Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX8015

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
12 / 177 WABOA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij verweerder is een aanvraag ingediend die ziet op een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting’ als bedoeld in art. 2.1 lid 1, aanhef en onder e, sub 2 Wabo. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van onlosmakelijke samenhang in de zin van art. 2.7 Wabo met de activiteit ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ als bedoeld in art. 2.1 lid 1, aanhef en onder c Wabo. Een vergunning voor deze activiteit is niet aangevraagd. Verweerder heeft aanvrager echter niet in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen maar heeft zelf de aanvraag geduid als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Ter zitting heeft verweerder in dit verband gesteld dat op voorhand duidelijk was dat deze vergunning zou worden geweigerd, zodat het vanuit een oogpunt van klantvriendelijkheid niet opportuun was de aanvraag te laten aanvullen, gelet op de daarmee gepaard gaande kosten voor aanvrager. Hoewel de handelwijze van verweerder niet onbegrijpelijk is, is deze wel onjuist. Verweerder moet bezien of de aanvraag voorziet in alle onlosmakelijk samenhangende activiteiten. Indien in de aanvraag een activiteit ontbreekt, kan toepassing gegeven worden aan art. 4:5 Awb en wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen. Wordt de aanvraag niet aangevuld, dan kan besloten worden de aanvraag buiten behandeling te laten. Vorenstaande lijdt uitzondering indien sprake is van de combinatie bouwen en strijd met het bestemmingsplan. Op grond van art. 2.10 lid 2 Wabo geldt dat een aanvraag om te bouwen tevens wordt aangemerkt als een aanvraag voor een planologisch strijdig gebruik als bedoeld in art. 2.1 lid 1, aanhef en onder c Wabo. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Een aanvraag voor de activiteit “bouwen” is niet gedaan.

Met het thans bestreden besluit is verweerder, zoals ook door eiser is gesteld, buiten de grondslag van de aanvraag getreden. Het besluit kan om die reden niet in stand blijven.

Verweerder zal, indien hij meent dat sprake is van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, eiser alsnog in de gelegenheid moeten stellen zijn aanvraag aan te vullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5734
M en R 2012/155 met annotatie van J.H.G. van den Broek
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 12 / 177 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

Eiser,

wonende te Bornerbroek, eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Paalman, advocaat te Almelo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo,

verweerder.

derde-belanghebbende:

Openbaar Lichaam Regionaal Bedrijventerrein Twente,

gemachtigde: mr. P.L.G. Haccou, advocaat te Arnhem.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 januari 2012.

2. Procesverloop

Bij aanvraag, ingekomen 30 juni 2011, heeft Maatschap Stamsnijder verweerder verzocht haar een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een luchtwasser bij een varkensstal op het perceel Wolbeslanden 9a te Bornerbroek. Dit perceel is in eigendom bij Openbaar Lichaam Regionaal Bedrijventerrein Twente en wordt door eiser gepacht.

Bij brief van eveneens 30 juni 2011 is de aanvraag gewijzigd ingediend, in die zin dat niet de maatschap Stamsnijder maar Eiser in persoon als aanvrager heeft te gelden.

Het ontwerpbesluit tot weigering van de gevraagde vergunning heeft van 9 november tot 21 december 2011 ter inzage gelegen. Onder meer eiser heeft (bij brief van 7 december 2011) een zienswijze kenbaar gemaakt.

Bij besluit van 17 januari 2012 (het primaire alsmede het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

Hiertegen heeft eiser bij fax van 22 februari 2012 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Het beroep is gevoegd behandeld met de zaak met procedurenummer 12/178 ter openbare zitting van de rechtbank van 21 juni 2012. Eiser is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd en door J.P. Gelevert en H.D. Radstaak, werkzaam als bedrijfsadviseurs bij For Farmers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B. Tapper en A.W.M. ten Doeschot, werkzaam bij de gemeente Almelo. Derde-belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Hoogenberg, bijgestaan door mr. B. Veldman, kantoorgenoot van mr. P.L.G. Haccou.

Na het sluiten van het onderzoek zijn de gevoegd behandelde zaken weer gesplitst.

3. Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de maatschap Stamsnijder als aanvraagster heeft aangemerkt. Ter zitting is door verweerder gesteld dat dit een omissie betreft en dat, gezien de brief van 30 juni 2011, als aanvrager heeft te gelden Eiser. Het bestreden besluit moet dan worden geacht aan hem te zijn gericht. Gelet hierop zal ook de rechtbank hiervan uitgaan en bestaat geen reden eiser niet in zijn beroep te ontvangen.

De rechtbank stelt verder vast dat de aanvraag ziet op een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, ten tweede van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van onlosmakelijke samenhang ex artikel 2.7 van de Wabo met de activiteit ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo. Een vergunning voor deze activiteit is niet aangevraagd. Verweerder heeft aanvrager echter niet in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen maar heeft zelf de aanvraag geduid als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Ter zitting heeft verweerder in dit verband gesteld dat op voorhand duidelijk was dat deze vergunning zou worden geweigerd, zodat het vanuit een oogpunt van klantvriendelijkheid niet opportuun was de aanvraag te laten aanvullen, gelet op de daarmee gepaard gaande kosten voor aanvrager.

