Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX1340

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
124399 HA ZA 11-691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert de rechtbank gemeente en kadaster veroordeelt om eiseres ex artikel 843a Rv inzage te verschaffen dan wel afschrift te zenden van alle relevante bescheiden met betrekking tot de strook grond gelegen achter en aangrenzend aan het perceel [X] te [plaats]l vanaf 1962 tot en met heden, daarbij in het bijzonder een tekening van de betreffende strook grond waarop een stippellijn is gezet welke evenwijdig loopt aan de perceelsgrenzen en waarbij de afstand tussen de stippellijn en de perceelsgrenzen 4,80 meter breed is, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de gemeente daarmee in gebreke mocht blijven;

Er is niet aannemelijk gemaakt dat het kaartje waarop [eiseres] doelt, bestaat, en dus ook niet dat de gemeente of het Kadaster het in haar bezit heeft.

Juridisch vertaalt zich dat daarin, dat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 843a Rv dat de gedaagden de gevraagde bescheiden te zijn beschikking of onder zijn berusting heeft.

De vordering moet worden afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 124399 HA ZA 11-691

datum vonnis: 4 juli 2012 (mgl)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. L.A.M. van der Geld te Wierden,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon, zelfstandig bestuursorgaan

DIENST VOOR HET KADASTER EN DE OPENBARE REGISTERS,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde sub 1,

verder te noemen het Kadaster,

advocaat: mr. J.A.J.M. van Aken te Zutphen,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE HELLENDOORN,

zetelende te Nijverdal, gemeente Hellendoorn,

gedaagde sub 2,

verder te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. M. Nijkamp te Hengelo.

Het procesverloop

[eiseres] heeft gevorderd zoals vermeld in de dagvaarding. Zij heeft daarbij 11 producties overgelegd.

Het Kadaster en de gemeente hebben geconcludeerd voor antwoord. Het Kadaster heeft daarbij vier producties overgelegd en de gemeente twee.

Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:

- een conclusie van repliek van de zijde van [eiseres], tevens wijziging van eis, met de producties 12 tot en met 21;

- een conclusie van dupliek van de zijde van het Kadaster met twee producties;

- een conclusie van dupliek van de zijde van de gemeente met 1 productie;

- een akte uitlating producties van de zijde van [eiseres].

Daarna hebben partijen vonnis gevraagd.

De overwegingen van de rechtbank en de motivering van de beslissing

Feiten

1. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het navolgende vast.

1.1 [B] was eigenaar van een perceel grond met een woonhuis (boerderij) aan [adres] en [plaats]. Het perceel was meer dan 1 hectare groot.

1.2 Het perceel grond grenst aan twee kanten (de rechtbank begrijpt: aan de zuidkant en aan de oostkant) aan de achtertuinen van woonhuizen. Deze woningen zijn gelegen aan

[adres], respectievelijk [adres]. [B] heeft in 1960 aan de bewoners van [adres] en aan de bewoners van [adres] een strook grond van 4,80 meter in bruikleen gegeven.

1.3 Blijkens een akte van levering van 17 april 1962 heeft [B] verkocht aan de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek “Nooit Gedacht”:

“een perceel bouwterrein gelegen te [plaats], aan [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie [..] nummer [….], groot een hectare, een are en negentig centiare.”

Uit een kadastrale tekening die is gedateerd op 30 maart 1962 (onder meer overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord van het Kadaster), blijkt dat deze tekening is opgemaakt vanwege de splitsing van perceel 9062. Op de tekening staat:

“9062. Splitsing voor Verkoop.”

Bovenaan de tekening staat bij “nieuwe nummers” ingevuld: “9405 t/m 9407”.

Het deel van het perceel waar de woning van [B] op staat, heeft nummer 9406 gekregen, het grote deel daarachter heeft nummer 9407 gekregen. Op de kaart staat daarbij: “toek. eig. Coop. Zuivelfabriek “Nooit Gedacht”.

Perceel 9405 is een heel klein strookje dat aan een derde is overgedragen.

Uit een kadastrale tekening, opgemaakt in 1958 (overgelegd als productie 6 bij dagvaarding) moet worden afgeleid dat het perceel van [B] voorheen nummer 9062 had.

1.4 De grond is eind jaren 70 door Nooit Gedacht (later Coberco) doorverkocht aan [J]. [J] heeft begin jaren 80 een hek om het perceel gezet. Daarbij is de L-vormige strook van 4,80 meter niet meegenomen. In 1998 heeft [J] het hek verplaatst en de L-vormige strook van 4,80 meter erbij genomen.

