Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX9733

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
125612 HA ZA 11-757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Permanente bewonig. Geen onrechtmatig handelen van de gemeente. Het misverstaan van die ander valt niet te kwalificeren als onrechtmatig handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 125612 HA ZA 11-757

datum vonnis: 26 september 2012

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [EISER SUB 1] en

2. [EISERES SUB 2],

echtgenoten,

beiden wonende te [woonplaats, gemeente [naam],

eisers,

eiser sub 1 verder te noemen: [eiser sub 1], eiseres sub 2: [eiseres sub 2] en eisers gezamenlijk verder te noemen: [eiser sub 1 c.s.],

advocaat: mr. A.R. Oosthout te Leiden,

tegen

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HOF VAN TWENTE,

zetelende te Goor, gemeente Hof van Twente,

gedaagde,

verder te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. A.T. Bolt te Arnhem.

Het procesverloop

[Eiser sub 1 c.s.] hebben gevorderd conform de dagvaarding. Zij hebben daarbij 16 producties in het geding gebracht.

De gemeente heeft daarna geconcludeerd voor antwoord en daarbij 33 producties overgelegd.

Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:

- een conclusie van repliek tevens houdende akte tot vermeerdering van eis, van de zijde van [eiser sub 1 c.s.];

- een conclusie van dupliek van de zijde van de gemeente.

Tot slot hebben partijen vonnis gevraagd.

De overwegingen

Vaststaande feiten

1. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet betwiste producties het navolgende vast.

1.1 [Eiser sub 1] heeft in 1997 de woning aan de [adres] te [woonplaats], gemeente [naam], gekocht voor ƒ 200.000,00 (€ 90.756,00). De woning is in de jaren ‘50 gebouwd als noodwoning, en sindsdien permanent bewoond door verschillende families. Volgens [eiser sub 1 c.s.] had de woning geen bestemming, volgens de gemeente lag op het perceel een agrarische bestemming. In elk geval staat vast dat er geen woonbestemming op de woning rustte.

1.2 [Eiser sub 1] heeft de gemeente kort na de aankoop verzocht om bij de bestemmingsplanwijziging het huis de bestemming “wonen” te geven. De gemeente heeft laten weten dat hij dit verzoek bij de bestemmingsplanwijziging kan indienen. In het ontwerp-bestemmingsplan uit 1998 heeft de gemeente het perceel echter de bestemming “recreatie” gegeven.

1.3 In 1999 zijn eisers met elkaar getrouwd. Eisers zijn daarna naar de woning van

[eiser es sub 2] in [plaats] verhuisd. De woning aan de [adres] is te koop gezet. Een bod van € 125.000,00 is afgewezen. De woning is niet verkocht.

1.4 Op 27 juli 2000 is het bestemmingsplan vastgesteld. Het perceel van [eiser sub 1 c.s.] heeft daarbij de bestemming “recreatie” gekregen. Het bezwaar en beroep dat [eiser sub 1 c.s.] daartegen hebben ingesteld, is ongegrond verklaard. Het bestemmingsplan is, na de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in 2003 onherroepelijk geworden.

1.5 Bij brief van 25 november 2003 hebben [eiser sub 1 c.s.] een persoonsgebonden gedoogbeschikking gekregen (om de woning permanent te bewonen). In 2005 is een objectgebonden gedoogbeschikking gegeven.

1.6 In de jaren die volgden, bleven [eiser sub 1 c.s.] zich wenden tot de gemeente met het verzoek de bestemming van het perceel te wijzigen in een woonbestemming.

In haar conclusie van antwoord schrijft de gemeente hierover:

Daarmee [het onherroepelijk worden van de bestemming “recreatie”, Rb] heeft [eiser sub 1] geen genoegen genomen. Hij is de gemeente blijven verzoeken om alsnog de bestemming van zijn perceel gewijzigd te krijgen. Daarbij richtte [eiser sub 1] zich tot de leden van het College van B&W en van de gemeenteraad en daarnaast tot verschillende individuele ambtenaren. Tevens diende [eiser sub 1] voortdurend klachten bij de gemeente in. Hij trok de integriteit van ambtelijke medewerkers van de gemeente in twijfel en overschreed in zijn mondelinge en schriftelijke uitlatingen de fatsoensnormen. Naast dit alles had [eiser sub 1] een website opgezet rondom zijn dossier (www.planborre.tk). Daarop waren ook negatieve uitlatingen te vinden over diverse personen binnen de gemeente. Voorts had [eiser sub 1] daarop fragmenten geplaatst van telefoongesprekken die hij met personen binnen de gemeente had gevoerd en die hij kennelijk had opgenomen.

