Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX8810

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
127625 - FA RK 12-327
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot erkenning van door een buitenlandse rechtbank uitgesproken geslachtsnaamwijziging van een Nederlandse vrouw afgewezen. Beroep tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand (ABS) om een latere vermelding, inhoudende dat de geslachtsnaam van verzoekster is gewijzigd, aan de Nederlandse geboorteakte van verzoekster toe te voegen.De rechtbank deelt het oordeel van de ABS dat de buitenlandse naamswijziging niet voor opneming in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand vatbaar is. De situatie van verzoekster valt niet onder het bereik van 10:24 lid 1 BW waarin wordt gesproken over een geslachtsnaamswijziging “als gevolg” van een wijziging in de persoonlijke staat. Verzoekster heeft welbewust en op eigener verzoek haar geslachtsnaam in het buitenland laten wijzigen, hetgeen geen wijziging in de persoonlijke staat betreft.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 7
Burgerlijk Wetboek Boek 1 26
Burgerlijk Wetboek Boek 1 26a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 27
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 20
Burgerlijk Wetboek Boek 10 24
Wet conflictenrecht namen
Wet conflictenrecht namen 5a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/25 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
PFR-Updates.nl 2012-0079 met annotatie van I. Curry-Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 127625 / FA RK 12-327

Beschikking van de rechtbank Almelo d.d. 26 september 2012 in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats], [land],

[adres],

verzoekster,

advocaat: mr. A.J.M. van der Zanden

tegen

de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Hengelo,

zetelend te Hengelo,

belanghebbende.

Als belanghebbende in deze zaak is aangemerkt:

de officier van justitie in het arrondissement Almelo.

Het procesverloop

Op 19 maart 2012 is ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingekomen van verzoekster, waarin wordt verzocht - zakelijk weergegeven - dat de in [plaats] gewijzigde geslachtsnaam van verzoekster in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand kan worden opgenomen.

Door de ambtenaar van de burgerlijke stand is verweer gevoerd bij brief van

17 augustus 2012, ter griffie ingekomen op 21 augustus 2012.

Op 28 augustus 2012 en 30 augustus 2012 heeft verzoekster aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van 3 september 2012. Ter zitting zijn verschenen: verzoekster, vergezeld door mr. Van der Zanden, de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Hengelo mevrouw [D], alsmede de officier van justitie.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Op [1968] is te [plaats] geboren: [naam], nader te noemen verzoekster.

Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit.

Op 6 januari 2003 is door de Civil Court of the city of New York afgegeven een “Order granting leave to change name from [X] to [Y]”.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

1. Verzoekster stelt dat de rechtbank te New York de geslachtsnaamswijziging heeft uitgesproken van [X] in

[Y]. Verzoekster gebruikt de naam [Y] reeds geruime tijd in het dagelijks leven en in het maatschappelijk verkeer en zij heeft onder deze naam een zekere bekendheid opgebouwd. Verzoekster stelt recht en belang te hebben bij erkenning van de in New York uitgesproken geslachtsnaamswijziging in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand. Verzoekster heeft bij brief van 23 december 2011 de ambtenaar van de burgerlijke stand verzocht een latere vermelding aan haar geboorteakte toe te voegen, inhoudende dat haar geslachtsnaam is gewijzigd in ‘[Y]’.

Bij beslissing van 7 februari 2012 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand geweigerd aan het verzoek te voldoen.

Binnen de termijn van zes weken, zoals genoemd in artikel 1:27 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), en derhalve tijdig, is het verzoekschrift ter griffie van deze rechtbank ingediend.

2. Verzoekster legt aan haar verzoek primair artikel 1:26 juncto 1:26a BW ten grondslag, subsidiair stelt zij dat op grond van artikel 10:24 BW de geslachtsnaamswijziging die in de Verenigde Staten heeft plaatsgevonden in Nederland dient te worden erkend.

3. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederlands recht van toepassing is op de naam van verzoekster, nu zij de Nederlandse nationaliteit heeft, en dat, nu er zich geen wijziging in de persoonlijke staat van verzoekster heeft voorgedaan, artikel 10:24 BW niet van toepassing is zodat de buitenlandse naamswijziging niet voor opneming in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand vatbaar is.

4. De officier van justitie deelt het standpunt van de ambtenaar van de burgerlijke stand en voegt hier nog aan toe dat de betreffende regelgeving - anders dan in het Nederlandse Internationaal Privaatrecht op andere gebieden het geval is - geen ruimte laat voor toepassing van de zogenaamde ‘realiteitstoets’. Aanknoping zoeken met het recht van het land waarmee de nauwste band bestaat is derhalve in deze geen optie. Als dat wel het geval zou zijn, dan nog zou er volgens de officier van justitie een nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer zijn, zodat aan erkenning van de buitenlandse naamswijziging niet kan worden toegekomen.

Ten slotte, uiterst subsidiair, heeft de officier van justitie zijn bedenkingen geuit over de aard van de naamswijzigingsprocedure en de waarborgen waarmee deze procedure omgeven zou zijn, zodat de officier hieromtrent nadere informatie zou wensen alvorens een standpunt in te kunnen nemen of deze akte zich leent voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.

5. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat verzoekster uitsluitend de Nederlandse nationaliteit bezit. Op grond van artikel 10:20 BW wordt de geslachtsnaam van verzoekster derhalve bepaald door het Nederlandse recht. Ingevolge het Nederlands recht vindt geslachtsnaamswijziging uitsluitend plaats bij Koninklijk Besluit en niet bij rechterlijke beschikking. Artikel 1:7 lid 1 BW bepaalt hierover dat de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek door de Koning kan worden gewijzigd. In het Besluit Geslachtsnaamswijziging is neergelegd op welke gronden wijziging van de geslachtsnaam kan worden verzocht. Voor zover verzoekster artikel 1:26 lid 1 BW ten grondslag aan haar verzoek heeft gelegd, kan dit verzoek niet slagen, nu dit zou betekenen dat de regels van internationaal privaatrecht met betrekking tot het namenrecht op deze manier terzijde zouden worden gesteld.

