Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX4554

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
130649 / KG ZA 12-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

ZGT heeft op 17 juli 2012 besloten dat met ingang van 23 juli 2012 de zorg rondom de onverwezen patiënt met letsel aan het steun- en bewegingsapparaat, de zogenaamde onverwezen traumatologie, binnen ZGT uitsluitend de verantwoordelijkheid zal zijn van de maatschap Chirurgie. OCON, de maatschap van de orthopedisch chirurgen, vordert in kort geding ongedaanmaking van dat besluit. De vordering wordt afgewezen. Het besluit kan, mede gezien de lange voorgeschiedenis, de toets van de redelijkheid doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2012/129

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 130649 / KG ZA 12-156

datum vonnis: 14 augustus 2012

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Orthopedisch Centrum Oost-Nederland B.V.,

gevestigd te Hengelo,

2. de maatschap

Maatschap Orthopedie OCON, bestaande uit:

a. [A],

b. [B],

c. [C],

d. [D],

e. [E],

f. [F],

g. [G],

h. [H],

i. [I],

j. [J],

k. [K],

l. [L],

m. [M],

gevestigd te Hengelo,

eisers,

verder gezamenlijk ook aan te duiden als ‘OCON’,

behandelend advocaat: mr. dr. L.A.P. Arends te Nijmegen,

procesadvocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

de stichting

Stichting Ziekenhuisgroep Twente,

gevestigd te Almelo,

gedaagde,

verder aan te duiden als ZGT,

gemachtigde: mr. M.G. Roessingh te Almelo.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de door ZGT overgelegde producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van OCON en de maatschap

- de pleitnota van ZGT

1.2 Tenslotte is de datum van de uitspraak vastgesteld op vandaag.

2. De feiten

2.1 Partijen hebben over en weer de volgende feiten gesteld en erkend, althans niet betwist. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van de juistheid van die feiten.

2.2. ZGT heeft een ziekenhuis met locaties in Almelo en Hengelo.

2.3. In OCON hebben zich orthopedische specialisten (verder gezamenlijk aan te duiden als ‘de orthopeden’) verenigd, die werkzaam zijn in verschillende vestigingen van ZGT.

2.4. Traumatologie is een subspecialisme van de chirurgie. Sinds 2005 is traumatologie in ZGT opgezet als een specialistische afdeling, waarin nu vijf gespecialiseerde en gecertificeerde traumachirurgen werkzaam zijn. Onderdeel van de traumatologie is de ‘onverwezen traumazorg’, die bestaat uit het verlenen van medische zorg bij acuut letsel als gevolg van rampen en ongevallen. Van een voorafgaande (door-)verwijzing van patiënten met zulke letsels is uiteraard geen sprake.

2.5. Sinds 2006 bestaat tussen de orthopeden en de traumachirurgen een discussie over hun samenwerking. Er is toen een mediator (de heer [X) ingeschakeld. Dit heeft echter niet geleid tot beëindiging van de discussie.

2.6. Onderwerp van dat voortgaande debat is onder meer, dat de orthopeden tot op heden uit hun midden geen gespecialiseerde traumaorthopeden hebben aangewezen.

2.7. Aanvankelijk werd de ‘onverwezen traumazorg’ zowel op de locatie Almelo als de locatie Hengelo uitgevoerd door de maatschappen chirurgie. Op 25 augustus 2009 is een samenwerkingsovereenkomst tussen de OCON en de chirurgen gesloten, inhoudende dat de orthopeden één week per drie weken verantwoordelijk zouden zijn voor de traumadienst op de locatie Hengelo.

2.8. Op 6 juli 2010 hebben OCON en ZGT een ‘raamovereenkomst’ gesloten, waarbij ZGT het ondernemingsonderdeel orthopedie - inclusief overname van alle op dat onderdeel werkzame medewerkers - van ZGT met betrekking tot de locatie Hengelo aan OCON verkocht. De orthopeden die werkzaam waren op de locatie Hengelo hadden vanaf dat moment geen toelatingsovereenkomst meer met ZGT, maar (slechts) met OCON.