1.7 In gesprekken tussen [eiser sub 1] en de burgemeester medio 2007, is namens de gemeente aangeboden bij de eerstvolgende bestemmingsplanwijziging de bestemming te wijzigen in een woonbestemming. [Eiser sub 1] wilde echter ook excuses en schadevergoeding. Bij e-mail van 12 november 2007 heeft [eiser sub 1] de gemeente aansprakelijk gesteld.

1.8 Op verzoek van de fractievoorzitters en het College van Burgemeester en Wethouders, heeft de gemeente een intern onderzoek verricht naar dossier [eiser sub 1]. Deze analyse is uitgevoerd door [G] en [T], ambtenaren bij de gemeente.

In hun rapport van december 2007 (productie 3 bij dagvaarding) concluderen zij dat de bestemmingswijziging van 2000 niet onrechtmatig was, omdat deze immers door de Afdeling is bekrachtigd, maar dat een andere keuze ook mogelijk was geweest. De onderzoekers achten het aannemelijk dat, indien de woning wel als burgerwoning zou zijn bestemd, dat evenmin onrechtmatig zou zijn geacht.

In het rapport is ook onderzocht of [eiser sub 1] in redelijkheid aanspraak kan maken op enige vorm van schadevergoeding. Omdat de bestemmingsplanwijziging rechtmatig is, zou alleen bestuurscompensatie (het vergoeden van schade als gevolg van rechtmatig overheidshandelen) aan de orde kunnen zijn. De onderzoekers komen tot de conclusie dat de verhuizing naar [plaats] niet geheel vrijwillig zal zijn geweest. De wijziging van het bestuurlijke standpunt ten opzichte van het verleden, geeft aanleiding voor toekenning van een tegemoetkoming in de extra huisvestingskosten. Voor vergoeding van andere schade (immateriële schade of vermogensschade in verband met de waardeontwikkeling van de woning) is volgens de onderzoekers geen plaats.

1.9 Op 18 december 2007 heeft de Raad besloten dat het perceel middels een partiële bestemmingsplanwijziging alsnog de bestemming “wonen” zou krijgen, en dat aan [eiser sub 1], gelet op het advies van [G] en [T], een compensatievergoeding van € 10.000,00 zou worden uitgekeerd ter finale kwijting en onder de voorwaarde dat hij afziet van verdere acties jegens de gemeente (productie 4 bij de conclusie van antwoord; hierna: cva).

Bij brief van 8 januari 2008 van het College van Burgemeester en Wethouders, hebben [eiser sub 1 c.s.] deze toezegging expliciet gekregen, en werd hen ook medegedeeld dat het College heeft besloten om op basis van bestuurscompensatie een vergoeding van € 10.000,00 toe te kennen. Dit zal gelden ter finale kwijting van eventuele vorderingen verband houdend met de ontwikkelingen rondom [adres], aldus deze brief (productie 5 cva).

1.10 [Eiser sub 1 c.s.] konden hiermee niet instemmen. Bij brief van 12 januari 2008 laat [eiser sub 1] weten dat hij “zijn strijd niet op zal geven totdat er echt openheid en eerlijkheid in ‘de zaak [adres]’ komt” (productie 6 cva).

Bij brief van 13 februari 2008 maakt [eiser sub 1] pro forma bezwaar tegen het besluit van 18 december 2007 (productie 7 cva), waarna op 18 februari 2008 de motivering volgt (productie 8 cva). Hierin staat onder meer dat [eiser sub 1] een bedrag van € 10.000,00 geen passende schadevergoeding vindt voor het leed dat het College van B en W heeft veroorzaakt voor hem en zijn gezin.

Ook verzoekt [eiser sub 1] het College van B&W op 19 maart 2008 om zo snel mogelijk de bestemming te herzien.

