Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX1413

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
125353 / HA ZA 11-743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Bij inleidende dagvaarding heeft de curator gesteld opposant primair aansprakelijk te houden ex artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW), subsidiair ex artikel 2:9 BW en meer subsidiair ex artikel 6:162 BW wegens -kort samengevat- het op grote schaal frauderen met de boekhouding van curandi. Bij verstekvonnis van 2 november 2011 heeft de rechtbank de vorderingen van de curator toegewezen.

Opposanten hebben de curator bij exploot van 7 december 2011 doen aanzeggen in verzet te komen van voormeld vonnis, gewezen onder zaaknummer 122658 HA ZA 606 van 2011. Opposanten hebben met de summiere dagvaarding in oppositie de uitvoerig gemotiveerde -en met verklaringen onderbouwde- stellingen van de curator onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit klemt temeer nu zij ook bij dagvaarding in oppositie hebben erkend dat sprake was van spookfacturen over 2007 en van een ten onrechte uitbetaalde escrow. In acht genomen het voorgaande ziet de rechtbank geen reden tot gegrond verklaring van het verzet, zodat zij zal afwijzen hetgeen door opposanten in deze verzetprocedure is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2012-0135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 125353 / HA ZA 11-743

datum vonnis: 4 juli 2012 (ml)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [Opposant sub 1],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [opposant sub 1] en tezamen met opposanten sub 2 en 3

[opposant sub 1 c.s.],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Compublica B.V.,

gevestigd te Enschede,

verder te noemen Compublica en tezamen met opposanten sub 1 en 3

[eiser c.s.].,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Crossmedia Investments B.V.,

gevestigd te Enschede,

Crossmedia Investments ten tezamen met opposanten sub 1 en 2

[eiser c.s.].,

opposanten,

advocaat: voorheen mr. E.T.J.A.M. Nijkamp te Hengelo (Ov.),

die zich thans aan de zaak heeft onttrokken,

tegen

mr. Mink Maurits Jan Severiens q.q., in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Waterbeek Media B.V., Waterbeek Holding B.V. en Just Nautic B.V.,

kantoorhoudende te Enschede,

geopposeerde,

verder te noemen de curator,

advocaat: mr. M.M.J. Severiens te Enschede.

Het procesverloop in oppositie

Bij verstekvonnis van 2 november 2011 heeft de rechtbank de vorderingen van de curator toegewezen, echter met dien verstande dat de vordering tot betaling van het gehele boedeltekort is toegewezen onder aftrek van het in dat vonnis toegewezen voorschot, de vordering tot betaling van wettelijke rente over het boedeltekort is toegewezen vanaf de dag dat het boedeltekort bij verificatievergadering door deze rechtbank is vastgesteld tot aan de dag der algehele voldoening en het verzoek om waarmerking van het verstekvonnis als Europese executoriale titel is afgewezen.

[Opposant sub 1 c.s.] hebben de curator bij exploot van 7 december 2011 doen aanzeggen in verzet te komen van voormeld vonnis, gewezen onder zaaknummer 122658 HA ZA 606 van 2011.

[Opposant sub 1 c.s.] hebben bij genoemd exploot gevorderd hen te ontheffen van de veroordeling, tegen hen uitgesproken bij voormeld verstekvonnis van 2 november 2011 en de curator alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vorderingen af te wijzen, met zijn veroordeling in de kosten van het verzet.

De curator heeft vervolgens een conclusie van antwoord in oppositie tevens houdende incidentele vordering tot overlegging van bescheiden ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.), ex artikel 162 Rv. en ex artikel 22 Rv. genomen.

De advocaat van [opposant sub 1 c.s.] heeft zich vervolgens aan de zaak onttrokken en heeft de rechtbank daarvan op 24 mei 2012 bericht met een aan de rechtbank gericht B-formulier, overeenkomstig het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken. Eveneens overeenkomstig dit procesreglement heeft de rechtbank de onderhavige zaak verwezen naar de rol van 6 juni 2012 voor het stellen van een nieuwe advocaat aan de zijde van [opposant sub 1 c.s.].

Nu zich ter rolle van 6 juni 2012 geen andere advocaat voor [opposant sub 1 c.s.] heeft gesteld, heeft de curator verzocht om vonnis te wijzen in deze zaak.

Vonnis wordt heden uitgesproken.