2.9. De orthopedische zorgverlening op de locatie in Almelo werd na het sluiten van die overeenkomst nog wel uitgevoerd door orthopeden die een toelatingovereenkomst hadden met ZGT.

2.10. In november 2010 maakten de orthopeden aanspraak op de helft van de traumatologiepraktijk en op een deel van de omzet in die praktijk. Dit thema wordt in het vervolg van het debat aangeduid als ‘de volumediscussie’.

2.11. Op 1 juli 2011 zijn de maatschappen orthopedie van de locaties Almelo en Hengelo gefuseerd. ZGT en OCON hebben toen een aanvullende afspraak gemaakt, dat OCON de orthopedische zorg in Almelo zou uitvoeren met personeel en faciliteiten van ZGT.

2.12. In juli 2011 verzocht ZGT een andere mediator, mevr. [Y], om de maatschappen orthopedie en chirurgie te laten samenwerken aan kwaliteit, kwaliteitsnormen en het opstellen van gelijke protocollen.

2.13. Op 28 oktober 2011 vond een bijeenkomst plaats onder leiding van de door ZGT ingeschakelde mediator, waarbij chirurgen, orthopeden en de raad van bestuur vertegenwoordigd waren. Een vervolgbespreking zonder deelname van de raad van bestuur vond plaats op 11 november 2011.

2.14. Op 26 januari 2012 kwamen de chirurgen en de orthopeden, de raad van bestuur en het bestuur van de medische staf van ZGT voor een bespreking bijeen. De conclusie van deze bijeenkomst was dat op korte termijn een werkgroep samengesteld diende te worden met als opdracht om te komen tot concrete (samenwerkings-)afspraken, waarbij de kwaliteit en patiëntveiligheid leidend zouden zijn. De vervolgens ingestelde werkgroep bestond uit een stafbestuurslid, een traumachirurg en een orthopeed.

2.15. In haar eindverslag d.d. 26 januari 2012 concludeerde mevrouw [Y]: “Ik kwam tot de (voorlopige) conclusie dat er een bepaalde voortgang is geboekt (met name dat er concrete afspraken zijn gemaakt over communicatie en bejegening), maar dat het - gelet op de u allen bekende volumediscussie – nog niet mogelijk was gebleken om tot concrete werkafspraken te komen.”

2.16. Op 16 april 2012 presenteerde orthopedisch chirurg [G] tijdens een bespreking van de op 26 januari 2012 ingestelde werkgroep een notitie, waarin werd uiteengezet dat het uiteindelijke doel van de orthopeden de vorming van één vakgroep traumatologie is, waarin zowel de traumachirurgen als de orthopeden participeren.

2.17. Het overleg in de werkgroep liep begin mei 2012 vast.

2.18. Partijen hebben hun overleg vervolgens voortgezet, onder meer onder leiding van de voorzitter van de medische staf van ZGT, de heer [K] (radioloog).

2.19. In of omstreeks juni 2012 heeft de Raad van Bestuur van ZGT een notitie opgesteld (“Organisatie Traumatologie ZGT”), die in grote lijnen inhoudt dat eerst door traumachirurgen en orthopeden samen aan kwaliteit moet worden gewerkt, waarna kan worden toegewerkt naar een gezamenlijke vakgroep.

2.20. De notitie heeft de steun van de medische staf van ZGT, evenals het in dit geding aangevochten besluit, dat op de notitie is gebaseerd.

2.21. De traumachirurgen hebben de notitie aanvaard. De orthopeden hebben deze verworpen.

2.22. Op 22 juni 2012 overhandigde de raad van bestuur tijdens een overleg met de orthopeden en het bestuur van de medische staf voormelde notitie ‘Organisatie Traumatologie in ZGT’, met het verzoek aan de orthopeden om deze te ondertekenen en binnen 7 dagen te retourneren aan de raad van bestuur.