[J] heeft het perceel in 2004 verkocht aan projectontwikkelaar [V] die er een supermarkt wilde bouwen. Er is een uitlegavond georganiseerd en uit het daarvan opgemaakte verslag blijkt dat door de buurtbewoners onder meer is gevraagd of het mogelijk is de groenstrook aan de aangrenzende eigenaars aan [adres] te verkopen. Deze strook is een lange tijd door de voorgaande grondeigenaar aan de bewoners in bruikleen gegeven, aldus de omwonenden. Daarop is blijkens het verslag als antwoord gegeven dat verkoop niet mogelijk was omdat de strook zal worden geïntegreerd in het plan. Het zal deel uitmaken van de vluchtweg.

1.5 Eiseres is een nicht (oomzegger) van [B].

[B] is op 4 oktober 1995 overleden. Eiseres en haar broer waren de enige erfgenamen. Eiseres heeft het perceel [adres] “uit de erven” overgenomen.

Vordering

2. [eiseres] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (enigszins samengevat weergegeven):

I. de gemeente veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis, [eiseres] ex artikel 843a Rv inzage te verschaffen dan wel afschrift te zenden van alle relevante bescheiden met betrekking tot de strook grond gelegen achter en aangrenzend aan het perceel [adres] en [plaats] vanaf 1962 tot en met heden, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, daarbij in het bijzonder een tekening van de betreffende strook grond waarop een stippellijn is gezet welke evenwijdig loopt aan de perceelsgrenzen en waarbij de afstand tussen de stippellijn en de perceelsgrenzen 4,80 meter breed is, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de gemeente daarmee in gebreke mocht blijven;

II. idem ten aanzien van het Kadaster;

III. gedaagden sub I en II hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief nakosten indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na het vonnis zijn voldaan.

Onderbouwing

3. [eiseres] onderbouwt haar vorderingen als volgt.

[B] heeft in 1962 niet het gehele perceel C 9407 overgedragen. De L-vormige strook met een breedte van 4,80 meter heeft hij niet verkocht.

[eiseres] is thans eigenares van deze strook omdat ze het uit de erven heeft overgenomen.

Om haar eigendom te bewijzen, heeft ze informatie van de gemeente en het Kadaster nodig. Het gaat met name om een kaart waarop een stippellijn is gezet op 4,80 meter. Eiseres heeft dit kaartje gezien toen zij in 2005 met haar man een bezoek bracht aan (de balie van) het gemeentehuis om informatie te krijgen over de bewuste strook grond. Het kaartje mocht echter niet gekopieerd worden. Na een bespreking met medewerkers van de gemeente begin augustus 2009, heeft ook de heer [M] (voormalig jurist van de gemeente) [eiseres] gezegd dat hij een kaartje met een stippellijn had gezien waaruit blijkt dat er sprake is van een evenwijdige lijn, maar dat kaartje is volgens hem door de heer [B] (medewerker handhaving van de gemeente) uit het dossier gehaald.

De man van [eiseres] heeft de betreffende tekening eind juli 2010 nog een keer gezien op het gemeentehuis.

Ook heeft de man van [eiseres] het kaartje met de stippellijn bij het Kadaster gezien in

juli 2010.

[eiseres] heeft getuigen die verklaren dat [B] heeft gezegd dat hij de L-vormige strook grond niet heeft verkocht aan Nooit Gedacht.

[eiseres] heeft de gemeente en het Kadaster gevraagd om afschriften van de relevante bescheiden, waaronder het kaartje met de stippellijn. Zij hebben aan dit verzoek geen gehoor gegeven. [eiseres] heeft belang bij deze tekening om haar eigendomsrecht aan te tonen. Om die reden vordert zij thans in rechte afgifte.

Verweer

4. Het Kadaster heeft het volgende verweer gevoerd.

Het Kadaster houdt geen informatie achter. Het stuk dat [eiseres] opvraagt bestaat niet, althans is niet in het bezit van het Kadaster. Het is aan [eiseres] om te bewijzen dat de betreffende informatie bestaat èn dat die bij het Kadaster berust.

Dat er geen stukken bestaan waarmee de eigendom van [eiseres] van de betreffende grond wordt aangetoond, ligt ook voor de hand. Uit de akte van levering uit 1962 volgt dat destijds door [B] het gehele perceel C 9407 is overgedragen aan Nooit Gedacht. Er blijft geen gedeelte over. Door het Kadaster is, conform de akte van levering, het hele perceel op naam van de koper geregistreerd.

Het Kadaster ziet ook niet in op welke wijze een dergelijke tekening relevant zou kunnen zijn voor het bewijs van de eigendom. Zelfs als [B] niet het hele perceel zou hebben overgedragen, zijn aanspraken op de eigendom van een L-vormige strook reeds lang verjaard.

