Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX3118

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
08/710914-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdenking komt er op neer dat verdachte ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. De rechtbank acht dit bewezen en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast een schadevergoeding aan de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710914-11

Datum vonnis: 31 juli 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1933] in [geboorteplaats],

wonende in [adres] te [woonplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 februari 2012, 10 april 2012 en 17 juli 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. C. Verrillo, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer:

Feit 1: dat verdachte bij een kind, [slachtoffer 1], jonger dan twaalf jaar seksueel is binnengedrongen, dan wel dat verdachte met een kind jonger dan zestien jaar ontuchtige handelingen heeft gepleegd, dan wel dat verdachte ontucht heeft gepleegd met zijn kleinkind/een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige;

Feit 2: dat verdachte bij een kind, [slachtoffer 2], jonger dan twaalf jaar seksueel is binnengedrongen, dan wel dat verdachte met een kind jonger dan zestien jaar ontuchtige handelingen heeft gepleegd, dan wel dat verdachte ontucht heeft gepleegd met zijn kleinkind/aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 augustus 2011,

in de gemeente [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats], en/of/althans (elders)

in Nederland,

meermalen althans eenmaal (telkens)

met [slachtoffer 1] (geboren [2005]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog

niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en)

uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina

en/of de anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht/gestopt en/of (over) de vagina

en/of anus en/of billen betast en/of gewreven;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 augustus 2011,

in de gemeente [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of/althans (elders) in

Nederland,

meermalen althans eenmaal (telkens)

met [slachtoffer 1] (geboren [2005]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog

niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het duwen/brengen/stoppen van een of meer van zijn,

verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] en/of betasten

en/of wrijven over de vagina en/of anus en/of billen en/of borsten van die

[slachtoffer 1];

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 augustus 2011,

in de gemeente [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of/althans (elders) in

Nederland,

ontucht heeft gepleegd met zijn kleinkind en/of de aan zijn zorg en/of

waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op [2005],immers

heeft hij een of meer vinger(s) in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1]

gestopt/gebracht/geduwd en/of (over) de vagina en/of anus en/of billen en/of

borsten van die [slachtoffer 1] betast en/of gewreven;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 augustus 2011,

in de gemeente [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of/althans (elders) in

Nederland,

meermalen althans eenmaal (telkens)

met [slachtoffer 2] (geboren [2003]), die toen de leeftijd van twaalf jaren

nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes,

vinger(s) in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht/gestopt

en/of (over) de vagina en/of anus en/of billen betast en/of gewreven;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 augustus 2011

in de gemeente [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats], en/of/althans (elders)

in Nederland,

meermalen althans eenmaal (telkens)

met [slachtoffer 2] (geboren [2003]), die toen de leeftijd van zestien jaren

nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het duwen/brengen/stoppen van een of meer van zijn,

verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] en/of betasten

en/of wrijven over de vagina en/of anus en/of billen en/of borsten van die

[slachtoffer 2];

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 augustus 2011

in de gemeente [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of/althans (elders) in

Nederland,

ontucht heeft gepleegd met zijn kleinkind en/of de aan zijn zorg en/of

waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [2003],

immers heeft hij een of meer vinger(s) in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2]

gestopt/gebracht/geduwd en/of (over) de vagina en/of anus en/of billen en/of

borsten van die [slachtoffer 2] betast en/of gewreven.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake van feit 1 primair en feit 2 subsidiair (voor wat betreft de periode van 1 augustus 2008 tot en met 17 augustus 2010) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest, met niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat feit 1 primair kan worden bewezen en verwijst hiervoor naar de aangifte, de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1] en de tijdens een studioverhoor afgelegde verklaring van [slachtoffer 1].