De beoordeling van het geschil in oppositie en de motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid van het verzet

1. Artikel 143 lid 2 Rv. bepaalt dat het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.

Betekening van het vonnis heeft, blijkens het door [opposant sub 1 c.s.] overgelegde exploot van betekening, plaatsgevonden op 9 november 2011, zodat [opposant sub 1 c.s.] tijdig verzet hebben gedaan tegen het verstekvonnis van 2 november 2011.

Het geschil

2. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voor zover niet bestreden, staat tussen partijen het volgende vast:

a. Bij vonnis van 21 april 2010 van deze rechtbank zijn op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard Waterbeek Holding B.V., verder te noemen Waterbeek Holding, Waterbeek Media B.V., verder te noemen Waterbeek Media, en Just Nautic B.V., verder te noemen Just Nautic, zulks met benoeming van mr. M.M. Verhoeven tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. M.M.J. Severiens tot curator.

b. Waterbeek Holding was enig aandeelhouder van Waterbeek Media en Waterbeek GmbH. Waterbeek Media was enig aandeelhouder van Just Nautic.

c. Het gehele geplaatste aandelenkapitaal van Waterbeek Holding werd tot datum levering gehouden door Waterbeek Beheer B.V., verder te noemen Waterbeek Beheer.

d. Bij share and purchase agreement van 24 augustus 2007 (productie 2 bij inleidende dagvaarding van de curator), verder te noemen SPA, heeft Waterbeek Beheer het gehele geplaatste aandelenkapitaal in Waterbeek Holding verkocht aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Content Production Holding B.V., verder te noemen CPH. Levering van de aandelen heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2007.

e. Partijen bij deze SPA waren, naast Waterbeek Beheer, als verkoper, CPH, als koper en Waterbeek Holding, als vennootschap, tevens Compublica als ‘guarantor’(borg) en [opposant sub 1].

f. [Opposant sub 1] was ten tijde van de verkoop en levering van aandelen in het kapitaal van Waterbeek Holding (middellijk) houder van 90% van de aandelen in Waterbeek Beheer, later genaamd Crossmedia.

g. De koopprijs die CPH heeft betaald voor de aandelen Waterbeek Holding is met name bepaald op basis van de winst van Waterbeek Holding in 2006, alsmede de winstgroei ten opzichte van 2005, alsmede op basis van de vooruitzichten voor 2007, zoals gepresenteerd door [opposant sub 1]. Op 30 augustus 2007 heeft CPH aan Crossmedia de koopprijs van € 17.500.000,-- voldaan, bestaande uit een bedrag van € 11.000.000,-- in contanten, € 3.000.000,-- in escrow en het restant in aandelen CPH. Van het bedrag van € 3.000.000,-- dat in escrow werd gehouden is op 14 maart 2008 een bedrag van € 900.000,-- uitgekeerd aan Crossmedia en later vrijgegeven. Het restantbedrag op de escrow-rekening van € 2.100.000,-- is op 26 november 2008 aan Crossmedia betaald.

h. De meerderheid van de aandelen in CPH is in handen van een beleggingsfonds met zetel in het Verenigd Koninkrijk, genaamd Palamon European Equity II L.P., waarvan Palamon Capital Partners I.P. de beheerder is.

i. In ieder geval sinds 24 mei 2000 was [opposant sub 1] enig statutair bestuurder van Waterbeek Holding. [Opposant sub 1] is op 6 april 2010 door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders geschorst, waarbij zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid is komen te vervallen. Met ingang van 6 april 2010 is de heer [G], wonende te [woonplaats], benoemd tot bestuurder van de vennootschap.

j. Waterbeek Holding was bestuurder van Waterbeek Media en Waterbeek Media was bestuurder van Just Nautic. Ook bij Waterbeek Media is [opposant sub 1] op 9 april 2010 geschorst als (middellijk) bestuurder en is zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid komen te vervallen.

3. Bij inleidende dagvaarding heeft de curator gesteld [opposant sub 1] primair aansprakelijk te houden ex artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW), subsidiair ex artikel 2:9 BW en meer subsidiair ex artikel 6:162 BW wegens - kort samengevat - het op grote schaal frauderen met de boekhouding van curandi. De curator heeft gesteld dat de jaarcijfers langere tijd zijn “gepimpt” teneinde de investeerder hierbij op het verkeerde been te zetten en hierbij financieel gewin te hebben. De boekhouding en de jaarrekening dienen een getrouw beeld te geven van het resultaat, het vermogen en de financiële positie, hetgeen hier niet het geval is. Er is aldus gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2:10 BW en artikel 2:362 BW.