2.23. De orthopeden hebben per e-mail van 29 juni 2012 meegedeeld dat zij de notitie niet willen ondertekenen.

2.24. Op 18 juli 2012 heeft ZGT schriftelijk aan OCON en de maatschap meegedeeld dat met ingang van maandag 23 juli 2012 de zorg rondom de onverwezen patiënten met letsel aan het steun- en bewegingsapparaat, de onverwezen traumazorg, binnen ZGT uitsluitend de verantwoordelijkheid zal zijn van de maatschap chirurgie. Het desbetreffende memo luidt - voor zover hier van belang – als volgt:

“Besluit Raad van Bestuur juli 2012

De Raad van Bestuur besluit derhalve dat de zorg rondom de onverwezen patiënt met letsel aan het steun- en bewegingsapparaat, de zogenaamde onverwezen traumatologie, binnen ZGT uitsluitend de verantwoordelijkheid is van de maatschap Chirurgie. Dit besluit betreft zowel de locatie Almelo als Hengelo. De Raad van Bestuur gaat er daarbij vanuit dat daar waar nadrukkelijk orthopaedische expertise voor onverwezen patiënten noodzakelijk wordt geacht door de dienstdoend traumatoloog, de orthopaedisch chirurg onverwijld in consult zal worden geroepen en verwijzing naar een ander ziekenhuis slechts na consultering door een orthopaedisch chirurg zal plaatsvinden.

Dit besluit wordt van kracht per 23 juli 2012.

Voor de goede orde: het betreft hier dus niet patiënten die op naam van een individuele specialist of maatschap worden verwezen naar de spoedeisende hulp of polikliniek.

De Raad van Bestuur betreurt het dat zij dit besluit in het belang van de kwaliteit van de patiëntenzorg heeft moeten nemen. Zij spreekt wel de verwachting uit dat in de komende periode de maatschappen Chirurgie en Orthopaedie alsnog tot goede werkafspraken kunnen komen in het belang van de patiëntenzorg van ZGT en dat dit besluit van de Raad van Bestuur heroverwogen kan worden.”

2.25. OCON heeft op 20 juli en 22 juli 2012 twee brieven aan ZGT gezonden waarin OCON bezwaar heeft gemaakt tegen de inhoud van dit besluit en tegen de voorgenomen uitvoering daarvan. ZGT heeft per e-mail van 23 juli 2012 geantwoord het besluit te handhaven.

2.26. OCON heeft ZGT vervolgens in kort geding gedagvaard op 25 juli 2012.

3. De vordering

3.1. OCON vordert (zakelijk weergegeven):

- om ZGT te veroordelen om de aan OCON verbonden orthopeden ieder voor zich en gezamenlijk, onmiddellijk na betekening van het daartoe strekkende vonnis, in staat te stellen om hun werkzaamheden bij de verwezen en de onverwezen traumatologie op alle locaties van ZGT te hervatten en hun medisch-orthopedische praktijk binnen ZGT op de gebruikelijke wijze en in volle omvang uit te voeren conform de raamovereenkomst tussen ZGT en OCON, alsmede alle andere tussen ZGT en OCON bestaande afspraken, overeenkomsten en gewoonten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat ZGT in gebreke blijft om aan die veroordeling te voldoen, en

- om ZGT te verbieden om andere artsen dan aan OCON verbonden orthopeden binnen ZGT orthopedische (waaronder begrepen orthopedisch-chirurgische) werkzaamheden te laten verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per overtreding en van € 25.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat ZGT in gebreke blijft om aan die veroordeling te voldoen,

- met veroordeling van ZGT in de proceskosten.

3.2 OCON heeft haar vordering gebaseerd op de hiervoor weergegeven feiten en op de volgende stellingen.

3.3. In de eerste plaats is het besluit onbevoegd genomen. De Kwaliteitswet zorginstellingen voorziet niet in een bevoegdheid van ziekenhuizen om in het kader van de kwaliteit van zorgverlening maatregelen te treffen jegens specialisten. Voor specialisten, die niet in loondienst zijn, is er geen wettelijke regeling en moet dit contractueel worden geregeld. Voor toegelaten specialisten is daartoe een aanwijzingsbevoegdheid en een mogelijkheid tot het treffen van sancties vastgelegd in de toelatingsovereenkomst. De onderhavige orthopeden zijn echter niet toegelaten bij ZGT, maar bij OCON (zie ook hiervoor in rechtsoverweging 2.8.).

