Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX9253

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
107548 / HA ZA 09-1318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 107548 / HA ZA 09-1318

datum vonnis: 26 september 2012

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. A.J.R. Oude Middendorp te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

Aegon Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

verder te noemen Aegon,

advocaat: voorheen mr. S.E. Phoelich- Pontier, thans mr. C. Fledderus te ‘s-Gravenhage.

Het procesverloop

Op 12 mei 2010, 22 september 2010 en 6 april 2011 heeft de rechtbank tussenvonnissen gewezen. Zij neemt hier over hetgeen zij in deze tussenvonnissen over het procesverloop heeft overwogen. In laatstgenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast, ter beantwoording van de door haar in dat vonnis geformuleerde vragen, waartoe de rechtbank tot deskundige heeft benoemd

Prof. Dr. M.L. Stek, verbonden aan de Academische afdeling psychiatrie van het VU MC te Amsterdam. Het deskundigenrapport is op 12 december 2011 ter griffie ingekomen, waarop beide partijen hebben geconcludeerd na deskundigenrapport en waarbij door Aegon één productie in het geding is gebracht. Aan [eiseres] is, na verleend uitstel, op 18 april 2012 akte niet-dienen verleend. Van de zijde van [eiseres] is vervolgens aanvankelijk pleidooi en bij nader inzien comparitie van partijen verzocht, welke comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2012. Het daarvan opgestelde proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Ten slotte is de zaak verwezen naar de rol van heden voor vonnis.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. De rechtbank neemt over hetgeen zij in de hiervoor genoemde tussenvonnissen heeft overwogen en beslist.

2. In het tussenvonnis van 6 april 2011 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast, ter beantwoording van de door haar in dat vonnis geformuleerde vragen, waartoe de rechtbank tot deskundige heeft benoemd Prof. Dr. M.L. Stek, verbonden aan de Academische afdeling psychiatrie van het VU MC te Amsterdam.

Het deskundigenrapport is op 12 december 2011 ter griffie ingekomen.

3. De deskundige heeft de door de rechtbank in rechtsoverweging 5. van het tussenvonnis van 6 april 2011 geformuleerde vragen beantwoord als volgt:

“1a. Welke klachten noemt [eiseres] op dit moment, die beschouwd kunnen worden als rechtstreeks gevolg van het ongeval van 20 december 2004?

Betrokkene noemt een aantal klachten die vanuit de anamnese samen kunnen hangen met het ongeval in 2004: de pijnklachten, verminderde coördinatie, duizeligheid, lichte concentratiezwakte en versnelde vermoeibaarheid.

De klachten die betrokkene noemt op het vlak van visuele beperkingen en gehoorsvermindering zijn niet te duiden vanuit psychiatrische invalshoek, mede gezien het ontbreken van ingrijpende psychopathologie.

Zoals in de beschikbare informatie naar voren komt, ontbreken meetgegevens van visus- en gehoor vóór het ongeval hetgeen interpretatie van oor- en oogarts sterk zal beperken.

In de literatuur werden geen aanwijzingen gevonden voor een causaal verband tussen een dergelijk trauma en visus- en gehoorsstoornissen. Vanuit psychiatrische diagnostiek zijn er geen aanwijzingen voor een functionele component, daarnaast zijn de stoornissen te objectiveren.

(MESH terms whiplash injury and hearingloss; 7 citaties. Tranter en Graham (2009) geven aan dat in ongeveer 10% gehoorklachten voorkomen, die evenwel niet te objectiveren zijn. Whiplash injury and blindness geen citaties.)

1b. Welke afwijking(en) kunt u bij [eiseres] vaststellen op uw vakgebied, die beschouwd moeten worden als rechtstreeks gevolg van het ongeval? Hoe luidt uw psychiatrische diagnose, waarbij u, als deskundige dan gebruik dient te maken van de zogeheten DSM IV codering.

Zoals beschreven kunnen er op dit moment op psychiatrisch terrein geen afwijkingen worden gevonden.

Er is waarschijnlijk sprake geweest van een reactieve stemmingsdaling, die mogelijk heeft voldaan aan de criteria van een daadwerkelijke depressieve stoornis in de periode 2005-2006. De anamnese is in dit opzicht consistent over deze periode en hoewel psychiatrisch onderzoek niet is beschreven in het dossier, is het aannemelijk dat er sprake is geweest van stemmingsklachten de het functioneren van betrokkene hebben ingeperkt. De DSM IV diagnose zou vermoedelijk hebben geluid: depressieve stoornis, licht tot matig van ernst met vitale symptomatologie, zonder psychotische fenomenologie en zonder psychomotore beperkingen.