Hoewel de handelwijze van verweerder niet onbegrijpelijk is, is deze wel onjuist. Verweerder moet bezien of de aanvraag voorziet in alle onlosmakelijk samenhangende activiteiten. Indien in de aanvraag een activiteit ontbreekt, kan toepassing gegeven worden aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht en wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen. Wordt de aanvraag niet aangevuld, dan kan besloten worden de aanvraag buiten behandeling te laten. Vorenstaande lijdt uitzondering indien sprake is van de combinatie bouwen en strijd met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo geldt dat een aanvraag om te bouwen tevens wordt aangemerkt als een aanvraag voor een planologisch strijdig gebruik als bedoeld in art. 2.1 lid 1 sub c Wabo. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Een aanvraag voor de activiteit “bouwen” is niet gedaan.

Met het thans bestreden besluit is verweerder, zoals ook door eiser is gesteld, buiten de grondslag van de aanvraag getreden. Het besluit kan om die reden niet in stand blijven.

Verweerder zal, indien hij meent dat sprake is van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, eiser alsnog in de gelegenheid moeten stellen zijn aanvraag aan te vullen.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot het toepassen van een bestuurlijke lus. Daartoe is mede bepalend dat de omvang van het geding na nadere besluitvorming op voorhand niet kan worden bepaald. De wijze waarop verweerder opnieuw zal beslissen op de aanvraag van eiser is immers mede afhankelijk van de opstelling van eiser zelf. Ingeval de aanvraag niet wordt aangevuld, zal verweerder de aanvraag bovendien mogelijk buiten behandeling te stellen, waarna de bezwaarprocedure dient te volgen.

De rechtbank staat hiermee wel voor een dilemma. Ondanks de omstandigheid dat ook eiser zelf er op heeft gewezen dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn aanvraag aan te vullen, beseft de rechtbank dat eiser met deze uitspraak niet is gebaat. Zijn bedrijf dient op korte termijn te voldoen aan het Besluit huisvesting en, wil hij zijn bedrijf kunnen voortzetten, dan zal hij in dit verband maatregelen dienen te nemen. Om richting te geven aan het door verweerder te nemen besluit, zal de rechtbank om die reden –thans geheel ten overvloede – toch enkele inhoudelijke opmerkingen plaatsen.

De gevraagde vergunning ziet op het plaatsen van luchtwassers. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2012, LJN BV1834, dient daarbij in ogenschouw te worden genomen of de luchtwassers in bouwkundig opzicht een afzonderlijke aanvulling vormen op de varkensstal en om die reden niet als onderdeel van de stal kunnen worden aangemerkt. Als dit het geval is dient de luchtwasser, afhankelijk van de vraag of deze op betrekkelijk eenvoudige wijze door mensen kan worden betreden, als bouwwerk dan wel als gebouw te worden aangemerkt. In die situatie is voor het plaatsen van de luchtwasser tevens vergunning nodig voor de activiteit “bouwen” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

Voorgaande heeft ook gevolg voor de wijze van toetsing van de aanvraag. Indien sprake is van bouwen, is niet zozeer het gebruiksovergangsrecht van toepassing, maar het bouwovergangsrecht zoals opgenomen in artikel 22 van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan ”Regionaal bedrijventerrein Twente”. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij op voorhand niet vermag in te zien dat het plaatsen van luchtwassers leidt tot een gebruiksverandering in planologisch relevante zin. Het plaatsen van luchtwassers wijzigt weliswaar het stalsysteem, maar wijzigt niet het planologische gebruik.

Mocht verweerder zich op het standpunt (blijven) stellen dat sprake is van een zodanige wijziging van het gebruik dat geen sprake meer is van bescherming door het gebruiksovergangsrecht, dan zal verweerder moeten bezien of aanleiding bestaat om van het bestemmingsplan af te wijken. Daarbij zal het zich rekenschap moeten geven van de omstandigheid dat eiser zijn bedrijf op grond van het overgangsrecht mag voortzetten, dat hij met de eigenaar van het perceel in onderhandeling is omtrent de hoogte van een schadeloosstelling bij een bedrijfsbeëindiging en dat hij zich thans geconfronteerd ziet met nadere eisen die voortvloeien uit het Besluit huisvesting. Wordt hij niet in de gelegenheid gesteld aan deze nadere eisen te voldoen, dan wordt zijn bedrijf de facto “de nek omgedraaid” nog voordat de onderhandelingen over de schadeloosstelling (dan wel een onteigeningsprocedure) tot een einde zijn gebracht. Verdere onderhandelingen lijken dan zinledig.

De rechtbank acht het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten voor rechtsbijstand, welke worden bepaald op

€ 655,50 (één punt ad € 437,-, voor het opstellen van het beroepschrift en € 218,50 voor het bijwonen van de zitting). In dit verband acht de rechtbank van belang dat deze zaak gelijktijdig ter zitting is behandeld met de zaak met procedurenummer 12/178, waarbij dezelfde gemachtigde optrad en dezelfde problematiek speelde, zij het naar aanleiding van een andere aanvraag met een andere aanvrager. Verdeling van de te vergoeden proceskosten voor het bijwonen van de zitting over beide zaken acht de rechtbank om die reden aangewezen. Deze kosten zijn forfaitair bepaald op € 437,- zodat per zaak € 218,50 kan worden toegekend. Voorts dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 17 januari 2012;

- veroordeelt verweerder in de kosten van dit geding, te bepalen op € 655,50 aan kosten van rechtsbijstand;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 156,- vergoedt;

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.E.M. Lever, griffier.

De griffier, De rechter,

De griffier is buiten staat te tekenen.

Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op