Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX3530

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
129981 / KG ZA 12-137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering in kort geding tot opheffing van een conservatoir derdenbeslag. Gedaagde heeft beslag gelegd op onroerend goed (bedrijfsruimte) van eiser en onder een derde (huurpenningen). Niet aannemelijk is geworden dat eiser door het conservatoir derdenbeslag onevenredig zwaar in zijn belangen wordt getroffen. Mede gelet op de (zeer) beperkte dekking van het beslagen onroerend goed en de onzekerheid die de huidige marktomstandigheden voor gedaagde in dat kader met zich meebrengt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen grond is om het derdenbeslag thans op te heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 129981 / KG ZA 12-137

Vonnis in kort geding van 19 juli 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. D.F. Briedé te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANWEL ENVIRONMENT AND ENERGY B.V.,

statutair gevestigd te Oldenzaal, kantoorhoudend te Enschede

gedaagde,

advocaat mr. F.J. Bleker te Enschede.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Hanwel genoemd worden.

1. De procedure

1.1. [Eiseres] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding van 31 mei 2012 met producties. Bij faxbericht van 10 juli 2012 heeft Hanwel een drietal producties in het geding gebracht. Bij brief van 11 juli 2012 heeft [eiseres] haar eis gewijzigd en een vijftal aanvullende producties ingediend.

1.2. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 12 juli 2012. Ter zitting zijn verschenen: de heer [X] (hierna: de heer [X]) namens [eiseres], vergezeld door mr. Briedé en de heer [Y] namens Hanwel, vergezeld door mr. Bleker. De standpunten zijn toegelicht, door de advocaten aan de hand van een pleitnota. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten

2.1. [Eiseres] heeft van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 bedrijfsruimte aan de [adres] te Enschede verhuurd aan Hanwel. In de door partijen ondertekende huurovereenkomst was opgenomen dat Hanwel een voorkeursrecht toekwam om een naast de bestaande bedrijfsruimte nieuw te bouwen bedrijfsruimte te gaan huren. Partijen hebben onderhandeld over het aangaan van een dergelijke huurovereenkomst. Die onderhandelingen heeft [eiseres] afgebroken.

2.2. Wegens door Hanwel gestelde schade als gevolg van het afbreken van de onderhandelingen over een huurovereenkomst tussen partijen, heeft Hanwel in mei 2007 beslag gelegd op de bedrijfsruimte van [eiseres] aan de [adres] te Enschede. De vordering van Hanwel is daarbij door de voorzieningenrechter van deze rechtbank begroot op € 50.000,00 inclusief rente en kosten. Hanwel had verzocht om de vordering te begroten op € 260.000,00.

2.3. In een door [eiseres] geëntameerde bodemprocedure bij de sector kanton van deze rechtbank, locatie Enschede, heeft de kantonrechter op 27 mei 2008 eindvonnis gewezen. [Eiseres] is in dat vonnis onder meer veroordeeld:

“om aan Hanwel te vergoeden alle schade die zij als gevolg van het onaanvaardbaar afbreken van de onderhandeling door [eiseres] lijdt en heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (…)”.

2.4. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij eindarrest van 2 november 2010 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De Hoge Raad heeft zeer recent arrest gewezen en geoordeeld dat de klacht van [eiseres] niet tot cassatie kan leiden.

2.5. Op 23 maart 2012 heeft Deloitte Forensic & Dispute Services (hierna: Deloitte) in opdracht van Hanwel een rapportage laten opmaken van de schade die Hanwel als gevolg van het afbreken van de onderhandelingen heeft geleden. Deloitte heeft de geleden schade berekend op € 392.985,00 exclusief overige (proces)kosten.

2.6. Op 16 mei 2012 heeft Hanwel ten laste van [eiseres] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder SWK Biosystems B.V. te Enschede (hierna: SWK). SWK huurt van [eiseres] het pand aan de [adres]. Voornoemd derdenbeslag heeft betrekking op de huurpenningen die SWK aan [eiseres] verschuldigd is. De huurprijs bedraagt € 3.500,00 exclusief BTW per maand. Voorts heeft Hanwel conservatoir beslag gelegd op het aan [eiseres] toebehorende onroerend goed, staande en gelegen aan de [adres]. De vordering van Hanwel is in het beslagrequest en het verlof begroot op een bedrag van € 594.000,00 inclusief rente en kosten.