2a. Zijn er ook klachten op uw vakgebied die niet als rechtstreeks gevolg van het ongeval beschouwd moeten worden?

Neen, er zijn geen klachten op psychiatrisch terrein anderszins.

2b. Zijn er ook afwijkingen op uw vakgebied die niet als rechtstreeks gevolg van het ongeval beschouwd moeten worden? Wilt u, indien van toepassing, de psychiatrische diagnose aangeven?

Neen, er zijn geen afwijkingen op psychiatrisch terrein bevonden.

3a. Spelen er nog andere factoren dan het ongeval een rol?

Onderzoeker heeft geen aanwijzingen voor andere onderhoudende stressoren die een belangrijke rol zouden kunnen spelen in het klachtenpatroon van betrokkene, met name geen verhoogde kwetsbaarheid in de persoonlijkheid voor psychische decompensatie voor het ontwikkelen van een psychiatrisch ziektebeeld, evenmin lijkt er sprake te zijn van ernstige psychosociale stressoren in de periode van het ongeval tot op heden.

3b. Zouden de huidige klachten en beperkingen ook ontstaan zijn indien betrokkene het ongeval niet was overkomen?

Deze vraag is niet van toepassing, aangezien er in psychiatrisch opzicht geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld.

Onderzoeker kan geen uitspraak doen over de vraag of de visus- en gehoorsbeperkingen zonder het ongeval ook zouden zijn opgetreden, dit ligt niet binnen zijn expertise.

4. Is er een eindtoestand bereikt?

Wat betreft het klachtenpatroon lijkt er sprake te zijn van stabilisatie in de afgelopen jaren. Er zijn geen aanwijzingen voor een psychiatrische ontregeling na de vermoedelijke beschreven stemmingstoornis in een eerdere fase, het is heel aannemelijk dat er sprake is van een stabiele situatie wat betreft psychosociaal functioneren en er zijn geen aanwijzingen voor een verhoogde kwetsbaarheid voor een hernieuwde decompensatie. Aldus kan worden gesproken van een psychisch stabiele situatie en vermoedelijk ook in dit opzicht van een eindsituatie.

5. Heeft u nog therapeutische suggesties?

Bij het ontbreken van een psychiatrisch ziektebeeld zijn er geen suggesties; betrokkene heeft een actieve copingstijl en heeft zelf hulp gezocht bij het plaatsen van haar klachten. Dat dit op een specifieke wijze heeft plaatsgevonden in het Whiplash Instituut Nederland door een EEG dat vervolgens op specifieke wijze geduid is door de psycholoog met als advies neuronfeedback speelt mogelijk een rol bij de interpretatie van betrokkene van de ongevalsgevolgen. Er is weinig evidence voor diagnostiek volgens deze methode en de evidence voor neurolfeedback voor dit klachtenpatroon is eveneens beperkt.

6. Hoe ziet u de prognose?

De prognose wordt voor het algeheel functioneren als gunstig ingeschat, betrokkene is ondanks het klachtenpatroon actief, zij probeert zo goed mogelijk haar bestaan vast te houden en lijkt hier ook redelijk goed in te slagen.

De presentatie van de klachten is reëel.

7. Welke beperkingen bestaan door de ongevalsgevolgen voor:

a. Het dagelijks leven (ADL);

b. Hobby’s, sport en recreatie;

c. Het verrichten van arbeid.

Vanuit psychiatrisch opzicht zijn er geen beperkingen ten aanzien van het ADL, hobby, sport recreatie of het verrichten van arbeid.

Dit laat onverlet dat er duidelijk sprake lijkt te zijn van een consistent patroon van pijnklachten, verminderde concentratie, hetgeen voor betrokkene zelf gevolgen heeft voor het functioneren op bovengenoemde terreinen. Deze komen evenwel niet voort, naar de mening van onderzoeker, vanuit het aanwezig zijn van een psychiatrisch ziektebeeld.

8. Zijn er als gevolg van de door u op uw vakgebied vastgestelde ongevalsgevolgen blijvende belemmeringen ontstaan en zo ja, kunt u aangeven in welke klasse betrokkene volgens tabel 14.1 p. 363 van de AMA Guide 5e editie, op grond van deze belemmeringen, naar uw eigen deskundige mening dient te worden ingeschaald?

