Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX3876

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
124490 ha za 11 - 698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap; nalatenschap 3:185 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 124490 ha za 11 - 698

datum vonnis: 25 juli 2012

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[Eiseres],

wonend te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. S. van Oers te Nijmegen,

tegen

[gedaagde],

wonend te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo (O.).

Het procesverloop

Bij vonnis van 11 juli 2012 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in het incident en de hoofdzaak verwezen naar de rol van 8 augustus 2012 voor vonnis. Het vonnis wordt heden bij vervroeging gewezen.

De overwegingen

1.

De rechtbank neemt over wat is overwogen en beslist in het vonnis van 11 juli 2012.

2.

De rechtbank beslist over wat partijen hebben gevorderd (vgl. art. 23 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechtbank is gebonden aan het petitum met dien verstande dat zij niet méér mag toewijzen dan gevorderd: de rechtbank mag niet ultra petitum gaan.

3.

Eiseres is zich -kennelijk- bewust van het belang van het petitum: zij heeft haar petitum tot tweemaal toe gewijzigd. Soms blijft echter onduidelijk welk belang eiseres heeft bij toewijzing van een vordering of welke prestatie eiseres van gedaagde verlangt. De mogelijkheden van de rechtbank om het petitum uit te leggen zijn, zo volgt uit wat hierboven bij 2. is overwogen, beperkt.

De rechtbank zal de vorderingen van eiseres mede tegen deze geschetste achtergrond beoordelen.

4.1

De eerste vordering van eiseres luidt, dat de rechtbank wordt verzocht om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de gemeenschappelijke woning aan de [adres] te

[plaats] zal worden verkocht en dat de netto-opbrengst van de woning tezamen met de

overige bestanddelen van de nalatenschap gelijkelijk over de partijen worden verdeeld.

4.2

Eiseres heeft gesteld (dagvaarding bij 17.) te verlangen dat de gemeenschap door de rechtbank wordt verdeeld. De vordering sub I. lijkt te zijn geënt op artikel 3:185, tweede lid sub c., Burgerlijk Wetboek (BW) dat als wijze van verdeling vermeldt:

verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een

door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht.

4.3

De rechtbank overweegt als volgt. Zowel eiseres als gedaagde willen dat de woning wordt verkocht. De woning staat sinds oktober 2010 bij makelaar [X] in de verkoop. De wijze van verkoop (via een makelaar en niet -bijvoorbeeld- via een veiling) staat tussen partijen niet ter discussie. Waar het -kennelijk- nog altijd aan ontbreekt, is een koper. De rechtbank maakt dat gemis niet anders door te bepalen “dat de woning zal worden verkocht”.

Aldus komt aan dit onderdeel van het petitum geen betekenis toe.

4.4

Over de wijze van verdeling van de netto-opbrengst van het huis zijn partijen het eens: gelijkelijk. Hetzelfde lijkt te gelden voor “de overige bestanddelen van de nalatenschap”.

Artikel 3:185 BW bepaalt dat de rechter de verdeling gelast of vaststelt “voor zover de deelgenoten (…) over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen”.

Partijen hebben niet gesteld geen overeenstemming te kunnen bereiken over de overige bestanddelen. Dat is mogelijk anders voor wat betreft de auto, waartoe de rechtbank verwijst naar hetgeen zij overweegt onder 7.4.

4.5

Op bovenvermelde gronden zal de rechtbank niet bepalen dat de woning wordt verkocht, noch dat ‘de overige bestanddelen’ gelijkelijk over de partijen worden verdeeld.

