Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX5009

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
11/1052 WABOA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft (gedeeltelijke) intrekking milieuvergunning voor werktuigenberging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3086

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 11/1052 WABOA

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:-

[naam] e.a.,

wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, werkzaam bij Milieu-adviesbureau Middelkamp te Almelo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente,

verweerder,

Vergunninghoudster:

[naam] B.V., gevestigd te [plaatsnaam],

gemachtigde: mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 21 juli 2011.

2. Procesverloop

Op 18 november 2010 heeft [naam] BV (hierna: MFB) verzocht om intrekking van een deel van de aan haar op 27 maart 2007 verleende milieuvergunning. Het betreft een werktuigenberging. Verweerder heeft het verzoek bij besluit van 21 juli 2011, verzonden 26 juli 2011, ingewilligd onder ongegrondverklaring van de tegen het ontwerpbesluit tot intrekking ingebrachte zienswijzen. Het besluit is op 3 augustus 2011 gepubliceerd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit op 14 september 2011 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 28 oktober 2011 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 5 juli 2012 hebben eisers de gronden van het beroep aangevuld en stukken overgelegd.

Het beroep is, gevoegd met de beroepen met procedurenummers 12/83, 12/251 en 12/297, behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 16 juli 2012, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Boonstra, drs. M.G.B. Kamst en K. Arkink, werkzaam bij de gemeente Hof van Twente. MFB heeft zich doen vertegenwoordigen door [naam], ing. R.B.M. Aagten en gemachtigde voornoemd. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

3. Overwegingen

Verweerder heeft op 27 maart 2007 aan MFB een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor een varkensfokkerij aan de [adres] te [plaatsnaam]. De beroepen tegen deze vergunning zijn bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) van 2 april 2008 voor een deel gegrond verklaard, waarbij de ABRS zelf in de zaak heeft voorzien, en voor het overige ongegrond. De vergunning is niet in werking getreden omdat het oprichten of veranderen van de inrichting voor zover betrekking hebbend op de werktuigenberging tevens is aan te merken als bouwen en niet een vergunning voor de bouw van de werktuigenberging is verleend.

Op grond van artikel 1.2, eerste lid, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in de daar genoemde gevallen een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer aangemerkt als een omgevingsvergunning. Op grond van artikel 1.2a van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 1.2, eerste lid, van overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) onherroepelijk is, maar in verband met het bepaalde in artikel 20.8 van de Wet milieubeheer nog niet in werking is getreden.

Op grond van artikel 2.33, derde lid, van de Wabo trekt het bevoegd gezag, voor zover intrekking betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts gedeeltelijk in als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Eisers menen dat het belang van de bescherming van het milieu zich verzet tegen het gedeeltelijk intrekken van de vergunning. Zij voeren daartoe gronden aan die betrekking hebben op geluid, lichthinder en luchtkwaliteit. Verweerder meent dat het belang van het milieu juist gediend is met het gedeeltelijk intrekken van de vergunning.

Eisers stellen dat intrekking van de vergunning er toe zal leiden dat de geluidbelasting op de gevels van hun woningen zal toenemen. Dat betreft dan zowel de piekgeluidbelasting als het gemiddeld geluidsniveau. Reden van de toename is dat door het niet realiseren van de werktuigenberging de mogelijkheid bestaat dat op die plek vrachtwagens zullen rijden. In de geluidsrapportages is daarmee geen rekening gehouden. Verweerder heeft “Know how Acoustics” een onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van het achterwege blijven van de werktuigenberging. Uit dit onderzoek is gebleken dat de geluidsvoorschriften onder representatieve bedrijfsomstandigheden niet worden overschreden. Eisers hebben daar geen gronden tegen aangevoerd zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van het onderzoek. Verder maken de aanvraag en het akoestisch rapport die hebben geleid tot de in 2007 verleende vergunning deel uit van de omgevingsvergunning zodat alleen de transportbewegingen die daarin zijn opgenomen vergund zijn. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat het ook niet voor de hand ligt dat op het deel van het perceel waarop de werktuigenberging zou worden gerealiseerd vervoersbewegingen zullen plaatsvinden, gelet op de inrichting van het perceel en de laad- en losplaatsen. De rechtbank concludeert dat verweerder heeft kunnen overwegen dat niet aannemelijk is dat de geluidbelasting zal toenemen als gevolg van het niet realiseren van de werktuigenberging.

Gelet op de vergunde transportbewegingen, de inrichting van het perceel en de situatietekening die verweerder in het geding heeft gebracht, acht de rechtbank het niet onjuist dat verweerder heeft aangenomen dat geen lichthinder ontstaat als gevolg van het niet realiseren van de werktuigenberging. Dat sprake zou zijn van toename van luchtverontreiniging hebben eisers op geen enkele wijze onderbouwd, zodat ook deze grond niet kan leiden tot de conclusie dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot intrekking van de vergunning.

Eisers hebben op 5 juli 2012 nog aanvullende gronden ingebracht. De rechtbank kan echter niet inzien op welke wijze deze gronden tot de conclusie zouden moeten leiden dat verweerder in strijd met het recht besloten heeft tot intrekking van de vergunning.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink als voorzitter, en mrs. J.H. Keuzenkamp en S.A. van Hoof als leden, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op

wn