De beschreven diagnostiek bovenstaand is dit niet van toepassing op de huidige situatie. Met betrekking tot de ingeschatte episode van de stemmingsstoornis in de periode 2005-2006, waarbij er sprake lijkt te zijn geweest van een depressieve stoornis die ongetwijfeld zijn effecten gehad zullen hebben gehad op het functioneren van betrokkene, is het moeilijk om retrospectief een inschatting te maken van de toen aanwezige beperkingen.

9. Heeft u verder nog op-en/of aanmerkingen die voor de beoordeling van de ongevalsgevolgen van belang kunnen zijn?

Van belang is dat betrokkene met een ongebruikelijk klachtenpatroon komt van later ontstane visus- en gehoorsdaling. Ondanks het feit dat geen psychiatrisch ziektebeeld is gevonden dat verantwoordelijk gesteld kan worden voor deze door betrokkene ervaren fenomenen, die overigens ook zijn bevestigd door oog- en oorheelkundig onderzoek, is er gekeken naar een mogelijke samenhang van dit klachtenpatroon met whiplash.

Onderzoeker heeft hiervoor in de literatuur geen aanwijzingen kunnen vinden.”

4. [Eiseres] reageert op voornoemd deskundigenonderzoek door te verwijzen naar het advies van haar medisch adviseur, dat zij als productie 18 in het geding heeft gebracht.

5. Aegon stelt bij conclusie van antwoord na deskundigenbericht dat naar haar oordeel op basis van het rapport van de deskundige niet anders kan worden geconcludeerd dan dat op psychiatrisch gebied geen afwijkingen en geen beperkingen zijn te duiden, laat staan dat deze aan de aanrijding uit 2004 zijn toe te rekenen. Anders dan de medisch adviseur van [eiseres] stelt, heeft de deskundige niet geconcludeerd dat de door [eiseres] gepresenteerde klachten ‘reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn’. De deskundige heeft slechts gesteld dat de presentatie van de klachten reëel is, waarbij Aegon stelt dat benadrukt dient te worden dat deze niet voorkomen uit een psychiatrisch ziektebeeld. De deskundige heeft louter de klachten opgesomd, zoals die door [eiseres] aan hem zijn voorgehouden. Van belang is ook dat de door [eiseres] gestelde oog- en gehoorklachten niet zijn te herleiden tot een psychiatrisch ziektebeeld en er evenmin aanwijzingen zijn om aan te kunnen nemen dat deze klachten het gevolg zijn van een postwhiplash syndroom.

Aegon stelt zich op het standpunt dat het verrichten van nader onderzoek naar de gestelde oog- en gehoorklachten achterwege kan blijven en dat de vordering van [eiseres] naar deze stand van zaken voor directe afwijzing gereed ligt.

Aegon verzoekt de rechtbank om bij de vaststelling van de proceskosten de kosten van het deskundigenrapport van Prof Dr. Stek, die door Aegon zijn voorgeschoten, alsnog ten laste te laten komen van [eiseres].

6. De rechtbank acht het op 12 december 2011 ter griffie ingekomen deskundigenbericht begrijpelijk en voldoende onderbouwd. Zij neemt dan ook het oordeel van de deskundige en de motivering daarvan over.

7. De rechtbank overweegt voorts dat zij in het tussenvonnis van 22 september 2010 reeds het volgende heeft overwogen.

‘4.1 De door [eiseres] bij Aegon afgesloten SVI is een schadeverzekering. De verzekering dekt de schade aan en van inzittenden (letselschade en zaakschade). Het gaat bij deze verzekering om vergoeding van de werkelijk geleden schade. (…)

4.2 In deze zaak heeft de rechtbank in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of sprake is van medisch vast te stellen letsel, dat als rechtstreeks gevolg van het op 20 december 2004 aan [eiseres] overkomen ongeval is ontstaan, zulks als bedoeld in artikel 1.4 van de polisvoorwaarden, behorend bij de door [eiseres] bij Aegon afgesloten SVI.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat het medisch vast te stellen letsel, als bedoeld in de polisvoorwaarden, niet is beperkt tot fysiek letsel, hoewel daar volgens [eiseres] ook sprake van is.

4.4 Alvorens beoordeeld kan worden of [eiseres] jegens Aegon recht heeft op schadevergoeding, in aanvulling op door Aegon reeds aan [eiseres] betaalde bedragen, dient derhalve vastgesteld te worden tot welke fysieke en psychische gevolgen het ongeval heeft geleid. Met andere woorden, vastgesteld zal moeten worden of, en zo ja in welke mate, sprake is van causaal verband tussen het op 20 december 2004 aan [eiseres] overkomen ongeval en de klachten, die zij stelt te ondervinden.