1.11 In de zomer van 2008 heeft de gemeente gesprekken gevoerd met [eiser sub 1 c.s.]. Er is onderhandeld en besloten om de twee onderdelen gesplitst aan te pakken. Ten eerste is overeengekomen dat, door een partiële bestemmingsplanwijziging, het perceel [adres] te [plaats] een woonbestemming zal krijgen. Deze afspraak is plaatsgebonden (en dus overdraagbaar aan derden). Deze afspraak is neergelegd in een door beide partijen ondertekende brief van 28 oktober 2008 (productie 12 cva).

Tegen het daarop door de gemeente opgestelde ontwerp-bestemmingsplan zijn door [eiser sub 1 c.s.] vervolgens zienswijzen ingediend (productie 13 cva), maar die zijn door de gemeente blijkens haar besluit van 6 juli 2010, niet overgenomen (productie 14 cva). De bestemmingsplanwijziging is op 15 september 2010 onherroepelijk geworden.

Ten tweede zijn partijen overeengekomen een commissie te benoemen die diende te beoordelen of, terugkijkend op de gang van zaken tot op heden, in redelijkheid en billijkheid aanleiding is voor het toekennen van een financiële vergoeding aan [eiser sub 1 c.s.], en zo ja, hoe hoog deze financiële vergoeding zou moeten zijn. De commissie bestond uit een door de gemeente aangewezen deskundige (H.J.A. van Hoogmoed) een door [eiser sub 1 c.s.] aangewezen deskundige (B. Mets) en een door deze twee aangewezen derde deskundige (T. ten Have). De commissie zal hierna worden aangeduid als commissie Ten Have. Afgesproken was dat als beide partijen zouden verklaren het met de uitkomst eens te zijn, de zaak daarmee definitief zou zijn afgerond.

In haar definitieve advies d.d. 2 april 2009 (productie 5 bij dagvaarding) heeft de commissie Ten Have geconcludeerd dat er reden was voor vergoeding van schade omdat de gemeente in 2000 ook had kunnen besluiten de bestemming te wijzigen in “wonen” en omdat er miscommunicatie was over de vraag of [eiser sub 1 c.s.] de woning konden blijven bewonen, hetgeen heeft geleid tot een escalatie van de wederzijdse verstandhouding, die aan een redelijke en billijke oplossing in der minne in de weg heeft gestaan.

De commissie Ten Have heeft de financiële vergoeding voor [eiser sub 1 c.s.] als volgt berekend:

- gemiste inkomsten uit niet geëffectueerde verkoop € 17.120,00

- verhuis- en inrichtingskosten (3x € 7.500,00) € 22.500,00 +

totaal € 39.620,00

Daarvan was € 10.000,00 reeds betaald, zodat de gemeente volgens het advies nog € 29.620,00 zou moeten voldoen.

1.12 Bij brief van 8 mei 2009 laat de gemeente aan [eiser sub 1 c.s.] weten in te kunnen stemmen met het advies (productie 20 cva). In deze brief schrijft de gemeente voorts: “Voor zover de door u ervaren gevolgen aan de gemeente kunnen worden toegerekend, bieden wij daarvoor onze excuses aan.”

[Eiser sub 1 c.s.] hebben niet ingestemd met de uitkomst van het advies.

1.13 Op 2 juli 2010 vindt een gesprek plaats tussen [eiser sub 1 c.s.] en haar adviseur Mets aan de ene kant, en een aantal fractievoorzitters van de gemeente aan de andere kant. [Eiser sub 1 c.s.] laten daar weten dat zij een hoger bedrag aan schadevergoeding wensen om de zaak te kunnen afsluiten. Afgesproken wordt dat de door [eiser sub 1 c.s.] aangedragen schadeposten door een externe, door [eiser sub 1 c.s.] aan te wijzen, accountant worden berekend. De accountant zal door de gemeente worden betaald.

1.14 De door [eiser sub 1 c.s.] aangewezen accountant [V] van [X] accountants, komt in zijn rapport van 21 december 2010 (productie 7 dagvaarding) tot een schadebedrag van € 229.083,00 te vermeerderen met € 70.00,00 aan belastingschade, derhalve (afgerond) € 299.000,00.

