Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX2728

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
105253 HA ZA 982 van 2009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Eiseres heeft gesteld dat zij na het bedrijfsongeval lijdt aan psychische klachten (PTSS met depressies) en een pijnsyndroom/whiplashletsel, met cognitieve klachten en beperkingen. Het één en ander leidt volgens eiseres tot beperkingen in de gehele geestelijke en lichamelijke belastbaarheid. De rechtbank gaat over tot het benoemen van een neuroloog en een neuropsycholoog als deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0694
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 105253 HA ZA 982 van 2009

datum vonnis: 18 juli 2012 (jj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats]

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het (voorschot) incident,

verweerster in het vrijwaringsincident,

verder te noemen: [eiseres],

advocaat: mr. M.J.E.C. Camps te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MIJ N.V.,

gevestigd te ‘s Gravenhage,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het (voorschot) incident,

eiseres in het vrijwaringsincident,

verder te noemen: Nationale-Nederlanden,

procesadvocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

voordien mr. Ph.C. Kleyn van Willigen te Almelo,

behandelend advocaat: mr. S.E. Phoelich-Pontier te Den Haag,

voordien mr. L. Kuipers.

Gehoord partijen;

Gezien de stukken, waaronder het op 2 februari 2011 uitgesproken tussenvonnis.

Het procesverloop.

In de hoofdzaak, het incident ex artikel 223 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering en

het vrijwaringsincident.

De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormelde vonnissen is overwogen.

In de hoofdzaak

- [eiseres] heeft een akte genomen en daarbij producties in het geding gebracht;

- Nationale-Nederlanden heeft een antwoordakte genomen en daarbij één productie in het geding gebracht;

- [eiseres] heeft een akte na onderhandelingen genomen en daarbij producties in het geding gebracht;

- Nationale-Nederlanden heeft een antwoordakte genomen en daarbij één productie in het geding gebracht;

- [eiseres] heeft een akte overleggen producties genomen;

- Nationale-Nederlanden heeft een akte uitlating producties genomen en daarbij één productie in het geding gebracht.

Partijen hebben vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing.

In de hoofdzaak, het incident ex artikel 223 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering en

het vrijwaringsincident.

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in het voormelde tussenvonnis is overwogen en beslist.

In de hoofdzaak

2. [eiseres] heeft in haar akte d.d. 15 juni 2011 gesteld dat zij na het bedrijfsongeval lijdt aan psychische klachten (PTSS met depressies) en een pijnsyndroom/whiplashletsel, met cognitieve klachten en beperkingen. Het één en ander leidt tot beperkingen in de gehele geestelijke en lichamelijke belastbaarheid. Uit de rapportage van het UWV en de ARBO DUO blijkt dat [eiseres] zeer gering belastbaar is geraakt na het bedrijfsongeval. Volgens [eiseres] kan een neurologisch en/of neuropsychologisch, dan wel een psychiatrisch onderzoek achterwege blijven omdat in het medische dossier de diagnose al is vastgesteld.

3. In punt 10 van haar akte d.d. 7 september 2011 stelt Nationale-Nederlanden dat onduidelijk is hoe [eiseres] precies ten val is gekomen en gelet op het ontbreken van informatie van de SEH, niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is van een whiplashtrauma. Verder meent Nationale-Nederlanden dat een hersenkneuzing erg onwaarschijnlijk is en dat niet alleen de psychische situatie van [eiseres] onvoldoende blijkt uit de op dat moment beschikbare informatie, maar ook is onduidelijk of haar psychische klachten een gevolg zijn van het ongeval. Ook is onduidelijk of er sprake is van PTSS.

Nationale-Nederlanden heeft de medische informatie die door [eiseres] bij dagvaarding en bij akte d.d. 15 juni 2011 is overgelegd, laten beoordelen door haar medisch adviseur en een kopie van dit rapport in het geding gebracht.

Nationale-Nederlanden stelt voor dat [eiseres] in het geding brengt recente medische informatie, de patiëntenkaart van minimaal 5 jaar voor het ongeval en nadere informatie als gesteld in de punten 16 en 17 van haar akte.

Nationale-Nederlanden stelt dat allereerst medisch moet worden vastgesteld of de door [eiseres] genoemde klachten en beperkingen een gevolg zijn van het ongeval, zodat na het in het geding brengen van de informatie, een neurologisch deskundigenonderzoek zou moeten plaatsvinden.

4.1 [eiseres] heeft in haar akte d.d. 7 maart 2012 voorgesteld een neuroloog en een neuropsycholoog als deskundige te benoemen. In haar antwoordakte d.d. 4 april 2012 stelt

Nationale-Nederlanden dat het benoemen van een neuroloog voldoende is.

