Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX3159

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
08/710244-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met een ander, onder toepassing van geweld en/of bedreiging met geweld goederen heeft gestolen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar en betaling van 2000 euro aan benadeelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710244-12

Datum vonnis: 31 juli 2012

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1992] in [geboorteplaats] [geboorteland],

verblijvende in het huis van bewaring te Doetinchem.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 juli 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr.

D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Op 10 maart 20102, al dan niet samen met een ander, onder toepassing van geweld en/of bedreiging met geweld goederen heeft gestolen van [slachtoffer].

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2012, in de gemeente Enschede,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres]

heeft weggenomen een mobiele telefoon en/of een laptop en/althans/in elk geval

enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s):

- een vuurwapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp op die

[slachtoffer] heeft gericht (gehouden), en/of

- die [slachtoffer] heeft gedwongen, althans heeft gezegd, dat die [slachtoffer] op de

grond moest gaan liggen en/of (vervolgens) de handen van die [slachtoffer] op de

rug heeft vast gebonden en/of een (keuken)doek in de mond van die [slachtoffer]

heeft gestopt, en/of

- die [slachtoffer] -liggend op de grond- tegen het hoofd en/of lichaam heeft

geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of met een wapen

tegen het hoofd heeft geslagen, en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd/geroepen -zakelijk weergegeven- dat hij,

verdachte die [slachtoffer] dood zou schieten en/of dat het de laatste avond

voor die [slachtoffer] was en/althans soortgelijke wooorden van bedreigende aard

of strekking;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging gepleegd, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel een proeftijd wordt verbonden van drie jaar, waarbij als bijzondere voorwaarde zal worden gesteld dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, bestaande in een meldingsgebod en deelname aan gedragsinterventies.

De door de benadeelde partij [slachtoffer] ingediende vordering, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,-- dient volgens de officier van justitie integraal te worden toegewezen met oplegging daarbij van de Terwee-maatregel tot een bedrag van

€ 1.000,-- subsidiair 20 dagen hechtenis.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste diefstal met geweldpleging, in vereniging gepleegd. Daarbij heeft de officier van justitie met name gelet op de aangifte van het slachtoffer [slachtoffer], de foto’s van het door hem bekomen letsel, de verklaring van de verdachte en het onder hem aangetroffen wapen, de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] en de onder deze aangetroffen tie rips en de uitkomst van het in dat verband door het NFI verrichte DNA-onderzoek.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - kort gezegd - gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte ter toe-eigening goederen uit de woning van aangever [slachtoffer] heeft weggenomen, maar dat het oogmerk om met betrekking tot deze goederen geweld te gebruiken niet, althans onvoldoende uit de door de officier van justitie genoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat verdachte van de ten laste gelegde geweldpleging dient te worden vrijgesproken.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 maart 2012, in de gemeente Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen een mobiele telefoon en een laptop toebehorende aan [slachtoffer],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte:

- een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] heeft gericht, en

- die [slachtoffer] heeft gedwongen, althans heeft gezegd, dat die [slachtoffer] op de

grond moest gaan liggen en vervolgens de handen van die [slachtoffer] op de

rug heeft vast gebonden en een keukendoek in de mond van die [slachtoffer]

heeft gestopt, en

- die [slachtoffer] -liggend op de grond- tegen het hoofd en lichaam heeft

geschopt en geslagen en met een wapen tegen het hoofd heeft geslagen, en

- tegen die [slachtoffer] heeft geroepen -zakelijk weergegeven- dat hij,

verdachte die [slachtoffer] dood zou schieten en dat het de laatste avond

voor die [slachtoffer] was.