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat feit 2 subsidiair voor wat betreft de periode van 1 augustus 2010 tot en met 17 augustus 2011 kan worden bewezen en verwijst hiervoor naar de aangifte, de verklaring van de moeder van [slachtoffer 2] en de tijdens een studioverhoor afgelegde verklaring van [slachtoffer 2], met dien verstande dat niet is bewezen dat verdachte zijn vingers in de anus van [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of over de billen en/of anus van [slachtoffer 2] heeft gewreven.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de kinderen door de ouders enorm zijn beïnvloed nu de ouders voorafgaand aan de studioverhoren met de kinderen volop hebben gesproken over het vermeende seksueel misbruik door verdachte. [slachtoffer 1] zegt voorts dat zij van [slachtoffer 2] heeft gehoord dat verdachte aan haar vagina heeft gezeten. De raadsman acht de verklaring van [slachtoffer 1] tijdens het studioverhoor daarom ongeloofwaardig en onbetrouwbaar en stelt dat deze niet kan bijdragen tot het bewijs.

De raadsman stelt zich voorts op het standpunt dat, nu het aannemelijk is dat voorafgaand aan het studioverhoor meermalen met [slachtoffer 2] over het vermeende seksueel misbruik door verdachte is gesproken, ook ten aanzien van [slachtoffer 2] essentiële voorwaarden om een studioverhoor te doen slagen niet in acht zijn genomen. De raadsman stelt dat de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring onbetrouwbaar is en niet tot het bewijs kan bijdragen. De raadsman stelt dat er onvoldoende en zeer twijfelachtig bewijsmateriaal aanwezig is en dat de aan verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De rechtbank concludeert uit de bewijsmiddelen dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 augustus 2011 meermalen handelingen, die mede bestonden uit seksueel binnendringen, heeft gepleegd met [slachtoffer 1], die toen nog geen twaalf jaren oud was.

Uit de aangifte van de vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt dat de aanleiding tot het doen van aangifte een gebeurtenis op 15 augustus 2011 was. Verdachte was aanwezig in de woning van aangever in [woonplaats]. Vader hoorde dochter [slachtoffer 1] ‘au’ roepen, waarna [slachtoffer 1] vertelde over pijn aan haar vagina. De aangifte van vader wordt op dit punt gesteund door de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1]. De moeder heeft verklaard dat [slachtoffer 1] haar heeft verteld dat opa met zijn vinger in haar vagina heeft gezeten. De moeder heeft gezien dat de vagina van [slachtoffer 1] rood was. Uit de geneeskundige verklaring volgt dat de huisarts Oosterhuis van mening is dat de vulva van [slachtoffer 1] wat open stond en dat de hymenaal ring is verbroken.

De rechtbank concludeert uit de bewijsmiddelen voorts dat het seksueel binnendringen bij [slachtoffer 1] tevens heeft plaatsgevonden in [vm. woonplaats 1] en in [vm. woonplaats 2]. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat, toen zij in [vm. woonplaats 1] en toen zij in [vm. woonplaats 2] woonde, verdachte met zijn vinger in haar vagina is geweest en haar vagina heeft aangeraakt. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de moeder.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De rechtbank concludeert uit de bewijsmiddelen dat verdachte in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 17 augustus 2011 meermalen handelingen, die mede bestonden uit seksueel binnendringen, heeft gepleegd met [slachtoffer 2], die toen nog geen twaalf jaren oud was.

Uit de aangifte van vader volgt dat [slachtoffer 2] in hun woning in [woonplaats] meermalen door verdachte bij haar vagina is aangeraakt. Dit wordt bevestigd in de verklaring van [slachtoffer 2]. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf volgt voorts dat verdachte met zijn vinger ook in haar vagina is geweest.

Geloofwaardigheid/betrouwbaarheid verklaring in studioverhoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

De rechtbank neemt in aanmerking dat bij het hanteren van verklaringen van jeugdige minderjarigen voor het bewijs in strafzaken behoedzaamheid vereist is. De rechtbank heeft zowel acht geslagen op de wijze van verhoren, zoals de inhoud van de gestelde vragen, als op de wijze waarop [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] deze vragen hebben beantwoord. De rechtbank heeft op grond van de processen-verbaal inhoudende de schriftelijke uitwerking van de auditief geregistreerde verklaringen van [slachtoffer 1] en van [slachtoffer 2] tijdens de studioverhoren geen reden om aan te nemen dat aan de meisjes vragen zijn gesteld waarvan op hen enige aandrang zou kunnen zijn uitgegaan om anders te verklaren dan overeenkomstig hun eigen herinneringen aan de betreffende gebeurtenissen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben beide meisjes zich onbevangen kunnen uiten over hetgeen zij zich herinnerden.