3.4. Het besluit is ook in strijd met de op 6 juli 2010 tussen OCON en ZGT gesloten raamovereenkomst, waarbij ZGT het ondernemingsonderdeel orthopedie - inclusief overname van alle op dat onderdeel werkzame medewerkers - van ZGT met betrekking tot de locatie Hengelo aan OCON verkocht. Onder het daarbij verkochte ‘ondernemingsonderdeel orthopedie’ vielen ook de traumatologische werkzaamheden van de orthopeden in Hengelo, die zij daar nu ingevolge het besluit niet meer mogen verrichten. Als gevolg daarvan lijden zij (omzet-)schade.

3.5. Voorts worden als gevolg van dit besluit van ZGT de orthopeden ernstig belemmerd in de werkzaamheden, waarvoor OCON een overeenkomst met ZGT heeft gesloten, als gevolg waarvan OCON en de maatschap grote schade leidt en zal leiden. Deze schade bestaat niet alleen uit financiële schade, maar ook reputatieschade. Om die reden hebben eisers spoedeisend belang bij het gevorderde.

3.6. Het besluit van de raad van bestuur mist een deugdelijke onderbouwing. Nergens wordt toegelicht waarom het besluit nodig was omdat de patiëntenzorg in het geding was, en waarom het patiëntenbelang met dit overhaast ingevoerde besluit beter gediend was dan zonder dit besluit.

3.7. Als gevolg van het besluit is de opvang van traumatologische patiënten geen gezamenlijke verantwoordelijkheid van chirurgen en orthopeden meer, hetgeen in strijd is met het desbetreffende, tussen de twee beroepsverenigingen gesloten convenant. Integendeel: het besluit werpt drempels op om orthopedische deskundigheid te raadplegen.

3.8. Invoering van het besluit is ook slecht voorbereid. Andere specialisten, zoals anesthesisten, zijn hiervan niet op de hoogte gesteld. Als gevolg van het buitensluiten van de orthopeden bij de traumazorg worden patiënten geschaad in hun recht op vrije artsenkeuze, omdat zij daardoor geen gebruik kunnen maken van de specialisten, die voor hun letsel de meeste expertise hebben.

3.9. Dat als gevolg van het besluit ook de patiëntveiligheid in het geding is, blijkt uit de volgende drie incidenten, die zich voordeden na inwerkingtreding van het besluit:

3.10. Op 23 juli en in de nacht van 23 op 24 juli hebben zich ernstige incidenten voorgedaan, die het gevolg waren van het feit dat de zorgverlening op dat moment niet adequaat, en veel slechter dan vóór het besluit, georganiseerd was, mede omdat ZGT over de invulling van de zorgverlening na het besluit onvoldoende heeft gecommuniceerd.

3.11. Op de avond van 23 juli sneuvelde bij een patiënte op de verpleegafdeling orthopedie een infuus. De verpleegkundige belde de dienstdoende arts-assistent chirurgie, die volgens de bestaande afspraken de verantwoordelijkheid had, maar die weigerde te adviseren. Een arts-assistent orthopedie kon uiteindelijk iemand van de IC regelen, die een nieuw infuus prikte.

3.12. In diezelfde nacht had een andere patiënte ernstige hartkloppingen en druk op de borst. Opnieuw weigerde de dienstdoende arts-assistent chirurgie te komen, en uiteindelijk heeft de dienstdoende cardioloog ingegrepen.

