Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX5019

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
11 / 977 WW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1912, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft buiten behandeling stellen van aanvraag bouwvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 11 / 977 WW44

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haaksbergen,

gevestigd te Haaksbergen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een bouwvergunning buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 26 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 13 juli 2012. Eiser is verschenen, daarbij vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Harbers. Verweerder is eveneens verschenen, vertegenwoordigd door mr. I.A.H. Horck en G.J.M. Willemsen.

Overwegingen

1. In dit geschil staat de vraag centraal of verweerder op goede gronden heeft besloten om de aanvraag van eiser om een bouwvergunning buiten behandeling te stellen. Eiser stelt dat de bouwvergunning van rechtswege is verleend omdat verweerder de beslistermijn van twaalf weken heeft laten verstrijken. Volgens eiser was verweerder na ommekomst van deze termijn niet meer gerechtigd om nog om aanvullende stukken te verzoeken, zodat hij niet verplicht was om aan het verzoek van verweerder gevolg te geven. Eiser verwijst in dat verband tevens naar een brief uit 2008 waarin verweerder aan eiser heeft meegedeeld dat het schetsplan in overeenstemming was met het bestemmingsplan.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser heeft op 17 juni 2008 een schetsaanvraag ingediend voor het oprichten van een rijhal met paardenstallen op het perceel [adres] te [plaatsnaam]. Verweerder heeft per brief van 15 oktober 2008 aan eiser meegedeeld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat hij over kan gaan tot het indienen van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning.

3. Op 30 september 2010 heeft verweerder een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ontvangen van eiser voor het oprichten van een rijhal met paardenstallen op het perceel [adres] te [plaatsnaam]. De aanvraag, inclusief het bouwplan, is gelijk aan de schetsaanvraag van 17 juni 2008. Onder gebruik van het bouwwerk heeft aanvrager ‘agrarisch’ vermeld.

4. Eiser heeft op 17 februari 2011 een brief geschreven aan verweerder. In deze brief schrijft eiser dat hij niets heeft vernomen van verweerder omtrent de aanvraag. In een brief van verweerder van 23 maart 2011 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het dossier was zoekgeraakt. Voorts heeft verweerder om toezending van een bedrijfsplan verzocht ten einde te kunnen beoordelen of het bouwplan ten dienste staat van bestemming. Op 14 april 2011 heeft verweerder meegedeeld aan eiser dat hij niet heeft voldaan aan het verzoek om aanvullende informatie en dat de aanvraag conform artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling is gesteld.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (Wonw) bepaalt dat het verboden is om te bouwen zonder vergunning. Op grond van artikel 46, eerste lid onder b, van de Wonw is het college van B&W verplicht om binnen twaalf weken een besluit te nemen op een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning. Het derde lid van hetzelfde artikel maakt hierop een uitzondering in het geval de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. In dat geval moet de aanvraag tevens worden aangemerkt als een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder c van de van de Wet ruimtelijke ordening.

7. Artikel 4:5, eerste lid aanhef en onder c van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten om een aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag aan te vullen.

8. Tussen partijen is niet in geding dat verweerder niet binnen twaalf weken op de aanvraag om een reguliere bouwvergunning heeft besloten. De rechtbank dient te beoordelen of de aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Indien dat het geval is een vergunning van rechtswege verleend. Indien dat niet het geval is, is de aanvraag voor een bouwvergunning automatisch ook een aanvraag om ontheffing van het bestemmingsplan. Er is geen wettelijke bepaling die verweerder ertoe verplicht om aan een aanvrager binnen de twaalf weken termijn mededeling te doen van de vaststelling dat een aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan.

9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij de beoordeling van een bouwplan niet slechts onderzocht worden of het gebouwde overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch ook of het met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het beoogde gebruik vormt reden om een bouwvergunning te weigeren indien valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming.

10. Op het perceel [adres] is het bestemmingsplan Buitengebied van toepassing. Het perceel heeft de bestemming agrarisch cultuurgebied. Op percelen met deze bestemming mogen ingevolge artikel 3 van het bestemmingsplan uitsluitend gebouwen worden gebouwd ten dienste van het agrarisch bedrijf. Van de definitie van agrarisch bedrijf in het bestemmingsplan is een gebruikersgerichte paardenhouderij (manege) expliciet uitgezonderd.

11. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat twijfel bestaat over het beoogde gebruik van de rijhal met paardenstallen. Volgens verweerder is niet duidelijk of eiser het gebouwde als paardenfokkerij of als manege zal gebruiken. Verweerder stelt daartoe dat het bouwplan een grote rijhal met een serie paardenstallen betreft. Indien het een paardenfokkerij zou betreffen, had het volgens verweerder meer voor de hand gelegen om geen of een kleinere rijhal te bouwen en extra ruimtes te plannen voor bijvoorbeeld de dierenarts. Ten tweede heeft verweerder verwezen naar een rapportage in het kader van de Wet milieubeheer van 1 maart 2010 waarin staat dat eiser melding heeft gemaakt van 24 volwassen paarden. Verweerder is van oordeel dat indien het bouwplan betrekking zou hebben op een paardenfokkerij, de melding tevens betrekking zou hebben gehad op onvolwassen paarden. Ten derde heeft verweerder verwezen naar gewijzigde beleidsinzichten bij verweerder. Hierdoor worden aanvragen om een bouwvergunning na 2008 strenger gecontroleerd teneinde tegen te gaan dat maneges worden opgericht in gebieden die bestemd zijn voor agrarisch gebruik. Als laatste heeft verweerder verwezen naar de brief van eiser van 17 februari 2011 waarin hij zelf melding gemaakt van het oprichten van een manege.

12. De rechtbank is van oordeel dat het bouwplan en de rapportage in het kader van de Wet milieubeheer voldoende aanleiding geven om aan te nemen dat eiser het beoogde gebouw niet of niet uitsluitend zal gebruiken overeenkomstig de bestemming. Verweerder heeft dan ook terecht eiser in de gelegenheid gesteld om door middel van aanvullende informatie aannemelijk te maken dat het gebruik wel conform het bestemmingsplan zal plaatsvinden. Dat dit verzoek is gedaan na ommekomst van de twaalf weken termijn doet niet terzake. Een vergunning van rechtswege ontstaat slechts indien het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. De strijdigheid van het beoogde gebruik met het bestemmingsplan of de twijfel daaromtrent vindt zijn grond in feiten en omstandigheden (het bouwplan en de rapportage in het kader van de Wet milieubeheer) die zich hebben voorgedaan voor het verstrijken van de twaalf weken termijn. De beroepsgrond dat sprake is van een van rechtswege verleende bouwvergunning slaagt niet.

13. Verweerder heeft door de verwijzing naar de rapportage in het kader van de Wet milieubeheer en het gewijzigde beleidsinzicht afdoende gemotiveerd waarom in 2008 de schetsaanvraag in overeenstemming werd geacht met het bestemmingsplan en waarom in het kader van de beoordeling van de aanvraag om een reguliere bouwvergunning twijfel omtrent de conformiteit met het bestemmingsplan is ontstaan. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin.

14. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Het beroep van eiser zal derhalve ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank Almelo,

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Aldus gegeven door R.J. Jue, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op

griffier, rechter,

Afschrift verzonden op

wn