De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Op 10 maart 2012 doet [slachtoffer] aangifte van een diefstal met geweld. Hij verklaart daartoe - zakelijk weergegeven:

Op 10 maart 2012 omstreeks 22:00 uur à 22:30 uur, werd ik gebeld door een man die vertelde dat hij mijn telefoonnummer had gekregen van een Turkse man die Hassan heette. De man die mij belde gaf aan dat hij over een kwartier wilde komen en vroeg aan mij of ik papieren voor hem wilde invullen. Ongeveer een kwartier later werd er aan de deur gebeld. Ik keek eerst door het raam naar buiten en zag een man voor de voordeur staan die ongeveer 1.80 meter groot was, een slank postuur en een getinte huiskleur had. Ik liet de man binnen. In de woonkamer vroeg ik de man om de papieren. Ik zag dat de man met zijn rechter hand in de binnenzak van zijn jas greep en daaruit een vuurwapen haalde. Ik zag dat de man het wapen naar mij richtte en ik hoorde dat hij tegen mij zei dat ik op de grond moest liggen. Toen ik op de grond lag, bond de man mijn handen vast op de rug met plastiek bandjes. Hierop begon de man mij te slaan en te schoppen tegen mijn hoofd en tegen mijn rug. Hij heeft me ook een keer met het wapen geslagen tegen mijn hoofd. De man stopte mij ook een keukendoek in mijn mond. Hij bond ook mijn benen vast met de plastic bandjes. Toen ik was vastgebonden vroeg de man om geld en waar mijn bankpas was. Ik vertelde dat ik geen geld in huis had. De man reageerde hier erg boos op en zei dat hij mij dood zou schieten als ik geen bankpas en geld kon geven. Hij riep dat het mijn laatste avond was. Ik hoorde dat de man kastjes in de woning opende en dicht deed. Op een gegeven moment werd het stil in de woning. Het lukte mij om mijn benen los te krijgen. Ik ben toen naar buiten gegaan en naar mijn buurvrouw gelopen. Ik vertelde dat ik overvallen was. De buurvrouw heeft vervolgens mijn handen los gemaakt met een mes. Vervolgens ben ik weer naar mijn huis gegaan en heb ik 112 gebeld. Ik zag dat mijn laptop en mijn mobiele telefoon weg waren.

De op bladzijde 111 tot en met 116 van het proces-verbaal weergegeven fotobladen betreffende het letsel van aangever [slachtoffer] voornoemd.

De getuige [getuige] heeft op 10 maart 2012 bij de politie - zakelijk weergegeven - verklaard:

Op zaterdag 10 maart 2012 omstreeks 23.10 uur, was ik in mijn woning aan de [adres] te [plaats]. Opeens hoorde ik dat er zachtjes op de ruiten aan de voorzijde van mijn woning werd getikt. Ik keek wie er voor de ramen stond en zag vervolgens dat het mijn buurmnan [slachtoffer] betrof. Ik hoorde dat [slachtoffer] riep: “Buurvrouw ik ben vast gebonden”. Ik zag dat de handen van [slachtoffer] achter op zijn rug waren vast gemaakt met zwarte plastic draadjes. In de keuken heb ik deze plastic draadjes met een schaar open geknipt. De buurman vertelde mij dat hij was overvallen en dat hij de politie moest bellen.

De verdachte heeft op 11 april 2012 bij de politie - zakelijk weergegeven- onder meer verklaard:

Op 10 maart 2012 vroeg ik aan mijn oom [medeverdachte] of hij iemand wist die verstand heeft van het invullen van de belastingaangifte. [medeverdachte] zei dat hij een vriend had die dat wel kon. [medeverdachte] pakte zijn telefoon en drukte een nummer in. Hij gaf mij zijn telefoon en ik kreeg een man aan de lijn. Ik vroeg die man mij te helpen met de belastingpapieren. Ik ging samen met [medeverdachte] op één fiets naar het adres van die man. [medeverdachte] wees mij het adres en fietste weg. Na aanbellen opende een mij onbekende man de deur, die mij binnen liet. Ik heb toen zijn telefoon en zijn laptop weggenomen. Toen hij mij vast greep aan mijn kleding, heb ik hem opzettelijk een klap gegeven.

