppen en te slaan. Ook de lange jongen ging door met slaan en raakte mij dus.

Ik heb toen mijn ogen dicht geknepen en heb dus niet meer goed kunnen zien hoe het toen verder ging. Ik voelde dat ik meerdere malen geschopt werd. Ik voelde dit bij mijn ribben. Dit ging echt wel hard, niet een klein duwtje. Opeens hielden de jongens op met slaan en schoppen en zag ik dat de jongens wegfietsen. Ik zag dat ze de fiets van [slachtoffer 1] en mij meenamen en de fiets die de jongens in het begin al bij zich hadden. De fiets van [betrokkene] lag er nog. Ik zag dat de jongens hard wegfietsten in de richting van de rotonde dus verder in de richting van Wierden.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 171, onder meer inhoudende:

V: Je bent net ontslagen uit het ziekenhuis, in hoeverre heb je eerder in een ziekenhuis gelegen?

A: 21 juni ben ik ontslagen uit het ziekenhuis. lk heb niet eerder in het ziekenhuis gelegen. V: In hoeverre heb je eerder hersenletsel gehad?

A: lk heb niet eerder hersenletsel gehad

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], pagina 56 en 60 (getuigendossier), onder meer inhoudende:

Verbalisant A. Klunder laat de getuige een aantal foto's zien van een fiets.

V: Wat kunt u over deze foto's zeggen?

A: U laat mij een foto zien van een blauwe damesfiets. Die fiets herken ik als de fiets van [slachtoffer 1]. Het was een echte barrel. Hij had in de zadelpen koperen buisjes gedaan om te voorkomen dat het zadel naar beneden zou zakken. Die kon je namelijk niet meer strakker draaien.

V: Welke fiets gebruikte hij bij het uitgaan?

A: Dit is inderdaad de fiets die hij gebruikt als hij naar de discotheek gaat.

V: Hoe lang heeft hij deze fiets in zijn bezit?

A: Hij heeft de fiets zo'n drie maanden in zijn bezit.

Het proces-verbaal ter terechtzitting van 27 november 2012, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik ben met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en anderen bij disco Lucky in Rijssen geweest in de nacht van 26 op 27 mei 2012. Toen ik ’s nachts bij Lucky ben weggegaan, was ik samen met [medeverdachte 1]. Wij liepen richting [medeverdachte 2]. Toen wij het tunneltje bij de Reggesingel naderden waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daar ook. Die liepen met drie fietsen of ze fietsten heel zachtjes. Wij naderden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanuit Rijssen. Wij liepen op het voetpad. [medeverdachte 2] kwam aanfietsen. [medeverdachte 2] zei iets van pak die fiets of pak die fietsen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hoorden dat. Wij waren toen vlak bij elkaar. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gingen in de verdediging. Ik weet niet meer wat ze zeiden. Ze kwamen op voor hun fietsen denk ik. Toen werd eerst [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] geduwd. Dat gebeurde achter elkaar. Toen werd ik geduwd en toen sloeg ik die [slachtoffer 1]. Volgens mij was het wel een onderhandse stoot, het was meer een slaande beweging. Ik raakte hem op zijn kaak dacht ik. Aan de rechterkant denk ik. Toen viel [slachtoffer 1] op de grond. Ik zag dat hij op grond lag en niet bij bewustzijn was. [slachtoffer 1] lag stil op de grond. Ik weet niet hoe hij lag. Ik heb niet gekeken of hij nog ademde. Toen stapte ik naar de andere jongen, [slachtoffer 2] en toen sloeg ik die een paar keer. Die [slachtoffer 2] stond drie of vier meter achter zijn fiets. Ik zocht hem op. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] stonden schuin achter mij. Ik sloeg [slachtoffer 2] drie of vier keer. Hij vluchtte toen ik de eerste klap had uitgedeeld. Hij rende toen even weg. Ik ging achter hem aan. Hij riep stoppen want [slachtoffer 1] is bewusteloos. Toen stopte ik ook met slaan.