Het Kadaster merkt op dat [eiseres] verwijst naar een V-teken dat op de kaart uit 1962 staat en waarmee volgens haar een evenwijdige lijn wordt bedoeld. Het V-teken waar [eiseres] naar verwijst is geen V maar een r. Met een r wordt “raster” (afrastering) bedoeld. Voor een evenwijdige lijn wordt het teken // gebruikt.

[eiseres] heeft in juli 2011 informatie opgevraagd, en die heeft ze ook gekregen. Meer dan het Kadaster toen heeft gegeven, is er niet.

Het Kadaster heeft een wettelijke informatieplicht. Het is dus niet nodig om een dwangsom op te leggen. Dat dat in casu anders zou zijn, is door [eiseres] niet deugdelijk gemotiveerd.

5. De gemeente heeft het volgende verweer gevoerd.

In de dagvaarding worden veel stellingen geponeerd, maar er wordt niets onderbouwd. Reeds om deze reden moet het verzoek worden afgewezen.

Gelet op de akte van levering uit 1962, lijkt het erop dat toen het hele perceel is verkocht. Uit eigendomsinformatie van het Kadaster blijkt dat perceel C 11640 (voorheen C 11323 gedeeltelijk) geheel in eigendom is bij een derde.

Ten aanzien van de vordering ex artikel 843a Rv, stelt de gemeente dat aan geen van de drie voorwaarden die in dit artikel worden gegeven, door [eiseres] is voldaan.

Tot slot merkt de gemeente op dat zij [eiseres], op haar verzoek, heeft uitgenodigd om alle relevante stukken, die ze uit het archief had gehaald, in te komen zien. [eiseres] heeft daar bewust vanaf gezien.

Overwegingen van de rechtbank

6. Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt in het eerste lid:

Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijn beschikking of onder zijn berusting heeft.

7. In deze procedure wordt zowel door de gemeente als het Kadaster gesteld dat een stuk zoals [eiseres] dat bedoelt (een kaart met daarop een stippellijn die op 4.80 meter van de erfgrens is getekend en daarmee het door [eiseres] bedoelde L-vormige stuk aanduidt) niet bestaat althans niet in hun bezit is.

De rechtbank overweegt dat het in die omstandigheden aan [eiseres] is om aannemelijk te maken dat een dergelijk stuk wel bestaat èn dat dit stuk bij de gemeente en/of het Kadaster ligt.

8. [eiseres] heeft daartoe aangevoerd dat zij en/of haar man een dergelijke kaart heeft gezien aan de gemeentelijke balie in 2005 en 2010 en bij het Kadaster in 2010.

Door de gemeente en het Kadaster wordt betwist dat een dergelijke kaart bestaat en beide gedaagden onderbouwen dat door te stellen dat de eigendom van het hele perceel in 1962 is overgegaan en dat er daarom niet een kaart kàn bestaan waarop nog een strook grond staat die bij [B] in eigendom is gebleven.

9. De rechtbank overweegt dat de door [eiseres] aangevoerde argumenten waarom de eigendom van de L-vormige strook niet zou zijn overgegaan en waarom er een kaart zou bestaan waarop de L-vormige strook is getekend, alle stellingen zijn die niet door justificatoire bescheiden worden onderbouwd. Het zijn de-auditu verklaringen van derden (R) of niet overgelegde verklaringen (baliemedewerkster, [M] van Beleggingsmaatschappij [H] BV). Ook volgen opgeworpen stellingen niet uit de producties. Uit productie 4 bij dagvaarding volgt bijvoorbeeld niet dat de omwonenden zouden hebben gezegd dat zij de strook grond in bruikleen hadden van [B]. Sterker: uit het antwoord kan worden afgeleid dat het hele perceel in eigendom is bij

[V].

Dat er in oktober 2005 opnieuw kadastrale metingen zouden zijn verricht, is met geen enkel stuk onderbouwd en door het Kadaster gemotiveerd betwist. Dat geldt eveneens voor de stelling dat daarbij door de landmeters gezegd zou zijn dat de strook grond aan [eiseres] toebehoort.

Dat er op de tekening uit 1962 een V zou staan en dat dat zou betekenen dat er een evenwijdige lijn is, is ten eerste niet waar; er staat een r. Ten tweede is tegenover de gemotiveerde betwisting van het Kadaster onvoldoende aangevoerd dat een r (dan wel een V) betekent dat er een evenwijdige lijn is. Ten derde zou het dan ten ene male onlogisch zijn dat die lijn niet getekend is. Als op een kaart bedoeld is aan te geven dat twee lijnen evenwijdig lopen, ligt het voor de hand dat er dan twee lijnen getekend zijn.