3. De vordering en het verweer

3.1. [Eiseres] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, de opheffing van het op 16 mei 2012 gelegde conservatoir derdenbeslag, dat Hanwel heeft doen leggen onder SWK Biosystems B.V., binnen twee dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom. Tevens vordert zij dat aan het beslag op het onroerend goed aan de [adres] te Enschede de voorwaarde wordt verbonden dat Hanwel de schadestaatprocedure instelt binnen veertien dagen. Dit alles met veroordeling van Hanwel in de proceskosten.

3.2. Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres] – kort samengevat – dat de vordering van Hanwel op [eiseres] onjuist begroot is. Op grond van de staffel in de beslagsyllabus had de vordering van Hanwel moeten worden begroot op € 501.582,00 (€ 392.985 wegens hoofdsom, vermeerderd met € 90.000,00 en € 18.597,00) in plaats van € 594.000,00. Voorts stelt [eiseres] dat Hanwel ten onrechte een deel ad € 97.206,00 wegens ‘investeringen in het oude huurpand’ heeft ondergebracht in het schadebedrag. Partijen hebben volgens [eiseres] namelijk afgesproken dat zij ter gelegenheid van de oplevering van het door Hanwel gehuurde pand met gesloten beurzen uit elkaar zouden gaan. Tevens heeft [eiseres] reeds een voorschot van € 10.000,00 voldaan aan Hanwel wegens schadevergoeding. Het schadebedrag ziet dan ook volgens [eiseres] maximaal op € 371.512,70. Volgens [eiseres] bestaat er voldoende dekking voor dit bedrag middels het beslag op de bedrijfsruimte. Uit de diverse taxaties en de WOZ-waarde van het onroerend goed blijkt volgens [eiseres] dat de waarde van het onroerend goed (ruim) € 600.000,00 bedraagt. Onder aftrek van de nog openstaande hypothecaire leningen ad € 71.155,24, is dit bedrag ruimschoots voldoende om de gepretendeerde vordering van Hanwel te voldoen. Voorts stelt [eiseres] zich dan ook op het standpunt dat het gelegde beslag op de huurpenningen vexatoir is. Bovendien worden de huurpenningen door de heer [X] aangewend als aanvulling op zijn AOW-uitkering. Deze extra inkomsten heeft de heer [X] nodig om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

3.3. Hanwel betwist dat het gelegde derdenbeslag vexatoir is en dat [eiseres] op onredelijke wijze door de beslaglegging zou worden getroffen. Volgens Hanwel bestaat over de waarde van het onroerend goed waarop beslag is gelegd grote onzekerheid. In de huidige markt worden extreem lage bedragen geboden bij een executieverkoop. In opdracht van Hanwel is de waarde van het onroerend goed (kort gezegd) bij gedwongen verkoop getaxeerd op € 445.000,00. Hanwel betwist dat de hypothecaire leningen van [eiseres] € 71.155,24 bedragen en stelt zich op het standpunt dat enkel het beslag op het onroerend goed onvoldoende dekking biedt voor haar vordering. Voorts is het derdenbeslag onder de huurster van [eiseres] van groot belang voor Hanwel, omdat de maandelijkse huurpenningen van € 3.500,00 exclusief BTW eenvoudig kunnen worden geïnd. Daar komt bij dat de kredietwaardigheid van [eiseres] slecht is, zodat er alle reden voor Hanwel is om haar positie zeker te stellen. Ten aanzien van de belangen van de heer [X] bij het ontvangen van de huurpenningen, stelt Hanwel dat de belangen van heer [X] in persoon niet dienen te worden meegewogen. De heer [X] is voor wat betreft de huurpenningen eveneens een schuldeiser van [eiseres].

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen wordt voldoende aanwezig geacht.