[medeverdachte 2] rende daarna nog achter [slachtoffer 2] aan en sloeg die [slachtoffer 2]. [medeverdachte 1] rende achter [medeverdachte 2] aan. Ik zei stop maar. [medeverdachte 1] zei ook niet doen.

Toen zijn we op de fietsen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weggegaan. Ik weet niet meer welke fiets ik heb gepakt. Ik dacht dat het een herenfiets was.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], pagina 29, 30 onder meer inhoudende:

Net buiten de tunnel in de richting van Wierden zag ik [medeverdachte 2] aankomen. Hij had een fiets bij zich en fietste daarop. Hij was toen twintig of dertig meter van ons verwijderd toen ik hem voor het eerst zag. Tussen [medeverdachte 2] en ons, stonden twee jongen met drie fietsen.

Ze stonden op het fietspad. [medeverdachte 2] riep op een gegeven moment "Pak die fiets".

Dit was het eerste wat hij zei. Ik denk dat het zijn bedoeling was dat wij, [verdachte] en ik, die fiets zouden pakken. Ik liep door in de richting van die jongens. [verdachte] liep naast mij. [medeverdachte 2] stopte naast die jongens. Wij waren toen ook bij die jongens. Op een gegeven moment was de situatie zo dat er één van de jongens, inmiddels weet ik dat dit [slachtoffer 1] is,voor [medeverdachte 2] stond. Links naast [medeverdachte 2] stond [verdachte] en zelf stond ik rechts naast [medeverdachte 2]. De tweede jongen, inmiddels weet ik dat dit [slachtoffer 2] is, stond achter [slachtoffer 1] en tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in lagen de twee fietsen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1], die dus tegenover [medeverdachte 2] stond, was stoer aan het doen. Ik had het idee dat deze [slachtoffer 1] de fiets niet wilde afgeven. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer 1] [medeverdachte 2] duwde. Dat deed [slachtoffer 1] met twee handen tegelijk en op de borstkast van [medeverdachte 2]. Daardoor "vloog" [medeverdachte 2] twee meter naar achteren. [medeverdachte 2] bleef wel staan. Hierna gaf diezelfde [slachtoffer 1] mij een duw. Dat deed [slachtoffer 1] op dezelfde manier als hij [medeverdachte 2] ook had geduwd. Ik kwam tussen de struiken terecht direct naast het voetpad. Daarna gaf dezelfde [slachtoffer 1] [verdachte] een duw met twee handen op de borstkast. Daardoor ging [verdachte] een meter achteruit. Direct daarop gaf [verdachte] [slachtoffer 1] een klap op zijn kaak. Ik weet dat [verdachte] linkshandig is. Ik weet dat [verdachte] met links heeft geslagen. [verdachte] sloeg met een gebalde vuist. [verdachte] gaf [slachtoffer 1] een "hoekstoot". Ik bedoel daarmee dat de linker-elleboog van [verdachte] omhoog was voordat hij sloeg. Deze klap kwam volgens mij wel hard aan. Ik heb niet gehoord dat [verdachte] iets heeft gezegd toen hij sloeg. Het effect van de klap was, dat [slachtoffer 1] rechtstandig achterover viel met zijn hoofd op het fietspad. Daarna heb ik [slachtoffer 1] niet meer zien bewegen. Ik hoorde nog wel een raar geluid van [slachtoffer 1]. Ik hoorde een gorgelend geluid, dat achteruit de keel van [slachtoffer 1] kwam. Ik weet niet hoe lang dat ik dat gorgelende geluid heb gehoord. Direct daarop zag ik dat [slachtoffer 2] wegliep. Hij sprintte voor zijn leven. [slachtoffer 2] liep in de richting van Rijssen. [medeverdachte 2] en [verdachte] achtervolgden [slachtoffer 2]. Ik heb nog gehoord dat [slachtoffer 2] zei: "Hij is al bewusteloos". Zelf bleef ik staan bij de jongen die op de grond lag. [verdachte] en [medeverdachte 2] hadden die [slachtoffer 2] na ongeveer 15 meter te pakken. Hoe dat precies is gegaan, weet ik niet. Wel weet ik dat die [slachtoffer 2] klappen kreeg van [verdachte] en [medeverdachte 2]. [slachtoffer 2] probeerde zijn hoofd te beschermen. Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] ophield met slaan en weer in mijn richting kwam lopen. Op dat moment was [medeverdachte 2] nog steeds bezig met [slachtoffer 2]. [medeverdachte 2] sloeg [slachtoffer 2] nog steeds. Ik ben toen naar [medeverdachte 2] en [slachtoffer 2] gelopen. [medeverdachte 2] heeft nog wel een paar keer doorgeslagen. Ik zag dat [medeverdachte 2] met zijn gebalde vuist sloeg. Op een gegeven moment zag ik dat [slachtoffer 2], na alle klappen, ging zitten op het muurtje van de tunnel. Daarna heb ik nog gezien dat [medeverdachte 2] [slachtoffer 2] nog drie keer heeft getrapt. Dit waren de enige drie trappen. Voor die tijd heb ik niet gezien dat [slachtoffer 2] is getrapt. Na die drie trappen was het afgelopen.