5.1

De tweede vordering van eiseres luidt, dat de rechtbank wordt verzocht om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

II. te bepalen dat gedaagde wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen

aan verkoop van voornoemde woning aan een nog onbekende derde partij, waarbij een

minimumprijs van € 187.500,-- in acht wordt genomen, onder verbeurte van een

dwangsom van € 500,-- per dag dat hij daarmee in gebreke blijft;

en daarnaast te bepalen dat eiseres, voor zover gedaagde niet voldoet aan het

voorgaande, wordt aangewezen als vertegenwoordiger om in plaats van gedaagde de

rechtshandelingen te verrichten waartoe gedaagde verplicht is en die gericht zijn op:

- de verkoop van de woning;

- en levering van de woning;

en waarbij dezelfde minimumprijs geldt als hiervoor is genoemd;

althans, te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van

gedaagde, mocht die zijn medewerking onthouden.

5.2

Aan hetgeen sub II. wordt gevorderd ligt -kennelijk- de vrees ten grondslag dat gedaagde niet zal meewerken aan de verkoop van de woning. Eiseres heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een dergelijke vrees rechtvaardigen. In haar akte van

6 juni 2012 voert eiseres weliswaar aan, dat het vastleggen van verplichte medewerking noodzakelijk is omdat “gedaagde tot op heden op diverse punten nog niet de daad bij het woord heeft gevoegd”, maar eiseres concretiseert dit niet en uit niets blijkt dat dit verwijt mede betrekking heeft op de verkoop van de woning.

5.3

Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord gesteld, dat hij (evenals eiseres) van oordeel is dat de woning moet worden verkocht. In zijn akte vermeldt gedaagde dat zich een mogelijke koper heeft aangediend, die een bod van € 180.000,-- heeft gedaan. Gedaagde stelt tevens dat hij wèl met dat bod instemde, maar -zo stelt hij te hebben begrepen- eiseres niet.

5.4

De rechtbank oordeelt dat er geen rechtsgrond is om de sub II. geformuleerde veroordeling uit te spreken.

6.1

De derde vordering van eiseres luidt, dat de rechtbank wordt verzocht om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

III. a. gedaagde te veroordelen uiterlijk op 1 juli 2012 de woning netjes te hebben verlaten

onder medeneming van de eigen spullen;

b. eiseres te machtigen om op kosten van gedaagde de woonruimte door een deurwaarder te laten ontruimen indien hij dat zelf niet tijdig doet;

c. de onderdelen 1.2 , 3.5, 3.7 , 4.4 en 5.0 worden in het beheer van eiseres

uitgevoerd;

d. eiseres zal naast het voorgaand herstelwerk tevens het herstelwerk dat hiervoor in

punt 8 is genoemd realiseren. De kosten komen ten laste van partijen gezamenlijk;

e. de woning wordt zo spoedig mogelijk na realisatie van het voorgaande verhuurd

op basis van de Leegstandswet via de makelaar, totdat de woning is verkocht

en geleverd aan een koper.

6.2

Met betrekking tot het sub III a. gevorderde overweegt de rechtbank als volgt.

6.2.1

In de op 11 april 2012 gehouden comparitie van partijen verklaarde gedaagde zich bereid de woning zo spoedig mogelijk te verlaten onder medeneming van de eigen spullen.

Hij verklaarde er naar te streven op de kortst mogelijke termijn te vertrekken en verwachtte uiterlijk op 1 juni 2012 te zijn vertrokken.

6.2.2

Op 6 juni 2012 heeft eiseres vastgesteld dat gedaagde de woning nog niet had verlaten. Zij heeft die dag provisioneel gevorderd dat gedaagde wordt veroordeeld om -op straffe van verbeurte van een dwangsom- de woning uiterlijk op 1 juli 2012 te hebben ontruimd en correct te hebben achtergelaten.

6.2.3

Gedaagde heeft verweer gevoerd tegen de provisionele vordering van eiseres. Gedaagde heeft aangevoerd dat hij een baan heeft gevonden in [plaats] en dat hij daar per

1 oktober 2012, mogelijk eerder, over woonruimte beschikt.

