Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX2217

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
08/710213-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdenking komt er op neer dat verdachte telkens seksueel is binnengedrongen bij iemand beneden de leeftijd van zestien jaar en seksueel is binnengedrongen bij iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar. De rechter verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar waarvan 1 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een schadevergoeding aan de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710213-12

Datum vonnis: 20 juli 2012

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] in [geboorteplaats] [geboorteland],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in de PI Utrecht, locatie Nieuwegein,

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 juli 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,mr. Van Zwol, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman, mr. Penn, advocaat te Maastricht, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1, 2 en 3: telkens seksueel is binnengedrongen bij iemand beneden de leeftijd van zestien jaar en:

feit 4: seksueel is binnengedrongen bij iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1. hij op of omstreeks 18 mei 2010 te Enschede, met [slachtoffer 1] [geboren op 1996], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal met zijn penis de anus en/of de vagina van die [slachtoffer 1] binnengedrongen;

2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2010 tot en met 27 maart 2012 te Enschede, (telkens) met [slachtoffer 2] (geboren op [1996]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte meermalen,

althans eenmaal met zijn vinger(s) en/of zijn penis de vagina van zie [slachtoffer 2] heeft binnengedrongen;

3. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 juli 2011 te Enschede, (telkens) met [slachtoffer 3] (geboren op [1998]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte meermalen,

althans eenmaal met zijn penis de vagina van die [slachtoffer 3] binnengedrongen;

4. hij op één of meer tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 te Enschede, (telkens) met [slachtoffer 4] (geboren op [1998]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal met zijn penis de vagina van die [slachtoffer 4] binnengedrongen;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest en voorts dat de drie civiele vorderingen bij wijze van voorschot worden toegewezen tot een bedrag van telkens € 2.000,= met oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel.

3.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat zijn cliënt van alle vier tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken, aangezien schakelbewijs in deze zaak geen soelaas biedt en er in geen van de feiten sprake is van voldoende wettig bewijs. In alle gevallen geldt volgens de raadsman steeds dat het enige bewijsmiddel de aangifte is. Deze onderscheidenlijke aangiftes kunnen niet als schakelbewijs dienen, nu geen sprake is van aanwezigheid in alle zaken van dezelfde specifieke overtuigende kenmerken aangaande de vermeende door verdachte gepleegde seksuele handelingen. Voor de feiten 1, 3 en 4 geldt telkens het adagium: “unis testis nullus testis”. Bij feit twee is er nog een chatgesprek tussen cliënt en het vermeende slachtoffer, maar ook uit de gehele inhoud van dat gesprek kan niet de conclusie getrokken worden dat er sprake is geweest van gemeenschap tussen beide personen. Dat gesprek dient ook niet lichtvaardig als steunbewijs te worden gebruikt, aangezien verdachte ook niet letterlijk zegt in dat chatgesprek dat sprake is geweest van seksueel contact met aangeeftster. Het enige dat vast uit het chatgesprek kan blijken is dat het meisje niet is komen opdagen op een afspraak.

Nu het bewijsminimum bij geen der feiten wordt gehaald, er vier keer geen steunbewijs is door onafhankelijke bewijsbronnen en schakelbewijs niet mogelijk is, dient integraal vrijspraak te volgen en dienen de civiele vorderingen te worden afgewezen dan wel niet ontvankelijk te worden verklaard. Bovendien wordt in de civiele vorderingen uitgegaan van verkrachting, hetgeen niet is tenlastegelegd.

Subsidiair voert de raadsman aan dat de eis disproportioneel is en alleen lijkt te zien op vergelding. Er wordt bij de eis geen rekening gehouden met verzachtende omstandigheden, zoals het feit dat de meisjes zelf al seksueel actief waren. Een matiging is op zijn plaats en het onvoorwaardelijke deel van een straf dient gelijk te zijn aan de reeds ondergane detentie. Daarnaast dient een voorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd met daarbij de bijzondere voorwaarde het opvolgen van de aanwijzingen door de reclassering.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

De rechtbank kan de redenering van de verdediging niet volgen. Ten aanzien van elk tenlastegelegd feit is aan het bewijsminimum voldaan. Naast de aangifte staat immers steeds de verklaring van verdachte die in elk afzonderlijk geval erkent dat hij in contact is gekomen met het desbetreffende meisje en dat hij daarmee alleen op zijn slaapkamer is geweest. De verklaring van verdachte dat er vervolgens niets is gebeurd op seksueel gebied acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu alle aangeefsters anders verklaren en hun aangiften op wezenlijke punten betreffende het gedrag en de handelwijze van verdachte overeenstemmen. Bovendien valt niet in te zien welk belang aangeefsters hebben om hierover onwaarheid te spreken. Ieder van hen is daardoor in de relatie met hun ouders in de problemen gekomen. Ook de emotionele gevolgen voor aangeefsters, zoals die uit het dossier naar voren komen, duiden niet op verzonnen verhalen. Verdachte daarentegen heeft alle belang om te ontkennen dat hij seksueel contact heeft gehad met de aangeefsters. In die ontkenning is hij bovendien niet eenduidig, nu hij bij herhaling verklaard heeft dat de aangeefsters aangaven veel ouder te zijn en voorts dat hij veel spijt had van zijn daden. Dat zou allemaal niet nodig zij, als er inderdaad geen seksueel contact zou hebben plaatsgevonden.