Hierop heb ik één van de fietsen van die beide jongens gepakt en meegenomen. [verdachte] pakte ook één van de fietsen van deze jongens. Ik weet niet welke fiets, dat was. [medeverdachte 2] pakte dezelfde fiets, waar hij al op had gereden. Vervolgens gingen [medeverdachte 2], [verdachte] en ik ieder op een fiets richting Wierden.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], pagina 56:

(opmerking griffier: indien van toepassing; V: is vraag en A: is antwoord)

V:Waar was jij toen [medeverdachte 1] jou belde?

A: Volgens mij op het station in Rijssen. lk had net een fiets gepakt op het station, die niet afgesloten was.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], pagina 26, 27, 28, 29:

(opmerking griffier: indien van toepassing; V: is vraag en A: is antwoord)

V:Je hebt verklaard dat je hebt gezegd; Kom we pakken die fiets. Klopt dat?

A: ja dat klopt. Toen [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) en [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]) er aan kwamen lopen, zei ik ‘jongens pak een fiets’

V: Hoeveel fietsen waren er in de omgeving dan?

A: lk had een fiets en die jongens hadden drie fietsen

V:waarom zei je dat?

A: Om gewoon vervoer te hebben naar Wierden.

V:Waarom wilde je een fiets pakken, jij had toch al een fiets?

A: Ja maar we kunnen niet op 1 fiets met zijn drieën. We moesten vervoer hebben

V:Toen jij zei; kom we pakken een fiets, waar was toen de fiets van de jongen die als eerste knock out is gegaan?

A: Volgens mij gewoon op het fietspad. Volgens mij stonden er

gewoon drie fietsen. Volgens mij lag er een (1) van de drie fietsen op de grond, de andere twee stonden op de standaard.

V:Je hebt verklaard dat je zei: ‘we pakken die fiets’, en dat de eerste jongen toen duwde, eerst jou, toen [verdachte] en toen [medeverdachte 1]. Toen de jongen jou duwde, waar was toen zijn fiets?

A: Die staat daar nog gewoon. Hij duwde echter eerst [medeverdachte 1] en later [verdachte].

V:Je hebt verklaard dat [verdachte] de eerste jongen sloeg toen die eerste jongen [verdachte] duwde. De jongen ging knock out: Klopt dat?

A: Ja dat klopt.

V:Je hebt toen met [verdachte] de tweede jongen geslagen en geschopt, klopt dat?

A: [verdachte] rende achter die jongen aan. Die sloeg die jongen. Ik ben er ook achter aangerend, en ik heb die jongen ook geslagen.

V:Waar heb jij die tweede jongen geslagen?

A: Volgens mij op zijn lichaam. Ik heb wel in de richting van zijn hoofd geslagen, maar de jongen hield zijn armen op zijn hoofd, om zichzelf te beschermen.

V:Hoe heb jij hem geslagen?

A: Volgens mij met de vuist en de platte hand.

V:Waar heb je die tweede jongen geschopt?

