Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX6698

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
120047 ha za 11-352
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen stuiting van de verjaring van een gepretendeerde rechtsvordering. De verzonden stuitingsbrieven voldoen niet aan het vereiste minimumniveau van duidelijkheid om de brieven te kunnen aanmerken als stuitingshandelingen conform artikel 3:317 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/265

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 120047 ha za 11-352

datum vonnis: 15 augustus 2012 (wh)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de stichting

Stichting Ex Aequo et Bono,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

verder aan te duiden als de Stichting,

advocaat: mr. P.W.L. Russell te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Reggeborgh Participaties B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Rijssen,

gedaagden,

verder ook gezamenlijk aan te duiden als [gedaagde],

advocaat: mr. N.P.M. Haas te Enschede.

1. Het procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- dagvaarding met producties,

- akte overlegging producties zijdens de Stichting,

- conclusie van antwoord met producties,

- de conclusie van repliek met producties,

- de conclusie van dupliek met producties,

- akte uitlating producties, tevens akte overlegging producties, zijdens de Stichting,

- akte houdende uitlating producties zijdens [gedaagde].,

- akte overlegging producties zijdens de Stichting.

1.2. Na het wisselen van deze processtukken hebben partijen hun standpunten door hun advocaten doen bepleiten op 15 mei 2012. Zij hebben hun pleitnota’s overgelegd, waarbij de Stichting ook producties heeft gevoegd. De datum van de uitspraak is toen vastgesteld op vandaag.

2. De vordering

2.1. De Stichting heeft, voor zover hier van belang, het volgende gesteld.

2.2. ‘World Online B.V.’ (verder: WOL) is een internet service provider, opgericht in 1994. Mevrouw Nina S. was één van de grondleggers van WOL en tevens voorzitter van de Raad van Bestuur en grootaandeelhouder van WOL. Ook Reggeborgh Participaties B.V. was een grote aandeelhouder. Op 22 februari 2000 heeft WOL het voornemen bekend gemaakt om kapitaal te verwerven door middel van een beursgang en het daartoe (laten) uitbrengen van een IPO (initial public offer).

2.3. In die periode hebben Reggeborgh en [gedaagde] aan S., onder meer voor haar actieve medewerking aan de IPO, een IPO-bonus toegezegd van 1,5% van het aandelenkapitaal in WOL en heeft [gedaagde] toegezegd er persoonlijk voor te zorgen, dat deze uitkering aan S. op de juiste wijze in het prospectus zou worden vermeld. Deze toezegging is door S. terstond aanvaard.

2.4. Bij correcte nakoming van de door S. met [gedaagde] gesloten overeenkomsten had S. op 17 maart 2000 1,5% van de aandelen WOL gekregen, te weten 4.248.406 aandelen met een waarde van tenminste € 43,- per aandeel, dus met een totale waarde van tenminste € 182.681.479,-.

2.5. [gedaagde]. zijn toerekenbaar tekortgeschoten in het nakomen van voormelde, op hen rustende, verplichtingen. S. heeft geen 1,5% van de WOL-aandelen ontvangen en die uitkering is ook niet in het prospectus vermeld. Op grond dat tijdige nakoming van deze verplichtingen is uitgebleven, vordert S. ingevolge artikel 6:74 BW vergoeding van de door haar als gevolg van die niet-nakoming geleden schade.

2.6. Bij onderhandse akte van 9 oktober 2010 heeft S. haar vordering op [gedaagde]. overgedragen aan de Stichting. Deze cessie is aan [gedaagde]. meegedeeld bij brief van

9 november 2010.

2.7. Op grond van het voorgaande vordert de Stichting om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen:

- tot betaling van € 182.681.479,-, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag van de datum van dagvaarding (12 april 2012) tot aan de dag van algehele betaling, en

- tot betaling van de kosten van dit geding (waaronder de kosten van het door de Stichting ten laste van gedaagden te leggen conservatoire beslag en de taxe betaald in het kader van het voorlopig getuigenverhoor), te vermeerderen met de nakosten ten belope van vooralsnog € 131,-, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en

– voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3. Het primaire verweer

3.1. [gedaagde] hebben de vordering en de daaraan door de Stichting ten grondslag gelegde stellingen in alle onderdelen gemotiveerd betwist.

3.2. Zij beroepen zich primair op verjaring van de vordering op grond van artikel 3:310 BW. Zij stellen dat de vordering op 17 maart 2005 is verjaard door het verstrijken van de op

18 maart 2000 aangevangen verjaringstermijn van vijf jaren.