Door de brigadier van de regiopolitie Twente F.J. Olde Boerrichter wordt verklaard dat door hem op 10 maart 2012 een forensisch onderzoek naar sporen werd verricht in verband met een overval in een woning op 10 maart 2012. Op het moment van veiligstellen wordt aan de sporendragers een S (poor) I (dentificatie) N (ummer) toegekend. Het sporenmateriaal aangetroffen ten behoeve van forensisch DNA-onderzoek is conform de bepalingen van artikel 138a van het Wetboek van Strafvordering inbeslaggenomen. Het onderzoek is verricht in een woning aan de [adres] te [woonplaats]. De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

- 4 kabelbinders tot een lus gevormd, SIN AAEK3950NL;

- 4 kabelbinders tot een lus verbonden, doorgeknipt, SIN AAEK3949NL.

Door de brigadier van de politie Twente W.A. van Eekelen, werkzaam bij de Unit Regionale Tactische Recherche, team Druwa (Drugs & Wapens) wordt verklaard dat op 11 april 2012 onder de verdachte [verdachte], geboren [1992] te [geboorteplaats] in [geboorteland], een op een vuistvuurwapen gelijkend voorwerp werd aangetroffen en inbeslaggenomen.

Het op het vuistvuurwapen gelijkend voorwerp is een nabootsing van een pistool, dat voor wat betreft vorm, afmeting, een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Walther PPK.

Door dr. P.A. Maaskant- van Wijk, als deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag wordt verklaard dat door de officier van justitie mr. A. Nijland-Hermelink van het arrondissementsparket Zwolle-Almelo op 20 juni 2012 is verzocht om in de zaak van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] en het slachtoffer [slachtoffer], een onderzoek te doen naar biologische sporen en een DNA-onderzoek. Het te onderzoeken materiaal betrof onder meer een kabelbinder AAEK3950NL en een referentiemonster wangslijmvlies van het slachtoffer [slachtoffer] RAAR3691NL. Bij het vergelijkend DNA-onderzoek is betrokken het referentiemonster van de verdachte [verdachte], geboren op [1992], RAAR4525NL. Van het celmateriaal in de bemonstering kabelbinders AAEK3950NL is een DNA-mengprofiel verkregen met daarin DNA-kenmerken van (ten minste) twee personen. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] RAAR3691NL matcht met dit DNA-profiel. Dit betekent dat het slachtoffer [slachtoffer] één van de donoren van het celmateriaal in deze bemonstering kan zijn. Onder de aanname dat het slachtoffer [slachtoffer] daadwerkelijk één van de donoren van het celmateriaal in deze bemonstering is, en

onder de aanname dat de bij het vergelijkend DNA-onderzoek betrokken DNA-kenmerken afkomstig zijn van twee personen, is het DNA-profiel van de tweede donor afgeleid. Dit afgeleide DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] EAAE4525NL. Dit betekent dat de bemonstering AAEK3950NL celmateriaal bevat dat afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer] en daarnaast celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte]. De berekende frequentie van het afgeleide DNA-profiel van de tweede donor van het celmateriaal in de bemonstering AAEK3950NL is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

De verklaringen van de verdachte en de hierboven genoemde aangever, getuige en forensisch onderzoekers zijn opgetekend in processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt. De verklaring van de genoemde deskundige is vervat in een door hem naar waarheid, volledigheid en naar beste inzicht opgesteld rapport.

De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

In dat verband acht de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, op grond van bovenstaande bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in vereniging heeft gepleegd.

Voor bewezenverklaring van medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist en moet er sprake zijn van een redelijke gelijkwaardige samenwerking bij het vervullen van de bestanddelen van een strafbaar feit. De intensiteit van de samenwerking, de taakverdeling, de rol van een verdachte in de voorbereiding, uitvoering en afhandeling, het feit dat hij of zij zich niet heeft teruggetrokken en zijn of haar aanwezigheid op belangrijke momenten, zijn belangrijke factoren bij de beantwoording van de vraag of gesproken kan worden van medeplegen. Van dit alles is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen om te concluderen dat er bij de medeverdachte in deze zaak sprake was van een redelijke gelijkwaardige samenwerking of dat sprake was van een meer substantiële bijdrage door de medeverdachte dan het ter beschikking stellen van zijn telefoon aan verdachte om aangever te kunnen bellen. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekomen tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen.