4.2. Volgens het bepaalde in art. 705 lid 2 Rv dient een conservatoir beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.3. De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

4.4. Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat de vordering inclusief rente en kosten van Hanwel zoals in het beslagrequest (en in het daarop gebaseerde verlof) genoemd ten onrechte is begroot op € 594.000,00. Met inachtneming van de staffel in de beslagsyllabus had de vordering van Hanwel moeten worden begroot op € 501.582,00.

4.5. Ten aanzien van de omvang van het schadebedrag van € 392.985,00 (hoofdsom) overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [Eiseres] heeft in het kader van deze procedure voorlopig voldoende aannemelijk gemaakt dat Hanwel een bedrag van € 97.206,00 wegens investeringen in het oude huurpand ten onrechte heeft aangemerkt als schade. [Eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling een brief van 3 februari 2011 van mr. Huisman (de toenmalige advocaat van Hanwel) overgelegd, waarin zijdens Hanwel wordt geconcludeerd dat: “de oplevering wordt geacht te hebben plaatsgevonden, waarbij partijen over en weer terzake van de oplevering met gesloten beurzen uit elkaar gaan”, aldus mr. Huisman. Hanwel heeft deze afspraken ter zitting onvoldoende betwist. Daarbij komt dat voornoemde brief ruim na de oplevering (volgens Hanwel 31 december 2010) is opgesteld, zodat de afspraken in ieder geval ruim na die oplevering zijn gemaakt. Nu dit onderdeel van het schadebedrag ad € 97.206,00 naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte is aangemerkt als schade, resteert een gepretendeerde vordering (hoofdsom) van € 295.779,00. Tevens heeft [eiseres] – zo is onbetwist gebleven – een voorschot betaald aan Hanwel van € 10.000,00. Dit bedrag dient eveneens in mindering dient te worden gebracht op de resterende hoofdsom, zodat een bedrag van € 285.779,00 resteert. Het overige (algemene) verweer van [eiseres] tegen het door Deloitte berekende schadebedrag is niet nader onderbouwd en – gelet op de betwisting zijdens Hanwel – thans onvoldoende om te oordelen dat (een deel van de) resterende gepretendeerde vordering ondeugdelijk zou zijn. Zo heeft Hanwel aangevoerd dat zij door het staken van de onderhandelingen genoodzaakt was een ander pand te betrekken, terwijl zij wel de huurpenningen voor het achtergelaten pand aan [eiseres] diende te betalen. Dit verklaart een belangrijk deel van de verhoogde vordering na 2007. Na berekening van de rente en kosten op grond van de staffel van de beslagsyllabus (een verhoging van 30%) resteert alsdan een gepretendeerde vordering van € 371.512,70.

4.6. Voor de vraag welke dekking de beslagen zaken bieden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter allereerst het volgende van belang. Van algemene bekendheid is dat in de huidige markt de verkoop van onroerend goed en in het bijzonder bedrijfsruimte (zeer) moeizaam verloopt. De beslagwaarde van een dergelijk object is dan ook beperkt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient bij de beoordeling van de waarde van het beslagen onroerend goed te worden uitgegaan van de executiewaarde. Immers, indien de vordering van Hanwel in de schadestaatprocedure wordt toegewezen en [eiseres] niet aan dat vonnis voldoet, zal executie (althans gedwongen verkoop) plaatsvinden. Deze waarde ligt, zeker in de huidige omstandigheden op de markt, ruim lager dan de onderhandse verkoopwaarde. [Eiseres] heeft een taxatierapport overgelegd waarbij tevens de executiewaarde is opgenomen (€ 560.000,00, taxateur [W]). De overige taxaties op basis van een onderhandse verkoopwaarde laat de voorzieningenrechter gelet op het bovenstaande buiten de beoordeling. Hanwel heeft een taxatie laten uitvoeren waarbij is uitgegaan van zogenoemde bijzondere omstandigheden, waarbij geen sprake is van een bereidwillige verkoop maar van een gedwongen verkoop (€ 445.000,00, taxateur [V]). Op deze waarde dienen voor de beoordeling van de beslagwaarde de op dit moment bestaande hypothecaire leningen in mindering te worden gebracht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt middels de brief van de Rabobank van 7 juni 2012 dat deze leningen € 71.155,24 bedragen. In het geval van de laagst getaxeerde waarde ad € 445.000,00 betekent dit dat de vordering van Hanwel zeer krap wordt gedekt (€ 445.000,00 -/- € 71.155,24 = € 373.844,76, terwijl de thans aannemelijk geachte resterende vordering van Hanwel € 371.512,70 bedraagt). In het geval van de hoogst getaxeerde waarde ad € 560.000,00 wordt de vordering van Hanwel wel gedekt (€ 560.000,00 -/- € 71.155,24 = € 488.844,76).