A: Misschien een (1) of twee keer. Met mijn rechterbeen, in de jongen zijn zij.

V:Toen jij die tweede jongen sloeg en schopte, waar was hij toen? A: Op het fietspad ergens

V:Stond die jongen, of lag die jongen of zat die jongen? A: Die jongen stond gewoon recht op.

V:Waar heeft [verdachte] de tweede jongen geslagen?

A: [verdachte] was net iets voor mij bij die tweede jongen. Volgens mij ook richting hoofd en lichaam.

V: Die jongen die knock-out ging, heeft die nog klappen gehad?

A: nee helemaal niks. Die jongen heeft maar 1 klap gehad.

V:Waarom stopte de mishandeling?

A: Volgens mij zei [verdachte], dat die andere ook bewusteloos was.

Dus zijn we weggegaan.

V: Hoe kan dit?

V:Wat bedoelde je daarmee met nockie?

A: Als ik dit gezegd hebt, zal ik bedoeld hebben dat hij bewusteloos was.

V:Waar was de tweede jongen toen hij nockie was?

A: Hij zat tegen het muurtje

V: hoeveel fietsen hebben jullie meegenomen?

A: [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben allebei een fiets gepakt.

Het deskundigenverslag van P.P.S. Tiehatten, arts M.S.T. d.d. 6 juli 2012, opgenomen in het onder voetnoot 1genoemde dossier, onder meer inhoudende:

[slachtoffer 1] werd bewusteloos aangetroffen op de grond. Hij lag in stabiele zijligging. Hij had een vrije ademweg en symmetrische adembewegingen. VAG (vesiculair ademgeruis) over alle longvelden en een saturatie van 97%. Een krachtige en regelmatige pols van 71 per minuut. Een RR (bloeddruk) van 134/73 en een capillaire refill time van <2 seconden. Pupillen PEARLL ( Pupils Equal And Round and Responsive to Light), bloedsuiker 5.6, een EMV van 1-5-3. Hij heeft 2 keer gebraakt op de plaats van het ongeval, met een klein spoortje bloed. Er kwam wat bloed uit zijn linkeroor en hij had een wondje op zijn achterhoofd.

Aangemeld bij de eerste hulp Almelo als een 17-jarige jongen die op straat is mishandeld. Bij aankomst motorische onrust, niet aanspreekbaar. Hij werd verdacht van een schedelbasisfractuur en een contusio cerebri en had een klein wondje op zijn achterhoofd. ABC-stabiel met een EMV van 2-5-4.

Aankomst ziekenhuis in Almelo/Enschede:

De neuroloog beschrijft kort de anamnese en de werkdiagnose. Vannacht in elkaar geslagen, met hoofd op grond terecht gekomen. Buiten bewustzijn geweest. Bij komst ambulance enige onrust en EMV van 7, zou wel hebben bewogen, onbekend hoe de pupilreacties zijn geweest (wel beschreven In het verslag van de ambulanceverpleegkundige, PT). Patiënt is eerst in Almelo gescreend, waarna hij is overgeplaatst. Alhier gesedeerd en verslapt.

Neurologisch onderzoek: bewustzijn EMV 1-14, gesedeerd en verslapt. Verder neurologisch onderzoek niet betrouwbaar uit te voeren. Pupillen symmetrisch, geen pupilreacties.

Aanvullend onderzoek: SDH (subduraal haematoom) links parietaal, contusiehaarden links temporaal, rechts frontaal. Fractuur os temporale doorlopend in mastoïd links

vrij lucht In cerebro.

Werkdiagnose: ernstig schedelhersenletsel met SDH rechts, os temporale fractuur rechts en contusiehaarden beiderzijds. Patiënt werd opgenomen op de IC.

Het deskundigenverslag van G. Hageman, neuroloog bij het M.S.T. d.d. 12 juli 2012, opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde dossier, onder meer inhoudende.

In antwoord op uw brief van 2 oktober 2012 betreffende bovengenoemde patiënt ([slachtoffer 1]) het volgende. Hierbij de antwoorden op de door u gestelde vragen:

Al. Het braken is het gevolg van de verhoogde druk in de hersenen, door de bloeding tussen de schedel en de hersenen aan de linkerzijde.

