Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX4743

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
130268 / KG ZA 12-144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gevorderde ontruiming kraakpand toegestaan. Dat ontruiming leidt tot ongerechtvaardigde leegstand, zoals aangevoerd door gedaagden, lijkt vooralsnog niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 130268 / KG ZA 12-144

datum vonnis: 15 augustus 2012

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

het publiekrechtelijk lichaam

Gemeente Hengelo (O),

gevestigd te Hengelo,

eiseres,

verder te noemen de gemeente,

advocaat: mr. M. Douwenga te Enschede,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Hengelo,

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde sub 1],

advocaat: mr. T.H. Dijkstra te Zwolle,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Hengelo,

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde sub 2],

in persoon verschenen.

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Hengelo,

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde sub 3]

niet in rechte verschenen

1. De procedure

1.1 De gemeente heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 1 augustus 2012. Ter zitting zijn namens de gemeente verschenen [P] en [T], bijgestaan door mr. M. Douwenga. Tevens is [gedaagde sub 1] verschenen, bijgestaan door mr. T.H. Dijkstra. [Gedaagde sub 2] is in persoon verschenen. Op voorhand heeft de gemeente de procedure tegen [gedaagde sub 3] ingetrokken. De standpunten van partijen zijn toegelicht aan de hand van pleitnota’s en (van te voren aan de wederpartij en aan de voorzieningenrechter toegezonden) producties.

1.2 Ten slotte is vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De gemeente is eigenaar van de woning aan de [adres] te Hengelo (O) (verder: de woning). De woning is eind 2010 onbewoond geraakt, na het overlijden van de laatste huurder. Op 20 november 2011 is de woning door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gekraakt. De gemeente heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erop gewezen dat zij zonder recht of titel in de woning verblijven en een ernstige inbreuk maken op het eigendomsrecht van de gemeente. Zij heeft beiden gesommeerd de woning te verlaten en heeft twee (alternatieve) huurwoningen aan hen aangeboden. [Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben het aanbod afgewezen.

3. Het geschil

3.1 De gemeente vordert om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om de woning te verlaten en te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen en te geven, op straffe van een dwangsom. Tevens vordert de gemeente haar te machtigen om de ontruiming zelf te doen bewerkstellingen door het inschakelen van een deurwaarder en met behulp van de sterke arm, zulks op kosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Daarnaast vordert de gemeente te bepalen dat dit vonnis binnen een jaar ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich in de woning bevindt of daar binnentreedt, telkens wanneer zich dat voordoet. Tot slot vordert de gemeente [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede in de nakosten.

3.2 [Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van het gevorderde.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zonder recht of titel in de woning verblijven. Hiermee staat tevens vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich schuldig maken aan overtreding van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dat - kort gezegd - kraken als een misdrijf strafbaar stelt en dat zij reeds daarom onrechtmatig handelen jegens de gemeente, als eigenaar van de woning.

4.2 Voor zover de gemeente betoogt dat deze constateringen reeds voldoende zijn voor de toewijzing van haar vordering tot ontruiming van de woning in dit kort geding, volgt de voorzieningenrechter haar daarin niet. Gelet op het karakter van de kort gedingprocedure, als rechtsgang strekkende tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening in spoedeisende zaken (zoals in artikel 254 Rv tot uitdrukking is gebracht), is voor toewijzing tevens vereist dat de gemeente als eigenaar van de woning een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Het enkele feit dat de bewoners inbreuk maken op het eigendomsrecht van de gemeente en zich in dat kader schuldig maken aan een strafbaar feit, levert nog geen spoedeisend belang bij de ontruiming op. Van onvoldoende spoedeisend belang bij de ontruiming en van misbruik van de aan de gemeente toekomende bevoegdheid tot ontruiming kan sprake zijn indien de gevorderde ontruiming leidt tot ongerechtvaardigde leegstand. Bovendien moet inhoudelijk worden nagegaan of ontruiming op korte termijn op onevenredige wijze bijzondere belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou schaden in verhouding tot het belang van de gemeente.

4.3 Beoordeeld moet dus eerst worden of aan de door de gemeente gestelde bijkomende feiten en omstandigheden binnen de contouren als hiervoor verwoord wel een spoedeisend belang bij de ontruiming kan worden ontleend. De gemeente heeft in dit verband aangevoerd dat zij de woning op korte termijn wil gaan verkopen en dat de aanwezigheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een negatief effect op de waarde en de verkoopbaarheid van de woning heeft.