De raadsman heeft met betrekking tot de bovenvermelde bewezenverklaring - kort gezegd- aangevoerd dat kritisch dient te worden gekeken naar de belastende verklaring die door aangever is afgelegd omtrent hetgeen zich in de woning zou hebben afgespeeld. De raadsman heeft hieraan weliswaar geen conclusie verbonden, maar de rechtbank begrijpt deze stelling zodanig dat naar de mening van de verdediging de nodige terughoudendheid dient te worden betracht bij het wegen van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever in het kader van de bewezenverklkaring.

Voorop gesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap hoeft af te leggen (vgl. Hoge Raad 5 februari 2008, LJN BB4103).

Hetgeen namens verdachte is aangevoerd verlangt echter een nadere weerlegging.

De rechtbank stelt vast dat de aangever [slachtoffer] kort na het ten laste gelegde gebeuren bij de politie een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd. Deze verklaring wordt op essentiële punten ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige], aan de hand van hetgeen door haar zelf is waargenomen betreffende het vastgebonden zijn van de armen van aangever met tie rips. De verklaring van aangever past ook in overig objectief bewijsmateriaal, te weten het nadien onder verdachte inbeslaggenomen wapen en het van hem verkregen DNA-mengprofiel op de kabelbinder.

De rechtbank heeft overigens, noch in het procesdossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting, aanwijzingen gevonden voor feiten die de verdachte daadwerkelijk ontlasten, dan wel op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van de belastende verklaring van aangever zou moeten worden getwijfeld. Dit alles leidt ertoe dat de door aangever afgelegde verklaring kan worden en door de rechtbank is gebruikt voor het bewijs in deze strafzaak.

De raadsman heeft voorts gesteld dat door verdachte geen geweld is gebruikt om de diefstal van de mobiele telefoon en de laptop te faciliteren.

De rechtbank passeert dit betoog. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte naar de woning is gegaan om een diefstal met geweld te plegen. Dat verdachte daarbij kennelijk de hoop had in de woning geld en/of bankpassen aan te treffen, betekent niet dat er geen verband bestaat tussen het door hem uitgeoefende geweld en de goederen die daadwerkelijk zijn weggenomen. Het is immers juist dit uitgeoefende geweld geweest dat de diefstal van de telefoon en de laptop mogelijk heeft gemaakt. Zo verdachte niet tevoren reeds het opzet op de diefstal met geweld van meer dan alleen geld en/of bankpassen had, heeft hij door zijn handelen in ieder geval van de gelegenheid gebruik gemaakt om ook andere zaken weg te nemen.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 312 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Voor wat betreft de strafbaarheid van de verdachte baseert de rechtbank zich op het door de GZ-psycholoog drs. M.N. Brak omtrent verdachte uitgebrachte rapport. Daarin wordt verdachte beschreven als een 20-jarige jongeman van [afkomst], die zich de Nederlandse taal- en cultuur eigen heeft moeten maken na vertrek uit zijn geboorteland en die al op zeer jonge leeftijd is geconfronteerd met een traumatische gebeurtenis in zijn leven, de plotselinge dood van zijn vader. Betrokkene heeft daarmee op jonge leeftijd geleerd zijn gevoelens te verdringen en geleerd zich sterk te maken als overleving. Veronderstelt kan worden dat de dood van zijn vader een schaduw over het gezinsleven heeft gebracht en dat er sprake is geweest van emotionele verwaarlozing van betrokkene.

Uit de klinische bevindingen komt betrokkene naar voren als een jongeman met narcistische trekken, met een eigenwijze stijl van communiceren die overtuigd is van zijn eigen gelijk. Er is weinig sprake van zelfreflexie en zelfinzicht. Betrokkene heeft een beperkte frustratietolerantie, welke kan leiden tot impulsieve acties wanneer de druk oploopt. Hij heeft weinig contact met zijn gevoelens van angst en agressie en hij neemt het niet zo nauw met geldende normen en waarden. We kunnen hier zeker spreken van anti-sociale trekken.

De persoonlijkheid van betrokkene met anti-sociale en narcistische trekken was aanwezig tijdens het ten laste gelegde en derhalve is het ten laste gelegde (indien bewezen) betrokkene enigszins verminderd toe te rekenen.