3.13. Op 25 en 26 juli deed zich een ernstig incident voor. Een traumachirurg had een kophalsprothese geplaatst bij een patiënt, die binnen was gebracht met een heupfractuur na een val. Onder normale omstandigheden had het voor de hand gelegen als de dienstdoende chirurg had overlegd met de orthopeden, temeer daar deze patiënt in 2009 al een knieprothese had gekregen van één van de orthopeden. De chirurg verzuimde echter om die mogelijkheid aan de patiënt voor te leggen en opereerde zelf. Toen de heupkop luxeerde (de voorzieningenrechter begrijpt: losliet) was een nieuwe operatie nodig. Daarbij was een tweede incisie nodig om de heupkop weer te vinden. Deze tweede operatie duurde vier uur in plaats van de aanvankelijk geplande 30 minuten. De patiënt ontwikkelde achtereenvolgens kortademigheid, waarschijnlijk als gevolg van een stolsel in de bloedvaten in de longen, en een embolie in de hersenen. De patiënt raakte in coma en overleed enkele dagen later.

4. Het verweer:

4.1. ZGT heeft de vorderingen bestreden op de volgende gronden. Het besluit was nodig omdat:

(1) sprake was van een slepend conflict tussen specialisten;

(2) ondanks diverse interventies geen oplossing in zicht was;

(3) een risico voor de veiligheid van patiënten dreigde te ontstaan;

(4) de raad van bestuur daarom zijn verantwoordelijkheid moest nemen om in te grijpen en dat ook heeft gedaan;

(5) de raad van bestuur daarbij niet heeft gehandeld buiten zijn bevoegdheden.

4.2. ZGT heeft deze gronden toegelicht als volgt. In de eerste plaats heeft het besluit geen vèrstrekkende gevolgen. Het heeft alleen consequenties voor de locatie in Hengelo, waar de orthopeden één keer per drie weken de traumatologie-dienst deden. Door vijf gespecialiseerde en gecertificeerde traumachirurgen werd 85% van de traumatologie verzorgd op beide locaties. De overige 15% werden door 13 niet gecertificeerde orthopeden verzorgd op één locatie. Het onderhavige geschil gaat slechts over die 15% in Hengelo, die niet meer door de orthopeden worden ingevuld.

4.3. Van de samenwerking tussen chirurgen en orthopeden in Hengelo kwam onvoldoende terecht. Een gevolg daarvan was, dat in Hengelo twee soorten traumazorg werden verleend, de traumazorg van de traumachirurgen in twee van de drie weken, en de traumazorg van de orthopeden in de derde week. Protocollen en kwaliteitsnormen verschilden naar gelang wiens week het was. Deze situatie bracht risico’s mee voor de patiëntveiligheid. Door het handhaven van twee verschillende regimes kunnen bijvoorbeeld geen eenduidige instructies worden gegeven aan het personeel.

4.4. ZGT maakt ernstig bezwaar tegen het noemen en beschrijven van medische ‘incidenten’ door OCON ter onderbouwing van haar standpunt. Niet alleen zijn die voorvallen nog niet onderzocht, zodat daaruit nog geen conclusies kunnen worden getrokken, maar ook blijkt uit de beschrijving door OCON niet van enig causaal verband tussen het genomen besluit en de door OCON daar aan toegeschreven verhoogde risico‘s.

4.5. Uiteindelijk is het geschil tussen de chirurgen en orthopeden een ruzie over geld. De praktijk traumatologie is goed voor een bepaalde omzet. De orthopeden maken aanspraak op een deel van die omzet. Dat het geschil tussen de specialisten betrekking heeft op geld komt ook duidelijk naar voren uit de conclusie van mediator [Y] d.d. 26 januari 2012, “dat het – gelet op de (….) bekende volumediscussie – nog niet mogelijk was gebleken om tot concrete werkafspraken te komen.”

4.6. De aanspraak van de orthopeden op een deel van de traumatologie-omzet is alleen al onredelijk, omdat de traumachirurgen al jaren hebben bewezen dat zij topkwaliteit willen leveren, en dat een zelfde ambitie bij de orthopeden nog niet aantoonbaar aanwezig is. Dit blijkt onder meer hieruit dat de orthopeden, in tegenstelling tot de chirurgen, die al verscheidene jaren geleden uit hun midden traumachirurgen hebben geselecteerd, ondanks herhaald aandringen nog steeds geen (drie) vakgenoten uit hun midden (van twaalf orthopedisch chirurgen) hebben aangewezen, die zich volledig op de traumatologie willen toeleggen.