De schade bestaat uit:

- inkomstenderving 2003-2010: € 135.656,00 - € 54.262 (inkomstenbelasting) € 81.394,00

- extra uitgaven 1999-2010 : € 47.420,00

- gemiste vermogensontwikkeling: € 100.449,00

1.15 Bij brief van 23 februari 2011 laat de gemeente [eiser sub 1 c.s.] weten dat de opgevoerde schadecomponenten geen andere zijn dan degenen die al door de commissie Ten Have waren beoordeeld. Gelet op het rapport van [X] is besloten de door de commissie Ten Have vastgestelde schadevergoeding te verhogen tot € 47.240,00, hetgeen overeenkomt met het in het rapport van [X] genoemde bedrag voor extra uitgaven in de periode 1999 – 2010. Ter finale kwijting is dit bedrag (onder aftrek van de reeds betaalde € 10.000,00) aan [eiser sub 1 c.s.] overgemaakt (productie 23 cva).

1.16 Door [eiser sub 1 c.s.] worden daarop (wederom) verschillende brieven en e-mails aan gemeentebestuurders geschreven, onder andere met de klacht dat de burgemeester in zijn brief van 23 februari 2011 liegt (productie 25, 26, 27, 28, 30, 31, 32, 33 cva). Ook stelt hij op 12 juni 2011 alsnog een zienswijze in tegen het bestemmingsplan (productie 29 cva).

1.17 Bij brief van 30 augustus 2011 wordt de gemeente aansprakelijk gesteld met het verzoek tot vergoeding van volledige schade (productie 10 bij dagvaarding). Op 15 december 2011 volgt de dagvaarding.

Vordering

2. [Eiser sub 1 c.s.] vorderen, na vermeerdering van eis en enigszins samengevat weergegeven, dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat gedaagde onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld en gehouden is de daaruit voortvloeiende schade groot € 287.760,00 plus wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, te vergoeden, of enig ander bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

2. de gemeente veroordeelt om aan [eiser sub 1 c.s.], te betalen een nader bij staat op te maken schadebedrag voor inkomstenderving door [eiseres sub 2];

3. de gemeente veroordeelt om aan [eiser sub 1 c.s.], te betalen de gemaakte proceskosten waaronder salaris voor de advocaat.

Onderbouwing

3. [Eiser sub 1 c.s.] onderbouwen hun vorderingen als volgt.

3.1 Er is sprake van onnodige escalatie van een conflict en een onnodig langdurig laten voortslepen van dit conflict. Deze handelswijze van de gemeente is onrechtmatig jegens [eiser sub 1 c.s.]. De escalatie is te wijten aan het onjuist communiceren over de mogelijkheid om de woning permanent te bewonen.

De gemeente heeft de onrechtmatigheid van haar handelen erkend.

3.2 De schade bestaat uit:

1. Inkomensderving door [eiser sub 1] in de periode 2003 tot en met 2010 (zie rapport [X]).

2. Inkomensderving van [eiseres sub 2] in de periode 2003 tot en met heden. Deze schade is in het rapport van [X] nog niet meegenomen. Zij had een inkomen van bruto € 2.400,00 per jaar.

3. Extra uitgaven in de periode 1999 tot en met 2010 (zie rapport [X])

4. Derving vermogensontwikkeling in de periode 1999 tot en met 2010 (zie rapport [X]).

5. Immateriële schade. Deze is in het rapport van [X] ook niet meegenomen. Ten gevolge van de onrechtmatigheid is immateriële schade geleden. De familie maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade van € 1.500,00 per persoon per jaar. Aldus wordt aanspraak gemaakt op € 36.000,00.

Het gevorderde bedrag wordt als volgt berekend:

Schade zoals berekend door [X] € 299.000,00

Immateriële schade € 36.000,00 +

Subtotaal € 335.000,00

Reeds betaald € 47.240,00 -

Totaal € 287.760,00

Verweer

4. De gemeente heeft tegen de vordering het volgende verweer gevoerd.

4.1 Als uitgangspunt heeft te gelden dat de bestemmingsplanwijziging van 2000 rechtmatig was. Deze is immers tot in hoogste instantie bevestigd en heeft formele rechtskracht gekregen.

De door [eiser sub 1 c.s.] gestelde onrechtmatigheid kan daar dus niet in liggen. Ook in het koopcontract van 1997 staat dat de woning geen woonbestemming heeft.

4.2 Dat er sprake is van escalatie en een lange duur van het conflict, komt niet door onrechtmatig handelen van de gemeente. Dit hebben [eiser sub 1 c.s.] zelf veroorzaakt door hun reactie.