De op 6 januari 2003 door de Civil Court of the city of New York afgegeven “Order granting leave to change name from [X] to [Y]” is om deze reden naar zijn aard niet vatbaar voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand, zodat de door verzoekster verzochte verklaring voor recht kan niet kan worden verleend.

6. Verzoekster beroept zich subsidiair op artikel 10:24 lid 1 BW. Dit artikel luidt: “Indien de geslachtsnaam of de voornamen van een persoon ter gelegenheid van de geboorte buiten Nederland zijn vastgelegd of als gevolg van een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging in de persoonlijke staat zijn gewijzigd en zijn neergelegd in een overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte, worden de aldus vastgelegde of gewijzigde geslachtsnaam of voornamen in Nederland erkend. De erkenning kan niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat een ander recht is toegepast dan uit de bepalingen van deze wet zou zijn gevolgd.”

Verzoekster stelt dat de geslachtsnaamswijziging die door de rechtbank New York is uitgesproken een wijziging in haar persoonlijke staat behelst, zodat deze wijziging in Nederland dient te worden erkend. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de officier van justitie zijn van oordeel dat de geslachtsnaamswijziging geen wijziging in de persoonlijke staat is, zodat dit artikel niet van toepassing is.

7. De rechtbank oordeelt dat het begrip ‘persoonlijke staat’ niet in de wet is gedefinieerd, zodat uit diverse bronnen moet worden herleid wat hieronder dient te worden verstaan. Wanneer aansluiting wordt gezocht bij de procedures tot betwisting en inroeping van staat, zoals beschreven in de artikelen 1:209 en 211 BW, dan lijkt de persoonlijke staat beperkt te zijn tot de afstammingsrelatie.

De rechtbank Den Haag heeft in haar beschikking van 16 september 2009 (LJN AT 9588) beslist dat, nu in het betreffende artikel (destijds artikel 5a Wet Conflictenrecht Namen, thans gelijkluidend artikel 10:24 BW) niet wordt gesproken over een wijziging in de familierechtelijke betrekkingen, de werking niet beperkt is tot wijzigingen in de persoonlijke staat waarbij een familierechtelijke betrekking is ontstaan of tenietgegaan. Vanuit deze benadering zou ook een huwelijk tot een wijziging in de persoonlijke staat leiden.

In de Officiële Mededeling 1/2011 van de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit wordt aangegeven dat onder een verandering in de persoonlijke staat bijvoorbeeld dient te worden verstaan een huwelijk, een geregistreerd partnerschap, een echtscheiding, een erkenning, een adoptie, een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of een wettiging zonder erkenning. De rechtbank overweegt dat het woord ‘bijvoorbeeld’ in deze Officiële Mededeling lijkt te indiceren dat het hier geen limitatieve opsomming betreft, en dat er ook andere wijzigingen in de persoonlijke staat denkbaar zijn. Echter, de voorbeelden die worden genoemd hebben als overeenkomstig kenmerk dat ze zien op het aangaan of verbreken van een wettelijke relatie tussen twee personen, hetzij in de afstammingssfeer, hetzij in de sfeer van een duurzame verbintenis zoals een huwelijk. Het aangaan, danwel het tenietgaan van dergelijke relaties kan gevolgen hebben voor de geslachtsnaam of de voornamen van een persoon en het is op deze situaties dat artikel 10:24 BW betrekking heeft.

8. Naar het oordeel van de rechtbank kan een enkele geslachtsnaamswijziging in het buitenland dan ook niet als wijziging in de persoonlijke staat worden gekwalificeerd. Dat de wetgever zulks ook niet bedoeld heeft, kan evenzeer uit de tekst van de wet worden afgeleid, nu hier immers wordt gesproken over een geslachtsnaamswijziging als gevolg van een wijziging in de persoonlijke staat. In het geval van verzoekster heeft geen wijziging in de persoonlijke staat plaatsgevonden als gevolg waarvan haar geslachtsnaam is gewijzigd, doch verzoekster heeft welbewust en op eigener verzoek haar geslachtsnaam in de Verenigde Staten laten wijzigen. Dit betekent dat de situatie van verzoekster niet valt onder het bereik van artikel 10:24 lid 1 BW en het verzoek dient te worden afgewezen.

9. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verzoekster door het overleggen van diverse producties, alsmede in haar verzoekschrift en de mondelinge toelichting ter zitting, benadrukt heeft dat zij groot belang heeft bij erkenning van de naam ‘[Y]’ in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand. De geslachtsnaamswijziging is ingegeven omdat verzoekster wenst met een geslachtsnaam door het leven te gaan die internationaal niet voor problemen in het maatschappelijk verkeer zorgt. Thans is de wens van verzoekster om niet met twee verschillende namen geregistreerd te staan. De rechtbank merkt op dat, hoe invoelbaar deze wens van verzoekster ook is, deze discrepantie in namen door verzoekster zelf teweeg is gebracht. De onderhavige procedure kent bovendien geen ruimte voor een belangenafweging.

10. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

11. Verzoekster zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de ambtenaar begroot op nihil.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst het verzoek af;

II. Veroordeelt verzoekster in de kosten van deze procedure.

Deze beslissing is gegeven te Almelo door mr. Van der Lecq, voorzitter, en mrs. Blankestijn en Jongebreur, rechters en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012 in tegenwoordigheid van de H.E. Abbink, griffier.