6.2.4

De rechtbank overweegt dat eiseres, met het oog op verkoop of op uit te voeren werkzaamheden, verlangt dat gedaagde de woning verlaat. Gedaagde stelt te zullen vertrekken, maar is daartoe nog niet overgegaan. Gelet op het door eiseres geformuleerde belang en gelet op hetgeen onder 6.2.3 is overwogen, zal de rechtbank gedaagde veroordelen om de woning per 1 oktober 2012 netjes te verlaten onder medeneming van de eigen spullen.

6.3

Met betrekking tot het sub III b. gevorderde overweegt de rechtbank als volgt.

6.3.1

De gevraagde veroordeling om eiseres te machtigen om op kosten van gedaagde de woonruimte te laten ontruimen, zal worden afgewezen omdat zich -zo begrijpt de rechtbank- in de woning zaken bevinden die tot de nalatenschap behoren en onverdeeld zijn.

Niet valt in te zien waarom die zaken op kosten van gedaagde door een deurwaarder zouden moeten worden afgevoerd.

Wel zal, in het verlengde van wat onder 6.2.4 is overwogen, eiseres worden gemachtigd om na 1 oktober 2012 -op kosten van gedaagde- de eigen spullen van gedaagde door een deurwaarder uit de woning te laten verwijderen.

6.4

Met betrekking tot het sub III c., d. en e. gevorderde overweegt de rechtbank als volgt.

Deze onderdelen van het petitum zijn stellingen en geen vorderingen. De rechtbank zal deze onderdelen van het petitum afwijzen.

7.1

De vierde vordering van eiseres luidt, dat de rechtbank wordt verzocht om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

IV. a. gedaagde betaalt met ingang van 1 mei 2011 alle vaste lasten met betrekking tot

de gemeenschappelijke woning. Dat betreffen de maandelijkse bedragen zoals in

de dagvaarding genoemd in punt 8;

b. gedaagde neemt met ingang van 1 september 2010 de belasting en verzekering

van de auto voor zijn rekening. Dit betreft een maandbedrag van € 32,-- aan belasting,

hetgeen nog iedere maand van de rekening van vader wordt afgeschreven;

c. gedaagde dient de schuld die hij heeft bij eiseres ter zake van een vordering aan

deurwaarder Van Hommerig ad € 2.234,32 direct bij betekening van het vonnis

te voldoen aan eiseres;

d. gedaagde voldoet alle naheffingen voor gas, water en elektra met ingang van

1 januari 2011;

e. gedaagde voldoet aan eiseres een bedrag van € 1.500,-- ter zake van toedeling van de

tot de nalatenschap behorende auto, waarmee hij is overbedeeld.

Subsidiair

te bepalen dat gedaagde met ingang van 1 januari 2011 een bedrag van € 700,-- aan huur

betaalt aan de nalatenschap, alsmede alle gebruikerslasten vanaf die datum.

Meer subsidiair

dat het primair gevorderde wordt toegewezen met uitzondering van de navolgende

posten:

- hypotheekrente € 563,42

- gemeentelijke belastingen € 57,77

- inboedel- en brandverzekering € 17,30

- Geas energie € 33,91

en dat wordt bepaald dat deze posten gelijkelijk over partijen worden verdeeld en dat

gedaagde maandelijks met ingang van 1 januari 2011 een gebruiksvergoeding aan

eiseres betaalt van 4% over de helft van de overwaarde van de woning.

7.2

Met betrekking tot het sub IV a., b. en d. gevorderde overweegt de rechtbank als volgt.

Deze onderdelen van het petitum zijn stellingen en geen vorderingen. Kennelijk beoogt eiseres dat gedaagde betalingen gaat verrichten, maar onduidelijk blijft aan wie (eiseres, de betrokken leverancier, verzekeraar of belastingdienst) die betalingen zouden moeten worden gedaan. De rechtbank zal deze onderdelen van het petitum afwijzen, waarbij de rechtbank volledigheidshalve verwijst naar hetgeen is vermeld in de rechtsoverwegingen 2. en 3.

7.3

Met betrekking tot het sub IV c. gevorderde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank legt deze vordering aldus uit, dat eiseres betaling door gedaagde verlangt van

€ 2.234,32.