4.3 De gemeente betwist dat ze onrechtmatigheid en/of aansprakelijkheid heeft erkend. Ze heeft nooit aan [eiser sub 1 c.s.] kenbaar gemaakt dat zij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Ook in de door [eiser sub 1 c.s.] genoemde rapporten/adviezen en/of het uitbetalen van een geldbedrag kan geen erkenning van onrechtmatig handelen worden gelezen.

4.4 Voor het geval de rechtbank toch zou oordelen dat op de gemeente enige schadevergoedingsplicht rust, beroept de gemeente zich er op dat [eiser sub 1 c.s.] zelf in zodanige mate heeft bijgedragen aan de schade, dat de schade om die reden geheel of voor een substantieel deel voor rekening van [eiser sub 1 c.s.] moet blijven (artikel 6:101 BW).

4.5 Tot slot betwist de gemeente gemotiveerd de omvang van de schade.

De overwegingen van de rechtbank en de motivering van de beslissing

Bestemmingsplanwijziging 2000

5. De bestemmingsplanwijziging van 2000, waarin de woning aan de [adres] te [plaats] een recreatiebestemming heeft gekregen, is niet onrechtmatig. Dit besluit heeft formele rechtskracht gekregen en moet daarmee geacht worden rechtmatig te zijn, zowel voor wat betreft haar inhoud als voor wat betreft de wijze van totstandkoming van dat besluit (Hoge Raad 16 mei 1986, NJ 1986, 723).

[Eiser sub 1 c.s.] hebben in hun conclusie van repliek laten weten deze bestemmingsplanwijziging niet aan hun vordering ten grondslag te hebben gelegd.

Escalatie en lange duur van het conflict

6. [Eiser sub 1 c.s.] stellen zich op het standpunt dat de gemeente in de periode rond de bestemmingsplanwijziging niet goed heeft gecommuniceerd met [eiser sub 1 c.s.]. De gemeente had moeten laten weten dat de permanente bewoning kon worden gedoogd. In plaats daarvan heeft ze [eiser sub 1 c.s.] laten weten dat ze handhavend zou optreden.

Dit heeft, in de visie van [eiser sub 1 c.s.], tot gevolg gehad dat zij hun woning niet konden verkopen en daarnaast dat zij zelf terug moesten verhuizen naar de [adres].

Door deze verkeerde communicatie is het conflict geëscaleerd.

7. De gemeente heeft hiertegen ingebracht dat een onjuiste communicatie niet is aangetoond en dat de gemeente dat ook betwist. Bovendien is het volgens de gemeente ook niet relevant, want in de praktijk heeft de gemeente wel degelijk gedoogd dat de woning permanent werd bewoond. Dat is meer dan wat [eiser sub 1] bij de koop van de woning mocht verwachten.

8. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

8.1 [Eiser sub 1 c.s.] stellen dat de gemeente heeft gezegd dat ze de nieuwe recreatieve bestemming ook daadwerkelijk zou handhaven (dus zou optreden tegen permanente bewoning, zo begrijpt de rechtbank). Door de gemeente wordt dat betwist. De rechtbank constateert dat de stelling van [eiser sub 1 c.s.] niet wordt onderbouwd door enig stuk. In geen van de overgelegde stukken, afkomstig van de gemeente, staat geschreven dat ze handhavend zou optreden. Volgens [eiser sub 1 c.s.] zou het zijn gezegd bij de behandeling van het beroepschrift tegen de bestemmingsplanwijziging door de Afdeling. Dat blijkt echter nergens uit. Een proces-verbaal is niet overgelegd. Wel staat vast dat [eiser sub 1 c.s.] in 2003, dus toen de bestemming definitief wijzigde, een persoonsgebonden gedoogbeschikking hebben gekregen, en in 2005 een objectgebonden gedoogbeschikking (rapport [T] en [G], en conclusie van repliek).

8.2 In het rapport van [T] en [G] staat dat sprake is van wijziging van het bestuurlijk standpunt ten opzichte van het verleden. In het rapport van de commissie Ten Have staat dat door een miscommunicatie tussen partijen over het voortzetten van het gebruik als burgerwoning, het conflict is geëscaleerd. Dat is zowel door de gemeente als door (de makelaar van) [eiser sub 1 c.s.] niet onderkend.