4.7. Dat laatste is wel noodzakelijk, omdat ook voor een orthopeed, die werkzaam is of wil zijn op het gebied van de traumatologie, te vergen valt om zich op dat gebied te specialiseren. Onder traumatologie valt meer dan alleen letsel aan het ondersteunings- en bewegingsapparaat zoals aan knieën, schouders en heupen, maar ook aan de weke delen zoals buik, milt en lever enz.. Ook een orthopedisch traumatoloog moet in staat zijn om letsel aan zulke organen te herkennen en te beoordelen. Verwerving van die kennis en bekwaamheid is zonder specialisatie niet mogelijk.

4.8. Ook de gesprekken met de betrokkenen onder leiding van de voorzitter van de medische staf hebben niet tot een oplossing geleid. Daarom heeft de raad van bestuur de notitie “Organisatie Traumatologie ZGT” opgesteld. Zoals uit die notitie blijkt was het uitgangspunt van de raad van bestuur daarbij het op gelijk niveau brengen van de kwaliteit en de meting van de kwaliteit die door beide groepen specialisten werd geleverd, met als perspectief het op termijn vormen van een gezamenlijke vakgroep.

4.9. De notitie, die evenals het daarop gebaseerde, in dit geding aangevochten besluit de steun heeft van de medische staf van ZGT, is daarom dwingend aan beide groepen specialisten opgelegd. Dat was ook nodig, omdat deze groepen er gedurende een reeks van jaren, ondanks de achtereenvolgende inzet van twee mediators, het onderling niet eens konden worden over de uitgangspunten. Als specialisten niet samen door één deur kunnen, leidt dat uiteindelijk tot risico’s voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. In verschillende ziekenhuizen hebben conflicten tussen artsen geleid tot calamiteiten. Een ziekenhuisbestuur moet dan tijdig zijn verantwoordelijkheid nemen en ingrijpen, en het ZGT-bestuur heeft dat ook gedaan.

4.10. Het ZGT-bestuur is daarbij binnen zijn bevoegdheden gebleven. De raad van bestuur is verantwoordelijk voor het besturen van het ziekenhuis, eindverantwoordelijk voor alle daarin verleende zorg, en daarvoor ook centraal aansprakelijk jegens de Inspectie voor de Gezondheidszorg van het Ministerie van VWS, en het genomen besluit past binnen die kaders. Als de vordering van OCON wordt toegewezen zal de raad van bestuur aan de Inspectie voor de gezondheidszorg moeten melden dat er sprake is van een langdurig conflict tussen twee groepen specialisten, maar dat maatregelen om de kwaliteit van de patiëntenzorg te waarborgen door de rechter zijn verboden.

4.11. Ten onrechte stelt OCON dat het aangevochten besluit van de raad van bestuur in strijd is met de ‘raamovereenkomst’ (vgl. r.o. 2.8.). In de raamovereenkomst van 6 juli 2010 tussen OCON en ZGT is omschreven wat moet worden verstaan onder de daar gehanteerde term “praktijk orthopedie”. Daaronder valt niet de traumatologische zorg.

4.12. Maar ook als dat wel zo zou zijn ondersteunt ook de raamovereenkomst het door de raad van bestuur genomen besluit. Immers, ingevolge artikel 3.1. van de raamovereenkomst moet de kwaliteit van de geleverde zorg in overeenstemming zijn met de landelijke consensus over protocollen, organisatie en bekwaamheid. De door de traumachirurgen verleende zorg voldoet wel aan die kwalificaties, maar de orthopeden gaan daar nog niet in mee.

4.13. Ook als het besluit niet te rijmen zou zijn met de raamovereenkomst betekent dit nog niet dat het besluit van de raad van bestuur d.d. 17 juli in kort geding moet worden vernietigd. Eindverantwoordelijkheid van de raad van bestuur voor de veiligheid in het ziekenhuis en voor de kwaliteit van de daarin verleende zorg kan meebrengen dat maatregelen worden genomen die tot gevolg hebben dat het ziekenhuis tekort schiet jegens een contractspartij zoals OCON.

