Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX8339

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
116439 / HA ZA 10-1193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 116439 / HA ZA 10-1193

datum vonnis: 29 augustus 2012 (pv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDM Financieringen B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

incidenteel verweerster,

verder te noemen IDM,

advocaat: mr. D.K. Greveling te Hilversum,

en

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats]

gedaagde sub 1 in conventie, eiser in reconventie in de hoofdzaak,

verder te noemen [gedaagde sub 1],

advocaat: mr. U. Ugur te Hengelo (Ov.),

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak,

incidenteel eiseres,

verder te noemen [gedaagde sub 2],

advocaat: mr. M.T.M. Demmer te Hengelo (Ov.).

1. Het procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover is weergegeven in het tussenvonnis van 16 november 2011. Na dat tussenvonnis heeft [gedaagde sub 2] geconcludeerd van antwoord. IDM heeft vervolgens een conclusie van repliek in het geding gebracht, waarna [gedaagde sub 2] een conclusie van dupliek heeft genomen. Door [gedaagde sub 1] is na het tussenvonnis niet meer geconcludeerd. Alle partijen hebben vonnis gevraagd. Het vonnis wordt per heden uitgesproken.

2. Vaststaande feiten en standpunten van partijen

Voor de weergave van de vaststaande feiten en de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 16 november 2011 en met name naar hetgeen in dat tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.5 is overwogen.

3. De beoordeling

In conventie

3.1 Bij het tussenvonnis van 16 november 2011 heeft de rechtbank [gedaagde sub 2] toegestaan om op haar verzoek [gedaagde sub 1] in vrijwaring te dagvaarden. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 2] daartoe vervolgens niet is overgegaan. Van een vrijwaringsprocedure is dan ook geen sprake.

3.2 Eveneens stelt de rechtbank vast dat [gedaagde sub 1] na zijn conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie en na zijn verschijnen ter comparitie van partijen van 18 mei 2011 nog slechts in rechte heeft gereageerd met een akte waarbij hij producties in het geding heeft gebracht.

3.3 De basis van de vordering van IDM is een doorlopend krediet met een hoofdsom van € 46.000,- dat door IDM blijkens in het geding gebrachte overeenkomst van 26 januari 2005 aan [gedaagde sub 1] en echtgenote is verstrekt. [Gedaagde sub 1] heeft bij conclusie van antwoord erkend dat van kredietverschaffing tot voornoemde omvang sprake is geweest, terwijl hij niet heeft betwist dat van de door IDM gestelde forse aflossingsachterstand sprake is zodat het volledige geldleningsbedrag opeisbaar is. [Gedaagde sub 2] heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat het kredietbedrag is ontvangen, dat er sprake is van betalingsachterstanden, dat niet duidelijk is sinds wanneer zij in gebreke is en dat haar niets bekend is van aanmaningen. [Gedaagde sub 2] heeft dit verweer echter in het geheel niet nader toegelicht of onderbouwd. Door IDM zijn bij conclusie van repliek aanmaningen aan [gedaagde sub 2] in het geding gebracht van 6 juli 2010, 9 augustus 2010 en 16 augustus 2010. Gelet op de erkenning door [gedaagde sub 1] waarmee [gedaagde sub 2] destijds was gehuwd passeert de rechtbank wegens onvoldoende onderbouwing het voornoemde verweer van [gedaagde sub 2].

3.4 Het verweer van [gedaagde sub 1] komt erop neer dat de vordering van IDM niet toewijsbaar is omdat IDM jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht als kredietverstrekker. En als dat niet aan de orde zou zijn, dan is de overeenkomst vernietigbaar wegens dwaling dan wel misbruik van omstandigheden, nu [gedaagde sub 1] niet over voldoende kennis beschikte voor het aangaan van een kredietovereenkomst als de onderhavige en hij die overeenkomst niet zou zijn aangegaan als hij die kennis wel had gehad. Samengevat zijn deze verweren terug te voeren op de stelling van [gedaagde sub 1] dat hij destijds onvoldoende kredietwaardig was voor toekenning van een krediet tot de onderhavige omvang en dat IDM dan ook niet tot toekenning van het krediet had mogen overgaan. IDM heeft, door dat toch te doen, haar zorgplicht geschonden. [Gedaagde sub 2] volgt [gedaagde sub 1] in zijn verweer in zoverre dat ook zij op dezelfde grond van oordeel is dat IDM door de kredietverstrekking onrechtmatig heeft gehandeld. Een nadere onderbouwing van die stelling ontbreekt, maar de rechtbank zal er van uitgaan dat [gedaagde sub 2] zich de facto wil aansluiten bij het verweer van [gedaagde sub 1].