De jaarrekeningen van curandi over vele jaren voor het faillissement gaven geen getrouw beeld van het resultaat, het vermogen en de financiële positie.

De curator stelt dat het bestuur van de gefailleerde vennootschappen, lees [opposant sub 1], haar boekhoudplicht heeft geschonden. Conform artikel 2:248 lid 2 BW levert dit een onweerlegbaar vermoeden op, dat het bestuur haar taak onbehoorlijk heeft vervuld. De handelwijze van gedaagden, die gewerkt hebben met valse facturen, teneinde een hoge koopsom voor de aandelen te verkrijgen van Waterbeek Holding en uitbetaling van de escrow account, zoals hierna nader omschreven, kan worden gekwalificeerd als oplichting, dan wel enig verwant strafbaar feit. Dit alles heeft tot gevolg gehad, dat de aandeelhouder de stekker eruit heeft getrokken en een nieuwe bestuurder heeft aangesteld, in de persoon van de heer [G] en dat [opposant sub 1] is geschorst. Aldus is dit een belangrijke oorzaak geweest van het faillissement, hetgeen tot de conclusie leidt dat [opposant sub 1] op grond van artikel 2:248 BW tot betaling van het tekort in het faillissement dient te worden veroordeeld. Naast het voorgaande is ook sprake van aansprakelijkheid van [opposant sub 1] uit hoofde van onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:9 BW) en onrechtmatige daad.

De curator stelt dat Compublica -als borg partij bij de SPA- en Crossmedia -als verkoper bij de SPA- actief hebben bijgedragen aan het frauderen met de boekhouding, de fraude hebben mogelijk gemaakt en derhalve onrechtmatig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW. [Opposant sub 1] was tot zijn op non-actiefstelling enig bestuurder en aandeelhouder van Compublica en enig bestuurder van Crossmedia. Enig aandeelhouder van Crossmedia is de stichting Stichting Administratiekantoor Crossmedia Investments, van welke stichting [opposant sub 1] bestuurder is. [Opposant sub 1] trekt derhalve overal aan de touwtjes bij de gedaagde partijen en deze kunnen dan ook volledig met elkaar worden vereenzelvigd. Gedaagden valt een persoonlijk verwijt te maken van hun onrechtmatig handelen, nu zij zowel in strijd hebben gehandeld met hun civielrechtelijke als strafrechtelijke wettelijke plichten.

4. De curator heeft gesteld dat de geconstateerde fraude nauw samenhangt met de SPA, in die zin dat als gevolg van valse facturen en doorgeschoven kosten de aandelen in Waterbeek Holding aanzienlijk minder waard bleken te zijn dan CPH redelijkerwijs mocht verwachten op grond van de jaarrekeningen van Waterbeek Holding over de boekjaren 2004, 2005 en 2006.

De betaling van het restantbedrag op de escrowrekening, als bedoeld in rechtsoverweging 2 sub g., vond plaats omdat de valselijk opgemaakte jaarrekening van 2007 aangaf, dat Waterbeek Holding bepaalde vooraf in de SPA vastgestelde drempels met betrekking tot de EBITDA (Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization) had betaald.

5. CPH heeft voorafgaand aan het faillissement ontdekt dat in de boekjaren 2006 en 2007 gebruik is gemaakt van valse facturen, hetgeen heeft geleid tot de schorsing van [opposant sub 1]. De omzet (EBITDA) voor 2006 is kunstmatig verhoogd met valse facturen, evenals de omzet in het jaar 2007. [Opposant sub 1] heeft aan CPH toegegeven dat hij in het boekjaar 2007 voor een bedrag van ongeveer € 2.250.000,-- aan valse facturen heeft opgemaakt, althans dat hij opdracht daartoe heeft gegeven, met als oogmerk betaling van het in escrow gehouden bedrag.

Ook de andere leden van het managementteam, de heer [S] (chief financial officer) en de heer [H] (chief operations officer) hebben aan CPH verklaard dat zij in opdracht van [opposant sub 1] niet alleen in het boekjaar 2007, maar ook in het boekjaar 2006, dus voorafgaand aan de totstandkoming van de SPA, valse facturen hebben opgemaakt.