In de inleidende dagvaarding heeft eiseres (onder 8c.) gesteld dat in maart 2011 afspraken zijn gemaakt tussen eiseres en gedaagde. Zij stelt dat toen -onder meer- is overeengekomen:

eiseres heeft op 28 september 2010 een vordering op gedaagde voldaan aan deurwaarder

Van Hommerig voor een bedrag van € 2.234,32 (productie 6.) Deze vordering dient

door gedaagde te worden terugbetaald aan eiseres op haar eigen rekening bij de

Rabobank met nummer [xxxx].

Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde gesteld dat eiseres het bedrag ad € 2.234,32 al enige tijd geleden heeft teruggekregen van gedaagde.

In de vervolgens door eiseres genomen akte, is de sub IV. vermelde vordering gewijzigd en is die vordering op onderdelen nader onderbouwd. Echter: de stelling van gedaagde dat het bedrag ad € 2.234,32 al aan haar is terugbetaald, wordt door eiseres geheel onbesproken gelaten. Nu eiseres het (bevrijdend) verweer van gedaagde niet heeft weersproken, dient dit onderdeel van de vordering van eiseres te worden afgewezen.

7.4

Met betrekking tot het sub IV e. gevorderde overweegt de rechtbank als volgt.

Tot de nalatenschap behoort een Opel personenauto uit 2004. Eiseres stelt dat gedaagde sinds 1 september 2010 het gebruik heeft van die auto. In haar eerste akte stelt zij dat de auto aan gedaagde moet worden toegescheiden en dat gedaagde haar ter zake van overbedeling

€ 3.000,-- moet uitkeren. Later heeft zij een wijziging van eis geformuleerd, te weten dat gedaagde haar uit dezen hoofde € 1.500,-- moet voldoen.

Gedaagde heeft aangevoerd dat deze de auto niet overneemt en dat de auto kan worden verkocht onder verdeling van de opbrengst tussen partijen gelijkelijk.

Naar de rechtbank begrijpt wenst noch eiseres noch gedaagde de auto toegescheiden te krijgen, zodat in de rede ligt dat de auto zal worden verkocht. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen niet tot overeenstemming over een verdeling kunnen komen, zoals bedoeld in 3:185 BW, zal de rechtbank geen verdeling gelasten of vaststellen.

7.5

De subsidiaire vordering zal worden afgewezen, waartoe de rechtbank als volgt overweegt. Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde betwist dat partijen hebben afgesproken dat hij de woonruimte zou gaan huren of alle gebruikerslasten zou gaan voldoen. Eiseres heeft in haar (eerste) akte gesteld, “dat de makelaar inschat dat de woning in de huidige staat maandelijks € 650,-- à € 750,-- aan huur opbrengt”. Zij laat daarop volgen een verzoek te bepalen dat gedaagde sedert 1 januari 2011 een bedrag van € 700,-- (naar de rechtbank begrijpt: maandelijks) betaalt aan de nalatenschap. De rechtbank kan evenwel niet (met terug-werkende kracht) een huurverhouding in het leven roepen.

7.6

De meer subsidiaire vordering komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. Het is de rechtbank niet duidelijk waar “het primair gevorderde (…) met uitzondering van de navolgende posten” precies behelst. Ook blijft onduidelijk waar een gebruiksvergoeding van 4% over de helft van de overwaarde van de woning op uitkomt en aan welke rechtsgrond eiseres aan haar aanspraak op betaling daarvan ten grondslag legt.

8.

In de omstandigheid dat partijen zuster en broer zijn, ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

I. veroordeelt gedaagde om de woning per 1 oktober 2012 netjes te verlaten onder medeneming van de eigen spullen en machtigt eiseres om na 1 oktober 2012, op kosten van gedaagde, de eigen spullen van gedaagde door een deurwaarder uit de woning te laten verwijderen.

II. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

III. Compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Zweers en is op 25 juli 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.