De rechtbank is dan ook door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 18 mei 2010 te Enschede, met [slachtoffer 1] [1996], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte met zijn penis de vagina van die [slachtoffer 1] binnengedrongen;

2. hij in de periode van 11 mei 2010 tot en met 27 maart 2012 te Enschede, telkens met [slachtoffer 2] (geboren op [1996]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte met zijn penis de vagina van die [slachtoffer 2] binnengedrongen;

3. hij in de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 juli 2011 te Enschede, telkens met [slachtoffer 3] (geboren op [1998]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte met zijn penis de vagina van die [slachtoffer 3] binnengedrongen;

4. hij in de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 te Enschede, telkens met [slachtoffer 4] (geboren op [1998]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende verdachte met zijn penis de vagina van die [slachtoffer 4] binnengedrongen;

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikel 245 Sr en het onder 4 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 244 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2 en feit 3 telkens het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, telkens meermalen gepleegd;

feit 4 het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met meerdere jonge en éénn nog zeer jong meisje, waarbij ook telkens sprake is geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van deze meisjes.

Bij dit gepleegde seksuele misbruik heeft hij de belangen van de slachtoffers ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoeften en is hij daarmee volledig voorbij gegaan aan een van de meest elementaire rechten van die slachtoffers, te weten het recht op onaantastbaarheid van het lichaam

Voor de slachtoffers zijn deze gebeurtenissen een ingrijpende aantasting van hun persoon geweest en de ervaring leert dat zij ten gevolge van dit handelen ook op latere leeftijd nog langdurig, ernstige psychische problemen kunnen ondervinden op het terrein van seksualiteit en relatievorming.

In het voordeel van verdachte geldt dat hij niet eerder ter zake van soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.

Over verdachte is door de Reclassering gerapporteerd op 29 maart 2012 (door A.M.F. Smellink) en op 22 juni 2012 (door D.J. Suurland). De rechtbank heeft bij het vaststellen van na te melden straf acht geslagen op de inhoud van die rapporten.

Over verdachte is verder op 27 juni 2012 gerapporteerd door de psycholoog mr. drs. R.A. Sterk.

De deskundige verklaart, zakelijk en samengevat weergegeven, onder meer het navolgende.

Vooraf dient te worden opgemerkt dat het onderzoek enigszins werd bemoeilijkt door de sociaal wenselijke en defensieve houding van betrokkene en het feit dat hij zich slachtoffer voelt in het huidige strafproces. Hij was er tijdens het onderhavige onderzoek erg op gericht om een positief beeld van zichzelf neer te zetten, met als gevolg dat hij nauwelijks geneigd was over eventuele problemen te spreken. Hij was erop gericht om de rechtbank te laten zien dat er niets met hem mis is. Het geheel overziend is het verkregen beeld van de persoonlijkheid enigszins summier en oppervlakkig. De navolgende conclusies dienen met de nodige terughoudendheid beschouwd te worden.

Betrokkene komt in het onderhavige onderzoek naar voren als een enigszins overaangepaste 21-jarige jongeman van [afkomst], die beschikt over laag tot beneden gemiddelde intellectuele capaciteiten. Er is bij betrokkene geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens geconstateerd. Vanuit dit gezichtspunt kan er geen sprake zijn van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. Er is bij betrokkene evenmin sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ontwijkende persoonlijkheidsproblematiek.

Onderzoeker adviseert de rechtbank om betrokkene volledig toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank neemt het advies van de deskundige over en gaat derhalve uit van een volledig toerekeningsvatbare verdachte.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] aan de [adres] (feit 1), [slachtoffer 3], wonende te [woonplaats] aan de [adres] (feit 3) en [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats] aan de [adres] (feit 4) hebben zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partijen gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partijen worden ter terechtzitting vertegenwoordigd door hun advocaat mr. Stals, advocaat te Enschede. Hij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van een voorschot van € 2.000,-- aan elk van de benadeelde partijen De schade bestaat telkens uit de post immateriële schadevergoeding en wordt telkens gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook hebben de benadeelde partijen gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de benadeelde partij in hun vorderingen ontvankelijk en zijn de vorderingen gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de slachtoffers. De opgevoerde (immateriële) schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom telkens toewijzen tot een bedrag van € 2.000,=.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt of zullen maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij telkens de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1, 3 en 4 is toegebracht.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 Sr.

12. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

- feit 2 en feit 3 telkens het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, telkens meermalen gepleegd;

- feit 4 het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) jaren, waarvan één (1) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat veroordeelde dient mee te werken aan een nader onderzoek/behandeling bij een forensisch psychiatrische instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte - telkens bij wege van voorschot - tot betaling aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], allen voornoemd, van een bedrag van telkens € 2.000,=;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden telkens begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invorderingen;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten 1, 3 en 4 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van telkens € 2.000,= ten behoeve van de benadeelden, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat telkens vervangende hechtenis voor de tijd van 20 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoelde bedragen daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partijen het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partijen het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van telkens dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. Melaard, voorzitter, mr. Heijink en mr. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2012.