Naast valse facturen zijn ook bepaalde kosten ten onrechte doorgeschoven naar latere boekjaren.

Aldus is sprake van schending van de door Crossmedia bij SPA afgegeven (balans)garanties, hetgeen heeft geleid tot een door de koper opgestarte procedure bij het Nederlands Arbitrage Institutuut, met als inzet - kort samengevat - terugbetaling van € 17.500.000,--, de vernietiging van de SPA, op grond van bedrog, dwaling, ontbinding, wanprestatie, onrechtmatige daad etc.

6. De curator stelt bij conclusie van antwoord in oppositie te hebben vernomen dat [opposant sub 1 c.s.] de NAI-procedure op alle punten hebben verloren. Omdat [opposant sub 1 c.s.] niet bereid zijn gebleken de uitspraak van het NAI, alsmede de onderliggende processtukken met producties aan de curator over te leggen, heeft de curator bij conclusie van antwoord in oppositie een incidentele vordering tot overlegging van bescheiden ex artikelen 843a, 162 en 22 Rv. ingesteld.

7. Gedaagden hebben gevorderd dat zij worden ontheven van de veroordeling, tegen hen uitgesproken bij verstekvonnis van deze rechtbank van 2 november 2011 en de curator alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vorderingen af te wijzen, met zijn veroordeling in de kosten van het verzet.

8. [Opposant sub 1] betwist aansprakelijk te zijn wegens kennelijke onbehoorlijke taakvervulling welke een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement (onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 2:248 BW, jo 2:10 BW en 2:11 BW). [Opposant sub 1] betwist eveneens aansprakelijk te zijn ex artikel 2:9 BW (jo 2:10 BW en 2:11 BW). [Opposant sub 1], Compublica en Crossmedia betwisten ten slotte aansprakelijk te zijn ex artikel 2:11 BW jo 6:162 BW en uit hoofde van artikel 6:162 BW. Gedaagden betwisten dat er sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling c.q. onrechtmatig handelen gezamenlijk of van één van hen.

9. Omdat gedaagden zich aanvankelijk lieten bijstaan door een ander advocatenkantoor, dat te kennen heeft gegeven gedaagden niet langer te kunnen bijstaan, hebben gedaagden zich, na tussenkomst van de deken, eerst kort voor het verstrijken van de verzettermijn tot mr. Nijkamp gewend. Bij verzetexploot heeft mr. Nijkamp kenbaar gemaakt dat hij nog geen volledig feitelijk en juridisch verweer heeft kunnen voeren en dat namens gedaagden in een later stadium bij akte of conclusie een nadere toelichting zou volgen op feiten en omstandigheden en op de juridische stellingname en dat alsdan ook meer producties zouden volgen.

10. Gedaagden stellen dat de nieuw aangetrokken financiële man [S], die voorheen werkzaam was bij [X], de aan [opposant sub 1] verweten financiële acties, onder meer bestaand uit het “terugboeken” van omzet heeft geïnitieerd en uitgevoerd, waarbij [opposant sub 1] blindelings op [S] heeft vertrouwd.

11. Gedaagden stellen voorts dat in het kader van een voorgenomen participatie in Waterbeek door een derde partij, een uitgebreid due diligence onderzoek heeft plaatsgevonden door het accountantskantoor PWC. CPH heeft later ook de beschikking gekregen over dit rapport en in het kader van de overname door CPH heeft wederom een due diligence onderzoek plaatsgevonden door KPMG en De Brauw Blackstone Westbroek. Deze rapporten hebben er niet toe geleid dat CPH heeft afgezien van de overname.