De stelling van de gedaagden, dat het juist aannemelijk is dat in 1962 wèl het hele perceel C 9407 door [B] aan Nooit Gedacht is overgedragen, is wel met stukken onderbouwd.

Zo is er in de eerste plaats de notariële akte van levering, waarin staat dat perceel C 9407, groot 1 hectare, 1 are en 90 centiare is overgedragen. Met de akte van levering is dit perceel en deze oppervlakte daarmee overgedragen.

Dat er bij latere transacties misschien (de rechtbank kan dat niet controleren) van het perceel C 9407 niet alle oppervlakte is overgedragen, en er misschien 642 of 633 m² niet is overgedragen, kan daar niet aan af doen. Die grond was immers al overgedragen aan

Nooit Gedacht. Als door haar, of door opvolgende eigenaren, niet alles is overgedragen, heeft ze dus een stukje gehouden. In elk geval heeft [B] dat in 1962 niet gehouden.

In de tweede plaats is op geen enkele Kadasterkaart de L-vormige strook ingetekend. Als de eigendom van die strook bij een ander lag, zou dat op kadasterkaarten moeten zijn vastgelegd.

Ook uit andere door [eiseres] overgelegde stukken moet juist worden afgeleid dat er van perceel C 9407 niets bij [B] is gebleven. [eiseres] heeft als productie 13 overgelegd een leveringsakte van 9 maart 2009 tussen bouwbedrijf [V] en Beleggingsmaatschappij [H]BV. In deze akte wordt op pagina 8 onder het kopje “erfdienstbaarheden (…)” gerefereerd aan een akte van 1994. Hieruit volgt dat [J] Beheersmaatschappij BV op dat moment eigenaar was van de percelen C 10578 en 11024. Perceel C 10578 werd later C 11323 en is volgens de stelling van [eiseres] voorheen C 9407 (het door [B] overdragen perceel). Dit perceel is dus in eigendom geweest van [J], overgedragen aan [V] en daarna aan [H]. In elk geval kan het niet bij [B] zijn gebleven.

Hetzelfde geldt voor perceel C 11322. Dit perceel is volgens de eigen productie 9 van [eiseres], in eigendom bij Buren [adres]. Ook dit perceel is ontstaan uit perceel C 9407, dus het door [B] overgedragen perceel. Perceel C 11322 ligt in zijn geheel in de door [eiseres] bedoelde L-vormige strook.

De rechtbank moet constateren dat de niet onderbouwde stellingen van [eiseres] dat de

L-vormige strook grond in eigendom is gebleven bij [B] (en door haar uit de erven is verkregen) onvoldoende zijn tegenover de gemotiveerde en met stukken onderbouwde betwisting daarvan door gedaagden.

Er is derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het kaartje waarop [eiseres] doelt, bestaat, en dus ook niet dat de gemeente of het Kadaster het in haar bezit heeft.

Juridisch vertaalt zich dat daarin, dat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 843a Rv dat de gedaagden de gevraagde bescheiden te zijn beschikking of onder zijn berusting heeft. De vordering moet worden afgewezen.

10. Voor het overige deel van de vordering (het verschaffen van inzage dan wel zenden van afschrift van alle relevante bescheiden met betrekking tot de strook grond gelegen achter en aangrenzend aan het perceel [adres] en [plaats] vanaf 1962 tot en met heden) geldt in de eerste plaats dat dit niet voldoende nauwkeurig omschreven is en in de tweede plaats dat [eiseres] al inzage heeft gehad in alle relevantestukken, zoals door de gemeente en het Kadaster is aangevoerd en door [eiseres] niet is betwist. Ook dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

11. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De gemeente vordert wettelijke rente over de nakosten. Tegen deze vordering heeft [eiseres] geen verweer gevoerd. [eiseres] is echter pas wettelijke rente verschuldigd over de nakosten vanaf datum verzuim. De rechtbank zal bepalen dat [eiseres] de wettelijke rente over de nakosten is verschuldigd indien deze kosten niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

De kosten aan de zijde van zowel het Kadaster als van de gemeente worden als volgt berekend:

Salaris van de advocaat: 2 procespunten (conclusie van antwoord en conclusie van dupliek), maal € 452,00 (tarief II) = € 904,00.

Verschotten: griffierecht: € 560,00.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst het gevorderde af.

II. Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van het Kadaster en de gemeente. De kosten aan de zijde van het Kadaster worden begroot op € 904,00 wegens het salaris van de advocaat en € 560,00 wegens verschotten, en aan de zijde van de gemeente op € 904,00 wegens het salaris van de advocaat en € 560,00 wegens verschotten, alsmede de nakosten, begroot op € 131,00 zonder betekening en op € 199,00 met betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Bottenberg – van Ommeren en is op 4 juli 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.