3.3. De Stichting neemt het standpunt in dat de verjaring is gestuit door de op 2 maart 2005 door de toenmalige advocaat van S. aan de advocaat van Reggeborgh en aan [gedaagde] toegezonden brieven, die (voor zover hier van belang) luiden als volgt:

“Gebleken is van mogelijke onvolkomenheden rondom de IPO van WOL en gebeurtenissen die daarmee verband houden, en die tot schade aan de zijde van cliënten hebben geleid c.q. zouden kunnen leiden. Reggeborgh Participaties B.V. is hiervoor (mogelijk) verantwoordelijk en aansprakelijk.

Door middel van deze brief stuiten cliënten, mw. Nina B., Kalexer II N.V. en

Brains International N.V. dan ook de verjaring van al hun mogelijke rechtsvorderingen jegens Reggeborgh Participaties B.V. naar aanleiding van en/of in verband met de IPO van WOL.”

3.4. De Stichting wijst er op dat de mededeling van een stuiting niet nauwkeurig de vordering of de juridische grondslag daarvan hoeft te vermelden. Voldoende was dat, zoals in de stuitingbrieven staat, S. een vordering had, onder vermelding van de feitelijke reden daarvoor. De stuiting had betrekking op alle vorderingen van S. en haar vennootschappen, voortvloeiend uit de onvolkomenheden van de IPO van WOL.

[gedaagde] hebben dat ook begrepen. Zij wisten dat de jaren na de beursgang een heksenketel waren, en dat alle betrokkenen bij de beursgang van WOL elkaar over en weer verwijten maakten. De stuitingbrieven uit 2005 lieten voor [gedaagde]. dan ook aan duidelijkheid niets te wensen over: de verjaring van alle rechtsvorderingen, waaronder dus ook nakoming van vergoedingsafspraken, is gestuit. [gedaagde] konden daaruit begrijpen dat zij eventueel bewijsmateriaal met betrekking tot die vordering dus moesten bewaren.

3.5. [gedaagde] stellen hier tegenover dat de brieven de verjaring niet hebben kunnen stuiten, omdat de inhoud daarvan niet voldoet aan de door de wet en de rechtspraak aan een stuitingshandeling gestelde eisen. [gedaagde] hebben uit de brieven van 2 maart 2005 niet begrepen, en hoefden ook niet te begrijpen, dat S. haar rechten voorbehield op de vordering, waarvan de Stichting in dit geding nakoming eist.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank dient eerst te onderzoeken of, zoals [gedaagde] hebben gesteld, de vordering is verjaard. Als dat het geval is, moet de eis aanstonds worden afgewezen en komen de overige verweren niet aan de orde.

4.2. Partijen verschillen niet van mening over de aanvang van de verjaringstermijn op

18 maart 2000, en zij zijn het er ook over eens dat die termijn ingevolge artikel 3:310 BW zou aflopen op 17 maart 2005, behoudens stuiting van de termijn vóór het einde daarvan. Met betrekking tot het op verjaring gebaseerde verweer staat slechts ter discussie of de hiervoor geciteerde brieven van 2 maart 2005 de verjaringstermijn hebben gestuit op de voet van artikel 3:317 BW.

4.3. Volgens die bepaling wordt de verjaring van een rechtsvordering gestuit door (voor zover hier van belang) “een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt”. Voor de interpretatie en toepassing van deze regel geldt op grond van de jurisprudentie en de rechtsgeleerde literatuur het volgende kader.

4.4. In zijn arrest van 14 februari 1997 (NJ 1997, 244) overwoog de Hoge Raad: “Die woorden (namelijk ‘een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt’) moeten worden begrepen in het licht van een stuitingshandeling van deze aard, welke (….) neerkomt op een – voldoende duidelijke – waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegeven en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren’.

4.5. In zijn arrest van 8 oktober 2010 (NJ 2010, 545) verduidelijkte de HR de eisen, waaraan de in artikel 3:317 BW genoemde ‘schriftelijke mededeling’ moet voldoen als volgt: “Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is (…) noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in elk geval vereist dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren. Met zijn oordeel dat in dit geval niet mocht worden volstaan met een ‘zeer algemene aanduiding’ van de vordering heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat Chipshol Forward uit de stuitingsexploten redelijkerwijs niet heeft behoeven te begrijpen dat Tan c.s. meenden (ook) een vordering uit onverschuldigde betaling in verband met overtreding van effectenrechtelijke voorschriften jegens haar te hebben.”