4.7. Dat de vordering van Hanwel zeer krap of in een gunstiger geval wel ruimer gedekt zou worden door het beslag op de bedrijfsruimte van [eiseres], betekent nog niet dat daarmee het derdenbeslag dient te worden opgeheven. In beginsel is het aan Hanwel om te kiezen op welke zaken zij beslag wenst te leggen, zij het op de minst bezwarende wijze. In een procedure als de onderhavige dient te worden beoordeeld of de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen onevenredig zwaar in zijn belangen wordt getroffen. Hanwel heeft aannemelijk gemaakt dat het derdenbeslag op de huurpenningen van groot belang voor haar is, gelet op de eenvoudige wijze waarop deze bedragen kunnen worden geïnd. Anderzijds heeft [eiseres] gesteld dat de heer [X] mede afhankelijk is van de betaling van die huurpenningen, nu dit als aanvulling op zijn AOW-uitkering wordt gebruikt. Dit is niet aan te merken als een belang van [eiseres], maar als een belang van een van de schuldeisers van [eiseres], nu [eiseres] kennelijk de huurpenningen aan de heer [X] uitkeert. Enig ander zwaarwegend belang aan de zijde van [eiseres] is niet gesteld of gebleken. Mede gelet op de (zeer) beperkte dekking van het beslagen onroerend goed en de onzekerheid die de huidige marktomstandigheden voor Hanwel in dat kader met zich meebrengt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen grond is om het derdenbeslag thans op te heffen. De vordering van [eiseres] tot opheffing van het derdenbeslag onder SWK, zal derhalve worden afgewezen.

4.8. Met [eiseres] is de voorzieningenrechter wel van oordeel dat Hanwel, met name nu de Hoge Raad eindarrest heeft gewezen, zo snel mogelijk de schadestaatprocedure dient op te starten. Ter zitting is namens Hanwel verklaard dat de conceptdagvaarding reeds gereed ligt. De voorzieningenrechter zal dan ook aan het beslag van Hanwel op de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] te Enschede de voorwaarde verbinden dat Hanwel binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis de schadestaatprodecure aanhangig dient te maken. [Eiseres] heeft weliswaar gevorderd om de voorwaarde te verbinden aan de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres], maar uit de beslagstukken (productie 2 bij dagvaarding) blijkt dat Hanwel enkel op de bedrijfsruimte aan de [adres] (kadastraal bekend gemeente Lonneker, sectie [X], nummer [xxxx]) beslag heeft gelegd. Nu [eiseres] niet tevens (subsidiair) gevorderd heeft om voornoemde voorwaarde ook aan het derdenbeslag onder SWK te verbinden, is er geen grond is om aan beide gelegde beslagen deze voorwaarde te verbinden.

4.9. [Eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hanwel worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. verbindt aan het beslag van Hanwel op de bedrijfsruimte van [eiseres] gelegen aan de [adres] te Enschede de voorwaarde dat Hanwel de schadestaatprocedure zoals bedoeld in het vonnis van de kantonrechter van 27 mei 2008 (zaaknummer 244782 CV EXPL 07-3436) aanhangig dient te maken binnen veertien dagen na heden en heft dit beslag op indien en voor zover niet binnen de gestelde termijn aan deze voorwaarde is voldaan;

II. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Hanwel tot op heden begroot op € 1.391,00;

III. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.