3.5 Het is juist dat een kredietverschaffer, ook in januari 2005 uit welke periode het onderhavige krediet stamt, de nodige zorgvuldigheid bij de kredietverschaffing in acht moet nemen. Dat zou IDM in dit geval niet hebben gedaan doordat zij onder meer niet heeft nagetrokken of er, zoals kennelijk in het onderhavige geval, sprake was van een tweede hypothecaire inschrijving op de woning. En ook overigens zou het verstrekte krediet niet hebben gepast bij de inkomenspositie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

3.6 De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] in dat verweer niet. Het betreft hier een recht toe- recht aan krediet waarbij een geldbedrag wordt verstrekt en een bedrag aan aflossing en rente wordt overeengekomen. [Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wisten derhalve op het moment dat het krediet werd verstrekt welke maandlast daar tegenover zou staan. Niet is gebleken dat IDM bij de bepaling van de kredietsom onzorgvuldig heeft gehandeld. IDM heeft in het geding gebracht de aan haar destijds door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ter beschikking gestelde loonstroken en de gegevens over de hypothecaire inschrijving die aan haar eveneens door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren verstrekt. Daaruit blijkt dat sprake was van een netto maandelijks gezinsinkomen van € 2.529,- en van een hypothecaire belasting van de woning die een maandlast vergde van € 780,-. Eveneens heeft IDM in het geding gebracht de door haar destijds gehanteerde berekeningssystematiek van de te verstrekken kredietsom op basis van de inkomensgegevens. Daaruit bleek dat een maximale kredietsom kon worden verschaft van € 47.116,52. Kortom, de rechtbank oordeelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], zelfs als zij onvoldoende kennis van kredietovereenkomsten bezaten, concreet wisten welk bedrag aan hen zou worden verstrekt en welke maandlasten zij zouden moeten betalen, terwijl IDM op basis van door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf verschafte inkomsten- en lastengegevens naar de toenmalige gebruikelijke normen het kredietbedrag heeft berekend. Van enige onzorgvuldigheid aan de zijde van IDM is aan de rechtbank dan ook niet gebleken.

3.7 De rechtbank concludeert dan ook dat de onderhavige kredietverschaffing niet onrechtmatig is geweest of heeft geleid tot een nietige overeenkomst. Ook het beroep op dwaling of misbruik van omstandigheden ontbeert feitelijke grondslag. Niet is gebleken dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] onvoldoende inzicht hadden in hetgeen zij als kredietsom zouden ontvangen en maandelijks zouden moeten betalen aan rente en aflossing of dat IDM had moeten begrijpen dat zij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] had moeten weerhouden van het aangaan van de kredietovereenkomst.

3.8 De rechtbank voegt daaraan toe dat de beide gedaagden niet hebben weersproken dat er geruime tijd, tot in het jaar 2010, conform de afspraken is afgelost en rente is betaald. Dat gegeven duidt er reeds op dat er kennelijk niet van een onverantwoorde kredietverstrekking sprake is geweest. Zoals [gedaagde sub 1] heeft gesteld, werd zijn hypotheeklast door stijging van de rente in 2008 verhoogd, is hij in mei 2010 zijn werk kwijt geraakt door faillissement van de werkgever en is er sprake geweest van een echtscheiding tussen hem en [gedaagde sub 2]. De rechtbank acht aannemelijk en begrijpelijk dat al die factoren nadelig hebben gewerkt voor de betalingsmogelijkheden van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2], doch het gaat dan telkens om factoren die zich afspelen binnen de risicosfeer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelve en die dus niet ten nadele van IDM kunnen worden opgeworpen.

3.9 De rechtbank oordeelt derhalve dat de vorderingen van IDM voor toewijzing vatbaar zijn op de wijze als hierna geformuleerd. Als in het ongelijk gestelde partijen moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

In reconventie

4.1 [Gedaagde sub 1] heeft in reconventie gevorderd dat de kredietovereenkomst nietig is op grond van onrechtmatige daad, subsidiair dat hij schade heeft geleden tot een omvang van € 48.978,43 en nog meer subsidiair dat de onderhavige kredietovereenkomst vernietigd moet worden wegens dwaling of misbruik van omstandigheden.

4.2 De rechtbank neemt op deze plaats over hetgeen zij hiervoor in conventie heeft overwogen. Op de aldaar uiteengezette gronden is geen van de vorderingen in reconventie voor toewijzing vatbaar. Die vorderingen worden dan ook afgewezen waarbij [gedaagde sub 1] moet worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie.

4.3 Waar het gaat om de kosten van de vrijwaringsprocedure die uiteindelijk door [gedaagde sub 2] niet is doorgezet, overweegt de rechtbank dat [gedaagde sub 2] de kosten daarvan jegens IDM zal moeten dragen.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander is bevrijd, tot betaling aan IDM van de som van € 48.978,43, zulks vermeerderd met de contractueel overeengekomen rente daarover vanaf 6 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

II. Veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander is bevrijd, tot betaling van de navolgende proceskosten aan IDM. De kosten aan de zijde van IDM worden begroot op € 1.252,93 aan verschotten (griffiegeld en dagvaardingskosten) en € 3.129,- aan het salaris van de advocaat (3,5 punten x € 894,-).

In reconventie:

III. Wijst af de vordering in reconventie van [gedaagde sub 1].

IV. Veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan IDM van de kosten van de procedure in reconventie. Die kosten worden aan de zijde van IDM begroot op een bedrag van € 452,- als kosten aan de zijde van de advocaat.

In het incident:

V. Veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling aan IDM van de kosten in het incident. De kosten aan de zijde van IDM worden begroot op € 452,-.

Zowel in conventie, in reconventie als in het incident:

VI. Verklaart de veroordelingen sub I., sub II., sub IV. en sub V. uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en op woensdag 29 augustus 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.