Vervolgens heeft [eiseres] bij haar akte d.d. 18 april 2012 nog enige producties met medische gegevens in het geding gebracht. Nationale-Nederlanden heeft in haar akte d.d. 16 mei 2012 gesteld dat nog steeds medische informatie ontbreekt.

4.2 Wat daar ook van zij, uit de stellingen van partijen, die de rechtbank hiervoor kort heeft weergegeven, blijkt dat partijen op vele punten, ook met betrekking tot het benoemen van medische deskundigen, van mening verschillen.

De rechtbank heeft in haar vonnis d.d. 2 februari 2011 in rechtsoverweging 6 beslist dat zij advies van deskundigen zal inwinnen indien partijen niet instaat blijken te zijn gezamenlijk en in goed overleg deskundigenrapporten te laten opstellen. Dat [eiseres] volgens Nationale-Nederlanden nog niet al haar medische gegevens in het geding heeft gebracht, doet daaraan niet af.

5. In haar akte d.d. 7 maart 2012 stelt [eiseres] dat zij de onderhandelingen tussen partijen om in onderling overleg tot medische expertises te geraken als mislukt beschouwt en dat de onderhandelingen zijn gestaakt. Zij stelt voor om als deskundigen een neuroloog en een neuropsycholoog te benoemen. [eiseres] noemt de namen van twee deskundigen in iedere discipline.

6. Nationale-Nederlanden stelt dat het niet gebruikelijk is dat er onafhankelijk van een neuroloog, een neuropsycholoog wordt ingeschakeld. Zij meent dat de neuroloog een neuropsycholoog moet kiezen, indien hij het wenselijk vindt dat een neuropsycholoog wordt ingeschakeld.

Verder kan Nationale Nederlanden niet instemmen met de door [eiseres] voorgestelde deskundigen en noemt Nationale-Nederlanden de namen van twee neurologen.

7. Het is de rechtbank duidelijk dat partijen van mening zijn dat een neuroloog als deskundige moet worden benoemd. [eiseres] heeft voorgesteld dr. [X] als deskundige neuroloog te benoemen. Nationale-Nederlanden stelt dat zij met [X] de ervaring heeft dat zijn rapporten nogal eens aanleiding geven tot discussie achteraf.

Naar het oordeel van de rechtbank is discussie achteraf over een rapport niet à priori een teken dat de kwaliteit van het deskundigenrapport te wensen overlaat. Daar komt bij dat partijen door de deskundige in staat moeten worden gesteld om te reageren op het

concept deskundigenrapport.

Gezien hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en de ervaringen die zij heeft met zijn deskundigenrapporten, overweegt de rechtbank om in de nabije toekomst als deskundigen te benoemen:

dr. [X] (neuroloog)

p/a Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis

Weg door Jonkerbos 100

6532 SZ Nijmegen

Tel. 024-36587650

8. Gezien de complexiteit van de (medische) situatie van [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat met de benoeming van dr. [X] als deskundige, tevens een neuropsycholoog als deskundige moet worden benoemd. Met Nationale-Nederlanden is de rechtbank van oordeel dat de neuropsycholoog een hulponderzoek uitvoert en dat de neuroloog en de

neuropsycholoog kennis moeten kunnen nemen van elkaars deskundigenrapport.

Daarom overweegt de rechtbank om in de nabije toekomst als deskundige te benoemen:

dr. [Y] (neuropsycholoog).

p/a Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis

Weg door Jonkerbos 100

6532 SZ Nijmegen

Tel. 024-36587420

Bekend is dat beiden vaak als deskundigen samenwerken en de rechtbank zal de vraagstelling zo formuleren dat het onderzoek van dr. [Y] wordt geïncorporeerd in het deskundigenrapport van dr. [X].

9. Gelet op hetgeen [eiseres] in punt 6 van haar akte d.d. 7 maart 2012 en Nationale-Nederlanden in punt 8 van haar akte d.d. 4 april 2012 hebben gesteld, komt de rechtbank tot de volgende (concept) vragen.

10. Met betrekking tot het “disclosure statement” worden aan de deskundigen

dr. [X] en dr.[Y] ieder de volgende vragen voorgelegd:

1. Persoonlijke gegevens

a. Waar bent u werkzaam? (indien u bij meerdere organisaties werkzaam bent gaarne alle noemen)

b. Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?

c. Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak? (Te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring)

d. Heeft u in het verleden reeds als expertiserend deskundige opgetreden en zo ja, hoe vaak en in wiens opdracht? (Met “in wiens opdracht” wordt bedoeld: in opdracht van de eisende partij, van de aangesproken partij of van de rechter; het is uiteraard niet nodig namen te noemen)

2. Medisch wetenschappelijke opvattingen.

a. Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen?