Meer in het bijzonder nu in het onderhavige geval geen sprake is van een wettelijke verplichting van Aegon tot schadevergoeding voortvloeiend uit wanprestatie of onrechtmatige daad, doch sprake is van een primaire verplichting tot schadevergoeding die voortvloeit uit de verzekeringsovereenkomst, is het van belang een onderscheid te maken tussen de op de dag van het ongeval reeds bestaande klachten en/of afwijkingen en door het ongeval ontstane klachten en/of afwijkingen.

4.5 Hoewel de op gezamenlijk initiatief ingeschakelde neuroloog dr. Kraaier heeft geconcludeerd dat er bij neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden en geen evidente neurocognitieve stoornissen zijn waargenomen en ook bij aanvullend uitvoerig neuropsychologisch onderzoek evenmin relevante afwijkingen zijn waargenomen, is hij tevens tot het oordeel gekomen dat er een uitgebreid klachtenpatroon is, waarvan het waarschijnlijk is dat deze toegeschreven kan worden aan het ongeval van 20 december 2004. De klachten van [eiseres] lijken volgens dr. Kraaier veeleer te passen bij haar verhoogde psychische lijdensdruk. Door neuropsycholoog drs. Heuving is aan dr. Kraaier gerapporteerd dat er, voor zover de medische gegevens bekend zijn, geen pre-existerende ziekten of aandoeningen zijn, die aantoonbaar een bijdrage leveren aan de klachten of de klachten onderhouden, doch wel moet worden verondersteld dat de gerapporteerde verhoogde lijdensdruk, die zeker deels pre-existent blijkt te zijn, bijdraagt aan de vorming en het instant houden van de klachten.

Het in letselschadezaken, waarin sprake is van een onrechtmatige daad bestaand uit het veroorzaken van letsel, geldende adagium dat de dader het slachtoffer heeft te nemen zoals hij is, geldt in deze zaak niet onverkort, nu volgens de polisvoorwaarden sprake moet zijn van medisch vast te stellen letsel, dat als rechtstreeks gevolg van het ongeval is ontstaan.’

8. Ingevolge voorgaande rechtsoverwegingen heeft de rechtbank een psychiatrisch onderzoek noodzakelijk geacht bij de beoordeling van de ongevalsgevolgen.

Uit het voorgaande volgt dat dit onderzoek door een psychiater inmiddels heeft plaatsgevonden, waarbij de bevindingen van de deskundige (verkort) zijn weergegeven in rechtsoverweging 3. van dit vonnis. Kort samengevat heeft psychiater Prof. Dr. Stek geconcludeerd dat er geen klachten en/of afwijkingen op psychiatrisch terrein zijn gevonden, behoudens een reactieve stemmingsdaling, die mogelijk heeft voldaan aan de criteria van een daadwerkelijke depressieve stoornis in de periode 2005-2006.

9. Meer specifiek ten aanzien van de door [eiseres] gestelde gehoor- en visusklachten heeft de deskundige geconcludeerd dat deze niet zijn te duiden vanuit psychiatrische invalshoek, mede gezien het ontbreken van ingrijpende psychopathologie. Uit zijn rapportage, maar ook uit de door [eiseres] bij akte ‘houdende uitlating deskundige en overlegging nadere bescheiden betreffende gehoor- en visusklachten’ overgelegde medische bescheiden, is gebleken dat meetgegevens van visus- en gehoor van vóór het ongeval ontbreken.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deskundige Prof. Dr. Stek daaraan terecht de conclusie verbonden dat dit een interpretatie van oor- en oogartsen sterk zal beperken, hetgeen ook is gebleken uit de door [eiseres] als productie 14 overgelegde rapportages van dr. A. Schipper, KNO-arts, die heeft geschreven als volgt:

‘Daar er bij ons geen gehoortesten bekend zijn van voor het ongeval kan ik ook niet beoordelen of het gehoorverlies hiermee een relatie heeft.’

en van dr. K. Hoogendijk, KNO-arts die heeft geschreven als volgt:

‘(…) Er bleek sprake van beiderzijds ongeveer 50 dB perceptief gehoorverlies bij gave trommelvliezen; of dit nu een gevolg is van het in December 2004 doorgemaakte ongeval is mij onduidelijk. Ik kan dit ook niet vast stellen omdat audiometrie van voor die tijd mij ontbreekt. Het is ook nog mogelijk dat zij het gehoorverlies iets te slecht heeft aangegeven om psychische reden? Hoe e.e.a ook zij, proefaanpassing hoorprotheses werd geen succes. Na September 2005 zag ik haar niet meer retour.’