Met betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer, dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door de ouders zijn beïnvloed en dat hun verklaringen zoals afgelegd tijdens de studioverhoren derhalve ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de aangifte van de vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt dat hij het belang om zo min mogelijk te sturen als ook om terughoudend te zijn in bevraging van de meisjes, heeft besproken met zijn vrouw, alsook dat zij op advies van de politie de kinderen niet meer hebben bevraagd. De vader heeft tevens verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] na de aangifte uit zichzelf over gebeurtenissen vertelden. De vader heeft voorts verklaard dat hij met [slachtoffer 2] niet eerder dan na een opmerking hierover van haarzelf, over handelingen die opa bij haar zou hebben gedaan heeft gesproken.

De rechtbank concludeert hieruit dat door de ouders op verantwoorde wijze en met de nodige terughoudendheid jegens de kinderen is gehandeld. Van enige sturing is niet gebleken. Uit het dossier blijkt evenmin van een aanwijsbare reden voor de ouders om verdachte in diskrediet te brengen. Zelfs al zou binnen het gezin over een en ander zijn gesproken, dan leidt dat naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk tot de conclusie dat de kinderen zijn beïnvloed om in ieder geval hun opa maar als verdachte aan te wijzen. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de door vader in de aangifte uiteengezette eerste spontane verklaring van [slachtoffer 1], nu deze verklaring op essentiële punten steun vindt in zowel de door de moeder hieromtrent afgelegde verklaring als in de, op professionele wijze in een studioverhoor afgenomen, verklaring van [slachtoffer 1] zelf. Daarnaast acht de rechtbank, de door de raadsman aangehaalde voorbeelden waaruit hij beïnvloeding afleidt, te weten het complimenteren voor het benoemen van het gebeurde en een gezamenlijk bezoek aan een huisarts, niet van dien aard dat daaruit dergelijke ondubbelzinnige conclusies kunnen worden getrokken. Er zijn voor de rechtbank geen redenen om aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2], zoals afgelegd tijdens de studioverhoren, te twijfelen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank, op basis van hetgeen hiervoor is uiteengezet, van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geloofwaardig en betrouwbaar zijn en aldus als bewijsmiddel kunnen worden gehanteerd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman hieromtrent.

5.3 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 augustus 2011 in de gemeenten [woonplaats] en [woonplaats] en [woonplaats], meermalen met [slachtoffer 1] (geboren [2005]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte telkens zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht/gestopt en over de vagina gewreven;

2

hij in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 17 augustus 2011 in de gemeente [woonplaats] meermalen met [slachtoffer 2] (geboren [2003]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte telkens zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht/gestopt en over de vagina gewreven.

De rechtbank heeft eventuele in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaringen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 244 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair en feit 2 primair