8.3 De miscommunicatie bestond kennelijk daarin dat [eiser sub 1 c.s.] ervan uitgingen dat de gemeente zou gaan optreden tegen permanente bewoning, om welke reden zij zijn verhuisd, terwijl de gemeente dat niet van plan was. Feitelijk heeft de gemeente in al die jaren ook niet opgetreden en zijn er gedoogbeschikkingen afgegeven.

Beide partijen hebben dus gehandeld overeenkomstig hetgeen zij dachten dat de ander bedoelde/wilde. Dit bevestigt dat sprake was van miscommunicatie.

8.4 De vraag is echter of dat gekwalificeerd moet worden als onrechtmatig handelen van de gemeente.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet zo. Zoals overwogen is niet gebleken van het verstrekken van onjuiste informatie, maar hebben partijen elkaars uitlatingen kennelijk verkeerd begrepen en/of daar verkeerde conclusies aan verbonden. Dat is niet aan één van beide partijen te wijten. Het misverstaan van die ander valt niet te kwalificeren als onrechtmatig handelen.

8.5 Dat de woning in 2000 ook anders had kunnen worden bestemd, maakt dat niet anders. Die keuze heeft de gemeente nou eenmaal niet gemaakt, en de wel gemaakte keuze is tot in hoogste instantie (Afdeling Rechtspraak van de Raad van State) bevestigd.

Voorstelbaar is echter dat dit [eiser sub 1 c.s.] temeer het gevoel gaf dat de gemeente hen onrechtvaardig behandelde.

8.6 Dat het conflict vervolgens is geëscaleerd, staat vast, al is het alleen al omdat beide partijen het daarover eens zijn. Ook uit de overgelegde stukken, die naar de rechtbank begrijpt slechts een fractie zijn van hetgeen tussen partijen is gecorrespondeerd, blijkt overduidelijk dat de situatie nogal uit de hand is gelopen. [Eser sub 1] heeft de gemeente vele brieven, mails etcetera gestuurd, om de bestemming alsnog te wijzigen en heeft op andere wijze aandacht gevraagd voor zijn geschil met de gemeente. Individuele ambtenaren hebben bij de politie aangifte tegen [eiser sub 1] gedaan (blijkens productie 6 bij dagvaarding). Met de gemeente moet de rechtbank constateren dat door [eiser sub 1] de fatsoensnormen weleens werden overtreden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de escalatie van dit conflict echter niet gekwalificeerd worden als onrechtmatig handelen (of het gevolg van onrechtmatig handelen/nalaten) van de gemeente.

Het is de rechtbank duidelijk dat [eiser sub 1] absoluut niet kon accepteren dat de woning geen woonbestemming had gekregen en dat hij zich volkomen vastgebeten heeft in dit geschil. In de dagvaarding is geciteerd uit een (niet overgelegd) rapport van maatschappelijk werk. Hier staat onder meer: “In de wisselwerking van [eiser sub 1]’s perceptie van dat conflict en zijn diep in hem ontwikkelde rechtvaardigheidsgevoel en anderzijds de reacties van gemeentelijke autoriteiten heeft dat conflict inmiddels een totaal obsessionele kwaliteit gekregen: zijn hele denken, voelen en doen wordt volledig beheerst door dat conflict. Hij verdraagt geen enkele nuancering.”

[Eiser sub 1] voelde zich kennelijk onrechtvaardig behandeld. Bij de aankoop had hij iets anders voor ogen en dat was ook mogelijk geweest, ware het niet dat de gemeente een andere keuze heeft gemaakt. Tel daar bij op de miscommunicatie en (kennelijk) het gevoel dat hij bij de gemeente geen gehoor vond voor zijn situatie, plus de hierboven omschreven gemoedstoestand, en de ingrediënten voor een slepend conflict zijn geboren.

Objectief te rechtvaardigen is dat echter niet: bij de aankoop was duidelijk dat permanente bewoning niet legaal was (maar wel werd gedoogd) en op de bestemmingsplanwijziging van 2000 is juridisch niets aan te merken. [Eiser sub 1 c.s.] hebben in 2003, naar aanleiding van een gesprek met het College van B&W, een persoonsgebonden gedoogbeschikking gekregen, en in 2005 een objectgebonden gedoogbeschikking.