12. Gedaagden stellen dat na de overname de kredietcrisis begon en dat Compublica reeds ruim 3 miljoen euro tijdelijk had geleend aan Waterbeek/CPH om Waterbeek over de vereiste liquiditeiten te laten beschikken, nu van CPH geen financiële ondersteuning was te verwachten. Gedaagden stellen dat de aandeelhouders van Crossmedia het onder die omstandigheden gerechtvaardigd vonden de escrow uit te keren en besloten is om over 2007 wel zogenaamde “spookfacturen” te versturen. In zoverre beaamt [opposant sub 1] de verklaringen van [S] en [H] terzake. De ten onrechte uitbetaalde escrow en de spookfacturen over 2007 zijn uiteindelijk ten goede gekomen aan Waterbeek, met de bedoeling Waterbeek overeind te houden in een situatie waarin geen vertrouwen meer was in CPH en Palamon. Van spookfacturen in 2006 of eerder is geen sprake, althans is [opposant sub 1] daarvan in elk geval niet op de hoogte. Indien en voor zover van schending van de boekhoudplicht sprake is, heeft dat slechts betrekking op de zogenaamde “spookfacturen” over 2007 en op de periode waarin, nadat Waterbeek Holding reeds verkocht was aan CPH, Waterbeek, doordat haar de broodnodige liquiditeiten werden onthouden door CPH, in problemen dreigde te komen. In ieder geval is [opposant sub 1] van mening dat deze handelwijze zeker niet een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Immers per saldo heeft [opposant sub 1] door middel van Compublica meer geleend aan Waterbeek dan dat Waterbeek schade heeft geleden door de beweerde schending van de boekhoudplicht. Waterbeek zou zeker failliet zijn gegaan zonder het handelen van [opposant sub 1] en vermoedelijk veel eerder. Indien en voor zover het handelen van [opposant sub 1] als onrechtmatig dient te worden beoordeeld, dient geconcludeerd te worden dat daaruit geen schade is voortgevloeid. Ook Compublica en Crossmedia ontkennen ingevolge het voorgaande onrechtmatig te hebben gehandeld.

13. Gedaagden bieden bewijs aan van hun stellingen door te verwijzen naar de reeds door de curator bij inleidende dagvaarding ingediende producties en naar de bij verzetdagvaarding ingebrachte productie, inhoudende het betekeningsexploot van het verstekvonnis en het verstekvonnis van 2 november 2011. Zij stellen, na nadere bestudering door hun advocaat van het zeer uitgebreide dossier, nadere producties in het geding te zullen brengen.

14. De curator heeft de stellingen van gedaagden bij conclusie van antwoord in oppositie uitvoerig weersproken, waartoe hij onder meer stelt dat de verklaring van [opposant sub 1] voor zich spreekt, net zoals de verklaringen van [S], [H], het rapport van MCS, de aangetroffen valse facturen, de verklaring van mevrouw [W], de verklaring van de heer [G], het inleidend processtuk bij het Nederlands Arbitrage Instituut en de statement of reply in the claim and defence in the counterclaim en niet te vergeten de brieven c.q. bescheiden van mr. drs. [H], belastingadviseur van Waterbeek Media, Compublica en [opposant sub 1] privé.

15. Vanaf het begin van de uitgesproken faillissementen heeft [opposant sub 1] aangegeven verantwoordelijk te zijn. Naast het feit dat hij bestuurder is, heeft hij zelf opdracht gegeven tot de frauduleuze handelingen en heeft hij hiervan ook financieel geprofiteerd doordat een veel te hoge koopsom is betaald voor de aandelen van Waterbeek Holding. Ondanks het feit dat [opposant sub 1] is gewaarschuwd door mr. drs. [H] is hij doorgegaan met het manipuleren van de boekhouding met als klap op de vuurpijl het produceren van valse facturen. [Opposant sub 1] was volgens de curator ook volledig op de hoogte van de facturen die in 2006 zijn geboekt, sterker nog hij was de opdrachtgever daartoe.

16. De schending van de boekhoudplicht heeft een aantal jaren geduurd en heeft in ieder geval betrekking op de jaarrekeningen 2005, 2006, 2007 en op de conceptjaarrekening 2008/2009.

17. Met betrekking tot de door gedaagden genoemde due diligence onderzoeken stelt de curator gemotiveerd dat de reikwijdte van het onderzoek van PWC beperkt was en dat de due diligence onderzoeken ten behoeve van de overname door CPH niet gefocust waren op forensische aspecten en dat de onderzoekers de informatie van het management niet gescreend hebben, hetgeen ook niet hun opdracht was. Bovendien hebben de onderzoeken onder grote tijdsdruk moeten plaatsvinden. Ten slotte hebben een groot deel van de onregelmatigheden in de boekhouding plaatsgevonden nadat de verkoop door CPH een feit was en dus nadat de due diligence onderzoeken hebben plaatsgevonden.