De rechtbank verenigt zich met de conclusie van de gedragsdeskundige en zij neemt deze over.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard het plegen van een diefstal, waarbij zowel vóór als tijdens de diefstal op degene die daarvan het slachtoffer is geworden, niet alleen is gedreigd met geweld, maar ook daadwerkelijk fysiek geweld is toegepast. Het feit heeft plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, zijnde bij uitstek de plaats waar iemand zich veilig en op zijn gemak moet voelen. Na binnenkomst in de woning wordt het slachtoffer onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedwongen op de grond te gaan liggen, worden zijn handen met behulp van tie rips op de rug gebonden en wordt hij geschopt en geslagen. Verdachte doorzoekt vervolgens de woning en verlaat deze weer met medeneming van een mobiele telefoon en een laptop. Een beroving zoals door verdachte gepleegd, getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een nauwelijks te beschrijven gebrek aan mededogen. Verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door puur winstbejag, zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om het lot van het slachtoffer. Zoals naar voren komt uit de zich bij de processtukken bevindende schriftelijke verklaring van het slachtoffer, heeft deze beroving een ingrijpende aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer met zich mee gebracht in de vorm van ernstige gevoelens van angst en onveiligheid. Naar de ervaring leert, kampen slachtoffers van zulke misdrijven in psychisch opzicht nog geruime tijd met de naweeën daarvan.

Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank bij haar overwegingen allereerst de oriëntatiepunten betrokken die voor het onderhavige feit zijn vastgesteld. Deze oriëntatiepunten geven voor een overval in een woning als uitgangspunt een gevangenisstraf van 3 jaren, waarbij in dit geval als strafvermeerderende factor in aanmerking komt de omstandigheid dat door verdachte een (op een vuurwapen gelijkend) wapen is gehanteerd.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de nog jonge leeftijd van verdachte, zijn vastgestelde enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid en met het feit dat hij blijkens het hem betreffend uittreksel justitiële documentatie niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank mede gelet op het eerdervermelde rapport van de gedragsdeskundige drs. Brak en het over verdachte uitgebrachte Reclasseringsadvies van 25 juni 2012. In beide rapportages wordt ter beperking van recidive en resocialisatie, het inzetten van reclasseringstoezicht en gedragsinterventies als zinvol beschouwd. Hoewel de rechtbank de wenselijkheid van reclasseringsbegeleiding van verdachte onderkent, zal zij hiertoe niet overgaan, nu zij - zoals ook in beide persoonsrapportages al valt te lezen - uit het verhandelde ter zitting niet overtuigd is geraakt van de bij verdachte op dit moment aanwezige motivatie om een behandelingstraject zoals voorgesteld, met succes te doorlopen.

Dit alles in ogenschouw nemende en tegen elkaar afwegende, daarbij rekening houdend met de gehele context waarin het strafbare feit plaatsvond, acht de rechtbank uit een oogpunt van normhandhaving een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren het meest passend bij de ernst en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is begaan. Voorzover tijdens de tenuitvoerlegging van deze straf in positieve zin mocht blijken van gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de motivatie voor behandeling bij verdachte, merkt de rechtbank nog op dat op 1 juli 2008 in werking is getreden de Wet van 6 december 2007, Stb. 2007, 500 in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling. Ingevolge deze wet wordt de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren onvoorwaardelijk, in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde deel daarvan heeft ondergaan (art. 15, tweede lid Sr.). Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen bijzondere vorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld, die onder meer deelname aan programmatische activiteiten gericht op de terugkeer in de maatschappij of het ondergaan van bijzondere zorg, kunnen inhouden (art. 15a, tweede en derde lid Sr.).

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], wonende te Enschede aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.000,-- (tweeduizend euro). Deze schade bestaat uit de post:

- een immateriële schadevergoeding ad € 2.000,--.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 2.000,--. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

8.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27 en 36f Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaren;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd van een bedrag van € 2.000,--;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.000,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 30 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bloebaum, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. ter Haar, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2012.