Naar het oordeel van de rechtbank is het uiteindelijk de - niet proportionele - reactie van [eiser sub 1] geweest die het conflict heeft doen escaleren.

8.7 Naar het oordeel van de rechtbank is een gemeente op een zeker moment gehouden de-escalerende maatregelen te nemen. Nadat in 2003 en 2005 gedoogbeschikkingen zijn verstrekt, hebben in de zomer van 2007 gesprekken met de burgemeester plaatsgevonden.

In 2007 en daarna heeft de gemeente in elk geval gepoogd het conflict te doen de-escaleren. De rechtbank ziet in de gang van zaken geen onrechtmatig handelen of nalaten van de gemeente.

9. Het conflict heeft lang geduurd (en duurt nog steeds voort). Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, kan dat niet als onrechtmatig handelen aan de gemeente worden verweten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente, nadat in 2007 weer gesprekken hebben plaatsgevonden, met voldoende voortvarendheid en voldoende serieus gepoogd aan het conflict tot tevredenheid van [eiser sub 1 c.s.] een einde te maken. Dat dat niet is gelukt, en dat het thans tot een rechtszaak is gekomen, is niet het gevolg van enig onrechtmatig handelen van de gemeente.

10. In hun conclusie van repliek voeren [eiser sub 1 c.s.] nog aan dat het onrechtmatig was om eerst in 2003 een persoonsgebonden gedoogbeschikking te geven, en daarna in 2005 een objectgebonden gedoogbeschikking.

[Eiser sub 1 c.s.] hebben niet uitgelegd waarom dat onrechtmatig zou zijn. De gemeente heeft de bevoegdheid die keuze te maken.

Erkennen van aansprakelijkheid.

11. [Eiser sub 1 c.s.] hebben aangevoerd dat de gemeente aansprakelijkheid heeft erkend door de conclusies en aanbevelingen van de verschillende rapporten over te nemen en schadevergoeding te betalen. De gemeente is daarom volgens [eiser sub 1 c.s.] gehouden volledige schadevergoeding te betalen.

De gemeente heeft dat gemotiveerd betwist.

12. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

12.1 Het betalen van een som geld ter vergoeding van schade, is niet zonder meer het erkennen van aansprakelijkheid voor die schade. Het gaat erom of de ontvanger het betalen van dat bedrag heeft opgevat en mocht opvatten als een tot hem gerichte verklaring die ertoe strekte bedoeld rechtsgevolg tot stand te brengen (Hoge Raad 27 april 1984, NJ 1984, 789).

12.2 In het rapport van [T] en [G] staat dat de wijziging van het bestuurlijk standpunt ten opzichte van het verleden aanleiding is om via de weg van de bestuurscompensatie een tegemoetkoming toe te kennen voor extra huisvestingskosten die [eiser sub 1] redelijkerwijs geacht kan worden te hebben gehad in de afgelopen jaren. In het rapport staat ook dat er geen grond is voor vergoeding van vermogensschade die verband houdt met de waarde-ontwikkeling van de woning en evenmin voor geclaimde immateriële schade.

De gemeente heeft de conclusies van dit advies overgenomen en bij wijze van bestuurscompensatie € 10.000,00 betaald.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het overnemen van het advies en het uitbetalen van € 10.000,00 geen erkenning van aansprakelijkheid worden gezien. De gemeente heeft immers expliciet betaald op basis van bestuurscompensatie (schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad) en om het geschil te kunnen beëindigen.

12.3 Vervolgens gaat de discussie over de hoogte van de vergoeding echter verder en wordt de commissie Ten Have in het leven geroepen. Zij concludeert dat de gemeente in 2000 had kunnen besluiten de bestemming te wijzigen in “wonen” en dat er sprake is van miscommunicatie die de het conflict heeft doen escaleren. Zij ziet daarin reden voor vergoeding van schade wegens gemiste inkomsten (wegens niet doorgaan van de verkoop van de woning omdat er geen woonbestemming op rustte) en verhuiskosten. Voor vergoeding van overige schade is geen grond.

12.4 In haar brief van 8 mei 2009 beschrijft de gemeente eerst het doel van de commissie Ten Have, namelijk het definitief oplossen van de problematiek. Indien beide partijen zouden instemmen met het advies, was afgesproken dat het conflict daarmee beëindigd zou zijn. Verderop in deze brief staat:

“Tegen de achtergrond van het bovenstaande en gelet op de reeds eerder op andere punten met u bereikte overeenstemming accepteren wij het advies van de commissie om door instemming daarmee de tussen ons bestaande problematiek definitief achter ons te laten.”