4.14. Het besluit van 17 juli kan slechts door de rechter worden vernietigd op grond, dat de raad van bestuur niet in redelijkheid tot dat besluit had kunnen komen. Daar is echter geen sprake van, omdat de raad van bestuur op geen enkele manier de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden.

5. De beoordeling

5.1. Het door OCON gestelde spoedeisende belang is door ZGT niet betwist en blijkt ook voldoende uit de over en weer gestelde feiten, zodat OCON ontvankelijk is in haar vorderingen.

5.2. De eis strekt tot ongedaanmaking van het besluit van ZGT van 17 juli 2012, dat met ingang van 23 juli 2012 de onverwezen traumatologie binnen ZGT uitsluitend de verantwoordelijkheid is van de maatschap chirurgie. Voor de in dit kort geding te nemen beslissing is bepalend het antwoord op de vraag, of te verwachten valt dat de bodemrechter het besluit, na toetsing daarvan aan de door OCON tegen het besluit gerichte bezwaren, zal vernietigen.

5.3. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. De raad van bestuur heeft het besluit binnen de grenzen van zijn bevoegdheid en de redelijkheid genomen, binnen het kader van het primaire door een ziekenhuis te behartigen belang van de kwaliteit der te verlenen medische zorg.

5.4. De voorzieningenrechter onderschrijft hetgeen namens ZGT op dit punt naar voren is gebracht: De raad van bestuur is verantwoordelijk voor het besturen van het ziekenhuis, eindverantwoordelijk voor alle daarin verleende zorg, en daarvoor ook centraal aansprakelijk jegens de Inspectie voor de Gezondheidszorg van het Ministerie van VWS. Een bijzondere verantwoordelijkheid heeft een ziekenhuis om, ter voorkoming van calamiteiten, in te grijpen in langdurig onoverbrugbare verschillen van inzicht tussen groepen specialisten.

5.5. De raad van bestuur heeft zich bij zijn afwegingen terecht laten leiden door het voor een ziekenhuis doorslaggevende belang van kwaliteit van de medische zorg. Dat het besluit gericht is op, en ook dienstbaar kan zijn aan, verbetering van de door het ziekenhuis te leveren kwaliteit heeft ZGT adequaat gemotiveerd en onderbouwd, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 4.7, waarin hij heeft geschetst dat, en waarom, voor een goede ontwikkeling van het specialisme traumatologie ook de daaraan door orthopeden te leveren bijdrage niet mogelijk is zonder dat ook door een deel van de orthopeden zich op traumatologie specialiseert, onder meer door verwerving van kennis en vaardigheden op het gebied van andere letsels dan die van het bewegings- en ondersteuningsapparaat.

5.6. Evenzeer begrijpelijk en redelijk was de overweging van de raad van bestuur dat het uit een oogpunt van kwaliteit en veiligheid ongewenst was, dat in Hengelo twee soorten traumazorg werden verleend, namelijk de traumazorg van de traumachirurgen in twee van de drie weken, en de traumazorg van de orthopeden in de derde week, met als gevolg dat protocollen en kwaliteitsnormen verschilden naar gelang wiens week het was, en ook medewerkers hun werkwijzen daaraan telkens moesten aanpassen.

5.7. Gezien de aard van de problematiek, die overwegend wordt bepaald door aspecten van medische kwaliteit, heeft de raad van bestuur terecht over het te nemen besluit de medische staf van ZGT geconsulteerd die, na zich daarover te hebben beraden, heeft meegedeeld het besluit te ondersteunen.

5.8. De raad van bestuur heeft ook lang genoeg getracht om in de gerezen problematiek een oplossing in der minne te vinden, onder meer door met betrekking tot het onderhavige verschil van inzicht tussen orthopeden en chirurgen al in 2006 een mediator ([X]) in te schakelen en hiertoe in juli 2011 opnieuw over te gaan ([Y]) en vervolgens, na een teleurstellend resultaat van die begeleiding, een werkgroep in te stellen. Toen in mei 2012 ook in die werkgroep het overleg was vastgelopen, en voortgezet overleg onder leiding van de voorzitter van de medische staf van ZGT evenmin een doorbraak bracht, heeft het bestuur niet onredelijk gehandeld door zelf een koers uit te zetten in de notitie ‘Organisatie Traumatologie in ZGT’ en deze als verbindend voor de betrokken partijen voor te schrijven.