4.6. Advocaat-Generaal Huydecoper schreef in zijn conclusie voor het arrest van de HR d.d. 9 april 2010 (NJ 2010, 214) onder meer: “De rechtszekerheid verlangt dat met enige eenvoud en helderheid kan worden vastgesteld, wat wel en niet een beroep op stuiting kan onderbouwen. (….) hier (is) een wezenlijk andere beoordeling aan de orde (…) dan gewoonlijk het geval is in zaken waarin de maatstaf uit het bekende Haviltex-arrest moet worden toegepast. De hier bedoelde ‘Haviltex’-maatstaf wordt nagenoeg altijd toegepast op contractuele bepalingen waarvan de strekking niet meteen duidelijk is – oftewel op bepalingen die niet aan de kwalificatie ‘ondubbelzinnig’ beantwoorden. Van dergelijke bepalingen wordt dan, aan de hand van deze maatstaf, vastgesteld welke betekenis daaraan door redelijke partijen in de gegeven situatie moet, of zou worden toegekend. (….) Wat men daar als beoordelaar doet is iets wezenlijk anders dan wat bij toepassing van artikel 3:317 BW gevraagd wordt. (….) De wet (…) strekt (ertoe) dat de stuitingshandeling aan een minimumniveau van duidelijkheid moet voldoen om als zodanig te kunnen worden aangemerkt.”

4.7. Toetsing van de brieven van 2 maart 2005, waarop de Stichting zich beroept, aan het hiervoor geschetste juridische kader leidt de rechtbank tot de volgende conclusie.

Voor een rechtsgeldige stuiting op 2 maart 2005 door S. van de vorderingen, zoals de Stichting in dit geding heeft ingesteld, was vereist dat de brieven een duidelijke waarschuwing aan [gedaagde]. inhielden dat zij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moesten houden dat zij de beschikking zouden houden over gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen deze dan mogelijkerwijs alsnog door S. in te stellen vorderingen, behoorlijk konden verweren. De brieven voldoen niet aan dit vereiste.

4.8. Voor stuiting der verjaring door middel van de op 2 maart 2005 verzonden brieven was nodig dat voor [gedaagde] kenbaar was dat in de brieven werd gedoeld op de in dit geding ingestelde vorderingen van S.. Die kenbaarheid blijkt echter niet uit die brieven. Ten eerste werden deze brieven niet alleen verstuurd namens S. (toen B.), maar ook namens Kalexer II N.V. en Brains International N.V. De brieven strekten blijkens hun inhoud tot stuiting van de verjaring van al hun (dus zowel van B. als van Kalexer II en van Brains) mogelijke rechtsvorderingen jegens Reggeborgh Participaties B.V. naar aanleiding van en/of in verband met de IPO van WOL. De stuitingsbrieven specificeerden dus niet dat het ging om een vordering van B. (S.) op Reggeborgh.

4.9. Ten tweede bevatten de brieven blijkens hun inhoud geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de beoogde stuiting betrekking had op de in dit geding ingestelde eis tot nakoming van een verbintenis tot betaling van schadevergoeding wegens niet-nakoming van een contractuele verplichting tot het overdragen van 1,5% van de aandelen WOL door Reggeborgh aan S.. De brieven van 2 maart 2005 noemen zo’n verbintenis in het geheel niet. Voor [gedaagde] was uit die brieven dan ook niet kenbaar dat S. meende jegens hen een vordering tot schadevergoeding te hebben wegens niet-nakoming van een contractuele verplichting tot overdracht aan S. van 1,5% van de aandelen WOL.

4.10. Aan [gedaagde] kan niet de eis worden gesteld dat zij desondanks uit de bewoordingen van de brieven hadden kunnen en moeten begrijpen dat daarin werd gedoeld op een verbintenis in verband met een overeengekomen overdracht van 1,5% van de aandelen WOL. De ‘Haviltex’-maatstaf is niet van toepassing op toetsing van een stuitingshandeling aan de in artikel 3:317 BW gestelde eisen. De inhoud van de brieven van 2 maart 2005 voldoet niet aan het vereiste minimumniveau van duidelijkheid om de brieven te kunnen aanmerken als stuitingshandelingen conform artikel 3:317 BW.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat de vordering is verjaard door het verstrijken van de op

18 maart 2000 aangevangen verjaringstermijn van vijf jaar, welke termijn niet is gestuit door de stuitingsbrieven van 2 maart 2005.

4.12. Hieruit volgt dat de vordering niet kan worden toegewezen. De door de Stichting aan de eis ten grondslag gelegde en door [gedaagde] betwiste feiten en de overige door [gedaagde] gevoerde verweren, moeten daarom onbesproken blijven.

4.13. De Stichting dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank

I. Wijst de vorderingen af.

II. Veroordeelt de Stichting in de kosten van deze procedure, aan de zijde van

[gedaagde] tot deze uitspraak begroot op € 3.537,- voor verschotten en op € 12.844,-

(vier punten, Tarief VIII) als salaris van hun advocaat.

III. Verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Hangelbroek, Verhoeven en Vermeulen, en op woensdag 15 augustus 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.