A3.Het bloed uit het linkeroor wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de schedelbasisfractuur.

A5.Bij de scans van de hersenen is er links aan de achterzijde van de hersenen ook een bloeding aangetroffen tussen de schedel en de hersenen. Het wondje op het achterhoofd is dan ook waarschijnlijk een direct gevolg van het trauma.

A6.Een EMV-score is een score van het bewustzijn. Een score van in totaal 15 is normaal, een score van 3 is diep comateus. De E staat voor het openen van de ogen, bijv. bij aanspreken of bij een pijnprikkel. De M is een motore score, bijv. het uitvoeren van opdrachten of het reageren op een pijnprikkel met een beweging en een V staat voor de verbale score, bijv. geen reactie of adequaat kunnen spreken. Een EMV-score van 1-5-3 betekent dus dat patiënt bij pijnprikkels de ogen niet heeft geopend, er was wel een motore score en er was verward spreken.

B1.Er was inderdaad sprake van een wisselend bewustzijn. Door de bloedingen tussen de schedel en de hersenen is de druk in de hersenen opgelopen en is het bewustzijn minder geworden.

B3.De motorische onrust is het gevolg van het hersenletsel.

B4.Er was sprake van ernstig schedelhersenletsel als gevolg van een mishandeling, met veel afwijkingen bij CT-scanonderzoek van de hersenen. Er waren diffuse kneuzingen van de hersenen, een breuk van de schedelbasis en er waren meerdere bloedingen tussen de hersenen en de schedel, met name linksachter en links aan de zijkant van het hoofd.

B5.Zie het antwoord op B4.

B6.Er was een verwonding op het achterhoofd en zwellingen in het gelaat.

B7.Een schedelbasisfractuur wil zeggen een breuk in de basis van de schedel.

B8.Een contusio cerebri is een hersenkneuzing.

B9.Een EMV-score van 2-5-4 betekent dat er wat meer reactie is met openen van de ogen dan bij de voorgaande EMV-score en dat ook de verbale score iets is verbeterd.

B11.Een EMV van 7 is een totale score, dus bijv. een score van 1-4-2; dit betekent dus een duidelijk slechtere score dan bijv. een EMV van 1-5-3.

B12.De overplaatsing van het ziekenhuis in Almelo naar het MST in Enschede was noodzakelijk toen bleek dat er sprake was van bloedingen tussen de hersenen en de schedel, waardoor mogelijk neurochirurgische behandeling noodzakelijk was. Deze overplaatsing geschiedde op 27 mei.

B14.Voor zover mij bekend heeft er alleen een CT-scan van de hersenen in Almelo plaatsgevonden.

B18.Een blanco voorgeschiedenis wil zeggen dat er zich geen medische aandoeningen hebben voorgedaan.

B20.In de ambulance, maar ook al daarvoor, was er sprake van een verminderd bewustzijn.

B21.In de ambulance is hij nog kortdurend bij kennis geweest.

B22.Op de Eerste Hulp in Enschede was er een duidelijk verminderd bewustzijn, later is hij op de IC in coma gebracht vanwege de motorische onrust, om beter te kunnen herstellen.

Cl. Zie B22.

C2.Patiënt is 2 weken op de IC geweest. Hij is op 15 juni overgeplaatst naar de afdeling Neurologie. Daar heeft hij nog een week gelegen.

C3.Een EMV-score van 1-14 wil zeggen dat er geen enkele reactie is in het bewustzijn, de ogen worden niet geopend, er is geen motorische reactie en de verbale reactie is niet goed te beoordelen vanwege een beademingstube.

C4.Het neurologisch onderzoek is dan niet goed te beoordelen, omdat patiënt is verslapt.

C5.Contusiehaarden zijn kneuzingshaarden, een hersenkneuzing in de beide hersenhelften.

C6.Een fractuur van het os temporale betekent een schedelbreuk aan de zijkant van het hoofd, doorlopend tot in de schedelbasis links.