11. Deskundige Prof. Dr. Stek heeft verder gesteld ‘dat in de literatuur geen aanwijzingen werden gevonden voor een causaal verband tussen een dergelijk trauma en visus- en gehoorsstoornissen’, waarbij hij erop heeft gewezen dat Tranter en Graham (2009) aan geven dat in ongeveer 10% gehoorklachten voorkomen, die evenwel niet te objectiveren zijn.

12. In acht genomen het voorgaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat niet is komen vast te staan dat de visus- en gehoorklachten als rechtstreeks gevolg van het op 20 december 2004 aan [eiseres] overkomen ongeval zijn ontstaan, zulks als bedoeld in artikel 1.4 van de polisvoorwaarden, behorend bij de door [eiseres] bij Aegon afgesloten SVI en dat het verrichten van nader onderzoek daarnaar, vanwege het ontbreken van meetgegevens van voor het ongeval, niet zinvol moet worden geacht. Ter gelegenheid van de gehouden comparitie is gebleken dat deze laatste conclusie door [eiseres] wordt gedeeld.

13. Ten aanzien van de overige door [eiseres] gestelde klachten, zoals deze op basis van de anamnese zijn weergegeven door deskundige Prof. Dr. Stek bij de beantwoording van vraag 1a, te weten pijnklachten, verminderde coördinatie, duizeligheid, lichte concentratiezwakte en versnelde vermoeibaarheid, overweegt de rechtbank dat deze, blijkens het deskundigenbericht van 12 december 2011, evenmin zijn te herleiden tot een psychiatrisch toestandsbeeld. Wel heeft de deskundige gesteld dat de presentatie van de klachten reëel is en voorts dat er waarschijnlijk sprake is geweest van een reactieve stemmingsdaling, die mogelijk heeft voldaan aan de criteria van een daadwerkelijke depressieve stoornis in de periode 2005-2006. Hoewel psychiatrisch onderzoek niet is beschreven in het dossier, acht hij het aannemelijk dat er sprake is geweest van stemmingsklachten die het functioneren van betrokkene hebben ingeperkt, waarbij de DSM IV diagnose vermoedelijk zou hebben geluid: depressieve stoornis, licht tot matig van ernst met vitale symptomatologie, zonder psychotische fenomenologie en zonder psychomotore beperkingen.

14. De rechtbank overweegt dat deze klachten van depressieve aard gedurende een beperkte episode, blijkens het deskundigenbericht, naar haar oordeel zijn aan te merken als rechtstreeks gevolg van het op 20 december 2004 aan [eiseres] overkomen ongeval.

Ten aanzien van de klachten die [eiseres] thans nog stelt te ondervinden, is dit evenwel niet komen vast te staan, hetgeen blijkens de polisvoorwaarden een vereiste is om voor dekking op basis van de door [eiseres] bij Aegon afgesloten SVI in aanmerking te komen.

15. In acht genomen het voorgaande, acht de rechtbank de door [eiseres], ten gevolge van het aan haar op 20 december 2004 overkomen ongeval, geleden schade genoegzaam vergoed met de door Aegon aan [eiseres] betaalde bedragen. De rechtbank ziet in gevolge het voorgaande dan ook geen aanleiding voor een veroordeling van Aegon, zoals door [eiseres] gevraagd en zal de vorderingen van [eiseres] dan ook afwijzen.

16. Nu dr. Kraaier in zijn deskundigenbericht heeft gesteld dat de klachten van [eiseres] volgens hem veeleer lijken te passen bij haar verhoogde psychische lijdensdruk en met name gelet op deze bevindingen nader psychiatrisch onderzoek door Prof. Dr. Stek heeft plaatsgevonden, die heeft gesteld het aannemelijk te achten dat in de periode 2005-2006 sprake is geweest van een depressieve stoornis, bepaalt de rechtbank dat de door Aegon voorgeschoten kosten van Prof. Dr. Stek voor haar rekening dienen te blijven en dat de proceskosten voor het overige zullen worden gecompenseerd, in die zin dat beide partijen hun eigen kosten zullen dragen.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af het gevorderde.

II. Compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen hun eigen kosten zullen dragen.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Lorist, Margadant en Taalman en is op 26 september 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.