telkens het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is in een psychologisch en een neuropsychologisch rapport van 6 april 2012 gerapporteerd door een deskundige, genaamd G.J.W. Pol, psycholoog. De deskundige concludeert dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een cognitieve stoornis NAO (niet anderszins omschreven), zich uitend in een suboptimale oriëntatie in tijd, een algeheel vertraagde cognitieve verwerkingssnelheid, een aandachtsstoornis en stoornissen binnen het zogeheten frontale functiedomein, bestaande uit een beperkt visuo-constructief vermogen, een beperkte cognitieve flexibiliteit, een beperkt vermogen om te plannen en een gebrekkige impulscontrole. De deskundige acht het voorts niet onmogelijk dat er bij verdachte sprake is van een beginnende dementie. De deskundige concludeert dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De deskundige meent dat de kans op herhaling van soortgelijk delictgedrag op de langere termijn, nu de bij verdachte bestaande psychopathologie nog onveranderd aanwezig is en mogelijkerwijs erger wordt, niet zonder meer kan worden uitgesloten. Ter verkleining van het risico acht de deskundige van belang dat er wordt voorzien in een goed gestructureerde daginvulling en met name ook dat er wordt toegezien op de sociale contacten die verdachte onderhoudt. Gezien verdachtes leeftijd en gebrek aan motivatie, lijkt een behandeling weinig of geen meerwaarde te hebben. De rechtbank heeft kennis genomen van voornoemde rapportages en neemt de conclusie over de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid over.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal jaren meermalen schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn minderjarige kleinkinderen, de dochters van zijn stiefzoon, die gedurende deze periode mede aan zijn zorg waren toevertrouwd. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de machtspositie die hij als opa over deze jonge meisjes had en hij heeft het vertrouwen dat de meisjes in hem mochten hebben ernstig beschaamd. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn kleinkinderen en heeft hij de meisjes het recht ontnomen om zich in een veilige huiselijke omgeving en in hun eigen tempo lichamelijk en geestelijk te ontwikkelen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de onderhavige feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Voorts houdt de rechtbank rekening met de door voornoemde deskundige opgemaakte rapporten betreffende verdachte en onderschrijft zij de daarin neergelegde conclusie, zoals ook hiervoor onder 7 is beschreven. De licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft in het bijzonder meegewogen bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.

Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom dergelijke strafbare feiten te plegen, is de rechtbank van oordeel dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk moet zijn. De rechtbank ziet in de hoge leeftijd en lichamelijke conditie van verdachte reden om een groter deel dan door de officier van justitie geëist voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank onderschrijft de in voormeld psychologisch rapport geadviseerde toezichtnoodzaak, waarbij door de reclassering in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan een goed gestructureerde daginvulling voor verdachte, alsook een controle op zijn sociale contacten, ter beperking van het recidiverisico op de lange termijn. Derhalve zal de rechtbank, zoals door de officier van justitie gevorderd, het reclasseringstoezicht aan het voorwaardelijk strafdeel koppelen. De rechtbank is evenals de deskundige van oordeel dat een behandeling geen meerwaarde heeft.

Al het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en oplegging van de voormelde bijzondere voorwaarde passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, ondanks het feit dat de rechtbank ten aanzien van feit 2 – anders dan de officier van justitie – tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde komt.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

Voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, hebben zich op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces:

- [slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats], [adres];

- [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], [adres].

Voornoemde benadeelde partijen vorderen veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal:

- [slachtoffer 1] een bedrag van € 11.071,--, als voorschot smartengeld;

- [slachtoffer 2] een bedrag van € 11.071,--, als voorschot smartengeld.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partijen behouden zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen. Ook hebben de benadeelde partijen gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de benadeelde partijen ontvankelijk in de vorderingen en zijn de vorderingen deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de slachtoffers. Beiden ondervinden aanzienlijk nadeel in hun psychisch en lichamelijk welbevinden. Een (medische) eindsituatie is nog niet bereikt. De rechtbank ziet zich daarom genoodzaakt in dit stadium te volstaan met een schatting van de geleden immateriële schade. De in beide vorderingen opgevoerde schadeposten zijn tegen deze achtergrond tot na te melden hoogte voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde in zoverre toewijzen:

- ten aanzien van [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 2.000,--;

- ten aanzien van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 2.000,--.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt of zullen maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

Voor het overige deel van de vorderingen is de rechtbank van oordeel dat de gestelde schade door beide voornoemde benadeelde partijen niet voldoende is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partijen om de stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partijen ten aanzien van dat deel van de vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen desgewenst voor het overige aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal bij beide vorderingen de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 primair en feit 2 primair zijn toegebracht.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 57 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair en feit 2 primair telkens het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats], [adres], van een bedrag van € 2.000,--;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.000,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 30 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], [adres], van een bedrag van € 2.000,--;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.000,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 30 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. C. Verdoold en

mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2012.