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiser sub 1 c.s.] uit het overnemen van dit advies en het uitbetalen van het geadviseerde bedrag, niet mogen afleiden dat de gemeente erkende dat ze onrechtmatig had gehandeld. Voldoende duidelijk is en had ook voor [eiser sub 1 c.s.] moeten zijn, dat het er de gemeente om te doen was om de zaak op deze manier definitief tot een einde te brengen. Voor de gemeente was dit een vorm van minnelijke schikking.

12.5 [Eiser sub 1 c.s.] hebben niet ingestemd met het advies en stelden dat de schade door de commissie Ten Have niet goed is berekend. De gemeente heeft [eiser sub 1 c.s.] de mogelijkheid gegeven hun gestelde schade te laten berekenen door een door [eiser sub 1 c.s.] aan te wijzen accountant, zodat er een objectief onderbouwd bedrag zou komen te liggen.

De accountant ([X]) kwam tot de onder rechtsoverweging 1.14 weergegeven bedragen.

De gemeente heeft in haar brief van 23 februari 2011 laten weten dat de schadecomponenten die [X] noemt, ook al door de commissie Ten Have waren beoordeeld. Gelet op het rapport van [X] is besloten om de door de commissie Ten Have vastgestelde schadevergoeding te verhogen tot € 47.240,00. Dit komt overeen met het in het rapport van [X] genoemde bedrag voor extra uitgaven in de periode 1999-2010.

De gemeente voegt daaraan toe dat dit haar definitieve besluit is en dat het dossier daarmee voor haar definitief gesloten is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het toestaan dat een accountant de schadebedragen berekent, noch in het overnemen van één onderdeel daarvan, worden gelezen dat de gemeente heeft erkend dat ze onrechtmatig heeft gehandeld.

De benoeming van de accountant vloeit voort uit de afspraak dat de zaak (eerst) definitief beëindigd zou zijn als beide partijen konden instemmen met het advies van de commissie Ten Have. Toen [eiser sub 1 c.s.] daarmee niet wilden instemmen, moest er iets gebeuren om alsnog tot de finale afronding te kunnen komen. De keuze om de gestelde schadebedragen te laten objectiveren kan niet anders worden gezien dan in dat licht.

De gemeente heeft de post “extra uitgaven in de periode 1999-2010” kennelijk op één lijn gesteld met de door de commissie Ten Have genoemde posten “gemiste inkomsten uit niet-geëffectueerde verkoop” en “extra verhuis- en inrichtingskosten”. Ze heeft het vergoedbare bedrag op het door [X] berekende bedrag gezet. Ook daarin kan de rechtbank geen erkenning van aansprakelijkheid zien. Het bouwt voort op de wens van de gemeente om de zaak minnelijk te regelen.

12.6 Ook overigens heeft de gemeente naar het oordeel van de rechtbank op geen enkel moment erkend dat zij een onrechtmatige daad jegens [eiser sub 1 c.s.] heeft gepleegd.

Conclusie

13. Gelet op al het voorgaande moet de conclusie zijn dat de gemeente geen onrechtmatig handelen te verwijten valt en dat de gemeente evenmin heeft erkend onrechtmatig te hebben gehandeld.

Dat betekent dat de grondslag onder de vorderingen van [eiser sub 1 c.s.] is weggevallen. De vorderingen kunnen niet worden toegewezen.

14. Als de in het ongelijk gestelde partij, zullen [eiser sub 1 c.s.] worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten worden aan de zijde van de gemeente als volgt berekend:

Salaris van de advocaat:

- conclusie van antwoord: 1 procespunt

- conclusie van dupliek: 1 procespunt

totaal: 2 procespunten maal € 2.000,00 per procespunt (tarief VI) = € 4.000,00.

Verschotten:

- griffierecht: € 3.529,00.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst het gevorderde af.

II. Veroordeelt [eiser sub 1 c.s.] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 4.000,00 wegens het salaris van de advocaat en € 3.529,00 wegens verschotten.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Bottenberg, Lorist en Alers en is op 26 september 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.