18. De curator heeft gemotiveerd betwist dat CPH/Palamon niet bereid waren tot het verstrekken van liquiditeiten aan Waterbeek. Met de stelling dat Waterbeek zonder het handelen van [opposant sub 1] eerder failliet zou zijn gegaan, tracht [opposant sub 1] zijn onrechtmatig handelen goed te praten. De curator stelt dat het handelen van [opposant sub 1] zelf de oorzaak is van de uitgesproken faillissementen. Dat een aandeelhouder, die een poot is uitgedraaid, niet meer wil samenwerken met een bedrieger, kan deze aandeelhouder niet euvel worden geduid.

19. De curator concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van opposanten in hun verzet en hen tot kwaad opposanten te verklaren met bekrachtiging c.q. bevestiging van het verstekvonnis van 2 november 2011 van deze rechtbank, kosten rechtens en uitvoerbaar bij voorraad.

De beoordeling

20. Uit hetgeen ten aanzien van het procesverloop in dit vonnis is opgenomen volgt dat de advocaat van gedaagden zich na de conclusie van antwoord in oppositie, tevens houdende incidentele vordering tot overlegging van bescheiden van de curator heeft onttrokken, zulks bij brief inclusief B2-formulier aan de rechtbank van 24 mei 2012.

21. De rechtbank overweegt dat een onttrekking van de advocaat niet wil zeggen dat de desbetreffende procespartij daarmee ook haar verweer prijs geeft. De onttrekking, zonder dat zich een andere advocaat voor de desbetreffende procespartij heeft gesteld, houdt echter wel in dat deze procespartij verder in de onmogelijkheid is komen te verkeren om nog langer proceshandelingen te verrichten. In de stand waarin de onderhavige procedure zich bevindt, houdt één en ander in dat van de zijde van gedaagden geen nader verweer zal volgen.

22. De rechtbank overweegt voorts dat de incidentele vordering van de curator tot overlegging van bescheiden, te weten de in de processtukken aangehaalde uitspraak van het NAI, alsmede alle onderliggende processtukken met producties, toewijsbaar zou zijn, ware het niet dat [opposant sub 1 c.s.] geen nadere proceshandelingen meer mogen verrichten, waaronder ook valt het in het geding brengen van stukken. Dat deze stukken thans niet voorhanden zijn is een omstandigheid die voor rekening en risico van [opposant sub 1 c.s.] dient te komen.

23. [Opposant sub 1 c.s.] hebben met de summiere dagvaarding in oppositie de uitvoerig gemotiveerde -en met verklaringen onderbouwde- stellingen van de curator onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit klemt temeer nu zij ook bij dagvaarding in oppositie hebben erkend dat sprake was van spookfacturen over 2007 en van een ten onrechte uitbetaalde escrow. Wat er zij van de door hen daarvoor gegeven verklaring, te weten dat de bedoeling hiervan was om Waterbeek overeind te houden in een situatie waarin geen vertrouwen meer was in CPH en Palamon, kan hen, gegeven de uitvoerig gemotiveerde stellingen van curator, niet disculperen. Datzelfde geldt voor de stelling dat de nieuw aangetrokken financiële man [S], die voorheen werkzaam was bij [X], de aan [opposant sub 1] verweten financiële acties, onder meer bestaand uit het “terugboeken” van omzet, heeft geïnitieerd en uitgevoerd, waarbij [opposant sub 1] blindelings op [S] heeft vertrouwd. Afgezien van het feit dat deze stelling, blijkens de door de curator geciteerde verklaringen, door anderen uitvoerig is weersproken, is het zo dat [opposant sub 1] als bestuurder volledige verantwoordelijkheid droeg.

De blote ontkenning van de stelling van de curator, dat met valse facturen een hoge koopsom is verkregen, zal de rechtbank voorts, als zijnde onvoldoende feitelijk onderbouwd, passeren.

24. In acht genomen het voorgaande ziet de rechtbank geen reden tot gegrond verklaring van het verzet, zodat zij zal afwijzen hetgeen door [opposant sub 1 c.s.] in deze verzetprocedure is gevorderd.

25. [Opposant sub 1 c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in oppositie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 2.580,-- aan salaris advocaat ( 1 punt x tarief VII).

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af hetgeen [opposant sub 1 c.s.] in deze verzetprocedure hebben gevorderd.

II. Veroordeelt [opposant sub 1 c.s.] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van de curator begroot op € 2.580,-- aan salaris advocaat.

III. Verklaart onderdeel II. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en is in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 4 juli 2012.