5.9. OCON doet ook tevergeefs een beroep op de onverenigbaarheid van het besluit met het tussen de beroepsverenigingen van orthopeden en chirurgen gesloten convenant. Er is niet gesteld of gebleken dat ZGT partij is bij dat convenant en daaraan gebonden is.

5.10. Dat laatste geldt uiteraard we voor de tussen ZGT en OCON gesloten raamovereenkomst. Partijen verschillen echter van mening of de bij die overeenkomst door ZGT aan OCON verkochte orthopediepraktijk in Hengelo ook de traumatologie omvat. Als dat volgens de bodemrechter wel het geval zou zijn (deze vraag leent zich niet goed voor beantwoording in kort geding), dan zou het besluit van 17 juli inderdaad kunnen leiden tot enige financiële schade aan de zijde van de orthopeden, omdat zij dan als gevolg van dat besluit een deel van de hun in de raamovereenkomst verkochte praktijk (namelijk de traumatologie) in Hengelo niet meer kunnen uitoefenen.

5.11. ZGT brengt daar tegen in dat de eindverantwoordelijkheid van de raad van bestuur voor de veiligheid in het ziekenhuis en voor de kwaliteit van de daarin verleende zorg kan meebrengen dat maatregelen worden genomen die tot gevolg hebben dat het ziekenhuis tekort schiet jegens een contractspartij zoals OCON.

5.12. De voorzieningenrechter overweegt dat in dat geval (waarin de orthopeden dus als consequentie van het besluit ook in Hengelo geen traumatologische werkzaamheden meer verrichten) de als gevolg daarvan door de orthopeden geleden financiële (omzet-)schade leidt tot een verbintenis van ZGT om die schade te vergoeden.

5.13. Niet aanvaardbaar is echter de stelling van OCON dat vanwege de mogelijkheid van zulke financiële schade het besluit van de raad van bestuur d.d. 17 juli moet worden teruggedraaid. Het dominante belang van de kwaliteit van de medische zorg, dat ZGT met het besluit moet en wil dienen, behoort zwaarder te wegen dan het belang van de orthopeden bij onverkorte nakoming door ZGT van de raamovereenkomst door hen daadwerkelijk in staat te stellen in Hengelo werkzaamheden te blijven verrichten van traumatologische aard. Eventueel op grond van de raamovereenkomst bestaande, maar door ZGT niet nagekomen aanspraken van de orthopeden zullen financieel moeten worden gecompenseerd.

5.14. De voorzieningenrechter zal de door OCON geschetste medische incidenten niet in de oordeelsvorming betrekken. Uit de stellingen van OCON valt geen duidelijk causaal verband af te leiden tussen enerzijds de eerste twee door OCON gestelde voorvallen (r.o. 3.11 en 3.12) en anderzijds het in dit geding aangevochten besluit. De vervolgens in r.o. 3.13 gegeven beschrijving van (ernstiger) voorvallen laat de rechter alleen al buiten beschouwing omdat dit relaas niet wordt onderbouwd met een verslag van een objectief en deskundig feitenonderzoek.

5.15. Als, zoals OCON heeft gesteld althans gesuggereerd, deze voorvallen een gevolg waren van overhaaste invoering van het onderhavige besluit, onder meer omdat het besluit niet tijdig en behoorlijk in het ziekenhuis bekend werd gemaakt, heeft dit nog geen gevolgen voor de geldigheid van het besluit op zichzelf en is dat dus geen grond voor toewijzing van het gevorderde.

5.16. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Eisers (OCON) moeten als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ZGT worden begroot op:

- vast recht € 575,00

- salaris gemachtigde € nihil__ +

Totaal € 575,00.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen af.

II. Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot deze uitspraak aan de zijde van ZGT begroot op € 575,-.

III. Verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.