Indien uw antwoord op vraag 2a bevestigend luidt:

b. Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover mogelijk met verwijzing naar literatuur)?

c. Welke is uw eigen opvatting?

d. Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel was gekomen dan waartoe u komt?

e. Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel was gekomen: kunt u aangeven wat dat oordeel zou zijn geweest?

3. Wilt u de antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen voegen bij uw rapportage.

11. De rechtbank is voornemens aan de deskundigen, de nog te benoemen neuroloog en neuropsycholoog, de volgende vragen te stellen:

I. Wilt u bij het uitvoeren van uw werkzaamheden en het opstellen van het deskundigenrapport de aanbevelingen en bepalingen van de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage in acht nemen.

(1) DE SITUATIE MET ONGEVAL

II. Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

III. Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

IV. Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en aanbeveling 2.2.7 RMSR)

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

V. Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

VI. Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR)

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

VII. Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18)

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

VIII. Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag g)?

IX. Neuropsychologischonderzoek

Wilt u naast uw onderzoek tevens onderzoek laten verrichten door de neuropsycholoog en haar de volgende vragen ter beantwoording voorleggen:

a. Zijn de beperkingen die zijn vastgesteld in het neuropsychologischonderzoek van

6, 22, 26 en 29 januari 2009 en vastgelegd in een rapport dat als productie 1-9 tot en met 1-12 bij dagvaarding in het geding is gebracht nog onverminderd aanwezig;

b. Indien die beperkingen zijn gewijzigd, wilt u dan, in samenhang met de hieronder

gestelde vragen, aangeven in welke mate daarvan sprake is;

c. Zijn er thans stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de

regulatie van emoties en gedrag of de helderheid van het bewustzijn;

d. Is het aannemelijk dat die aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een bepaalde (nader te omschrijven) gebeurtenis

of aandoening;

e. Zijn er wellicht andere oorzaken dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen;

f. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een tengevolge

van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn

dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan;

g. Hoe is de prognose en zijn er therapeutische adviezen op psychisch/psychosociaal

gebied;

h. Zijn er op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van deze casus van belang

kunnen zijn?

X. Rapport integreren

a. Wilt u bij de beantwoording van de aan u gestelde vragen tevens de bevindingen van het neuropsychologischonderzoek betrekken en het rapport van de neuropsycholoog

integraal deel laten uitmaken van uw deskundigenrapport?

(2) DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

XI. Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

XII. Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

(3) OVERIG (aanbeveling 2.2.11 RMSR)

XIII. Opmerkingen

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

12. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal zij [eiseres] toelaten bij akte te reageren op de door de rechtbank voorgestelde deskundigen en de aan de deskundigen te stellen vragen.

Vervolgens zal de rechtbank Nationale-Nederlanden toelaten om vier weken nadat [eiseres] haar reactie bij akte in het geding heeft gebracht, bij akte daarop te reageren.

13. Het is de rechtbank bekend dat de deskundige dr. [X] zijn aansprakelijkheid beperkt en daartoe in zijn deskundigenrapport de zin opneemt: “Door mij wordt geen aansprakelijkheid aanvaard, behoudens voorzover de door mij afgesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering in een voorkomend geval een aanspraak op schadevergoeding geeft”.

De rechtbank zal partijen opdragen zich dienaangaande bij voornoemde akte uit te laten.

14. In het tussenvonnis van 2 februari 2011 heeft de rechtbank beslist dat

Nationale-Nederlanden aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden en nog lijdt.

Op grond van die beslissing overweegt de rechtbank dat Nationale-Nederlanden te zijner tijd het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te voldoen en dat zij zich bij voornoemde akte tevens uitlaten over de hoogte van het voorschot.

15. Op hetgeen partijen overigens verdeeld houdt, zal de rechtbank, desnodig, in een later stadium ingaan.

De beslissing

De rechtbank:

In de hoofdzaak

I. Stelt beide partijen in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over hetgeen in de rechtsoverwegingen 12, 13 en 14 is overwogen.

II. Bepaalt daartoe als overwogen in rechtsoverweging 12.

III. Verwijst de zaak daartoe naar de civiele rolzitting van woensdag 1 augustus 2012.

IV. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen te Almelo door mrs. Van der Veer, Margadant en Marsman en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van 18 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.