4.4 [Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen vraagtekens bij de haalbaarheid van een snelle verkoop van de woning en vragen zich zelfs af of de verkoopplannen van de gemeente wel zo concreet zijn als de gemeente dat doet voorkomen. In dat kader wijzen [gedaagde sub 1] in [gedaagde sub 2] erop dat de gemeente de woning niet op de website van Funda te koop heeft aangeboden. Ook staat volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de slechte staat van onderhoud, de aanwezigheid van asbest in de dakplaten van de schuren op het perceel van [adres], mogelijk vervuilde grond in de nabijheid van de woning en de omstandigheid dat een schuur op het perceel is verhuurd, aan snelle verkoop in de weg. [Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn van mening dat de ontruiming zal leiden tot ongerechtvaardigde leegstand. Tevens bestrijden zij dat hun aanwezigheid in de woning aan een snelle verkoop in de weg staat, aangezien een lege woning juist slechter te verkopen is. Bovendien onderhoudt [gedaagde sub 1], die als hobby houtbewerking heeft, de woning zo ver als mogelijk, en is hij – net als [gedaagde sub 2] – bereid mee te werken aan bezichtigingen. Ter zitting hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voorts nog te kennen gegeven dat zij de woning zullen ontruimen, zodra de eigenaar concrete plannen heeft met de woning.

4.5 De voorzieningenrechter heeft geen redenen om te twijfelen aan de verkoopplannen van de gemeente. De gemeente heeft in afschrift in het geding gebracht het besluit van B&W van 2 januari 2012 waarin het voornemen is vastgelegd om de woning zo spoedig mogelijk vrij van huur, pacht of ander gebruik te verkopen. Tevens is overgelegd de opdrachtbevestiging van de gemeente aan het makelaarskantoor Euverman Temmink & Partners ter zake de verkoop en de verklaring van het makelaarskantoor van 11 juli 2012 waarin wordt vastgelegd dat het pand, in de toestand waarin zich dat bevindt, in combinatie met een goede, scherpe vraagprijs, in een periode van 3 tot 6 maanden verkocht kan zijn. Het niet vermeld staan op Funda betekent vanzelfsprekend niet dat een woning niet te koop staat. Vooralsnog concludeert de voorzieningenrechter derhalve dat de gemeente er voor heeft gekozen om de woning in de huidige staat te verkopen en dat de verkopende makelaar daartoe binnen overzienbare termijn mogelijkheden ziet. Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat in twijfel trekken is niet dusdanig zwaarwegend en onderbouwd dat daarvoor het eigendomsrecht van de gemeente en haar bevoegdheid als eigenaar om de woning in ontruimde staat in de markt te zetten, moet wijken. Op dit moment is geenszins naar redelijkheid te verwachten dat ontruiming zal leiden tot ongerechtvaardigde leegstand.

4.6 De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de aanwezigheid van krakers potentiële kopers zal kunnen afschrikken. De stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat zij nette krakers zijn, in die zin dat zij de woning zo goed als mogelijk onderhouden, dat zij bereid zijn mee te werken aan bezichtigingen en dat zij bereid zijn de woning bij concrete plannen van de gemeente met betrekking tot die woning te ontruimen, doet daar niet aan af. Hetzelfde geldt voor de stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat de gemeente met betrekking tot andere woningen wel bereid is gebruiksovereenkomsten af te sluiten en zelfs een gebruiksovereenkomst had gesloten met de vorige bewoner van deze woning. De gemeente heeft als eigenaar een eigen beleidsvrijheid en, als overwogen, de bevoegdheid om thans tot verkoop van de woning te besluiten.

4.7 Waar het gaat om hun persoonlijke belang stellen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat hun belang om over de woning te kunnen blijven beschikken is gelegen in de onmogelijkheid om op een andere wijze aan betaalbare woonruimte te komen. De voorzieningenrechter kan binnen het kader van dit kort geding niet treden in de juistheid van die redenering, maar wat daar ook van zij, het kan geen argument zijn om middels eigenrichting dan maar woonruimte te kraken en de eigenaar dusdoende voor het blok te plaatsen. Behoudens het hiervoor genoemde argument zijn geen andere feiten aangevoerd die na afweging van de wederzijdse belangen tot het oordeel zouden moeten leiden dat belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], in verhouding tot die van de gemeente, op onevenredige wijze door ontruiming zouden worden geschaad.

4.8 Nu derhalve ontruiming vooralsnog niet lijkt te leiden tot ongerechtvaardigde leegstand en geen af te wegen belangen in de weg behoren te staan aan de gevorderde ontruiming, zal de vordering tot ontruiming mitsdien worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal daarbij de ontruimingstermijn bepalen als hierna verwoord opdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] enige termijn verkrijgen om andere woonruimte te vinden.

4.9 De gevorderde dwangsom zal op na te melden wijze worden gemaximeerd. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van een deurwaarder en zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, zal worden afgewezen nu dit ingevolge art. 556 lid 1 en art. 557 Rv. overbodig is.

4.10 [Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de woning aan de [adres] te Hengelo (O) uiterlijk binnen een maand na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, zulks met al het hunne en al degenen die zich hunnenwege daarin mochten bevinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per persoon per dag of dagdeel dat zij in gebreke zijn gebleven aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,-- per persoon;

II. Bepaalt dat dit vonnis binnen de in artikel 557a lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde termijn van een jaar ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich in de woning bevindt of daar binnentreedt, telkens wanneer zich dat voordoet;

III. Veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 672,17 aan verschotten en € 527,-- aan salaris van de advocaat;

IV. Veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis hebben voldaan;

VI. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 augustus 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.