Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX0761

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
129871 / KG ZA 12-134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opheffing beslag. Ontbindende voorwaarden vaststellingsovereenkomst in vervulling gegaan. Terugvallen op vonnis rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 129871 / KG ZA 12-134

datum vonnis: 6 juli 2012 (sr)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser]

wonende te [plaats],

eiser,

verder te noemen de man,

advocaat: mr. R.M. Hendriksen te Almelo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats]

gedaagde,

verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. H.C. van der Sijs te Almelo.

1. Het procesverloop

1.1 De man heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

1.2 De zaak is behandeld ter terechtzitting van 28 juni 2012. Ter zitting zijn verschenen: de man vergezeld door mr. Hendriksen en de vrouw vergezeld door mr. Van der Sijs. De standpunten zijn toegelicht.

1.3 Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1 Op 8 november 1989 zijn de man en de vrouw gehuwd.

2.2 Bij beschikking van 14 april 2010 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. Deze beschikking is op 21 juli 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3 Bij vonnis van 16 maart 2011 van deze rechtbank is de man veroordeeld om aan de vrouw ter zake van verrekening te betalen een bedrag van € 133.021,00. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.4 De man is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [x] nummer [….], ter grootte van 68 are en 90 centiare (verder te noemen de woning).

2.4 De vrouw heeft voor haar verrekeningsvordering op 20 september 2010 conservatoir beslag doen leggen op de woning van de man. Voornoemd vonnis van 16 maart 2011 is op 29 maart 2011 betekend aan de man.

2.5 Bij dagvaarding van 16 juni 2011 is de man in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 16 maart 2011.

2.6 Tijdens de comparitie van partijen bij het gerechtshof Arnhem op 19 maart 2012 hebben de man en de vrouw een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover in onderhavige zaak van belang, als volgt:

1. De man betaalt aan de vrouw een bedrag van € 110.000,-.

2. Deze betaling vindt plaats als volgt:

- € 80.000,- binnen één maand na vandaag (19 maart 2012) op een nader door mr. Van der Sijs op te geven derdengeldrekeningnummer;

- € 30.000,- te betalen uiterlijk 1 april 2014 op een nader op te geven rekeningnummer van de vrouw.

Over dit bedrag van € 30.000,- is met ingang van 1 april 2011 tot aan de gehele voldoening van dit bedrag de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW verschuldigd.

3. Het beslag blijft rusten op de woning, gelegen aan de[adres]

(…)

6. Deze gehele overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarden dat:

a. de betaling van het bedrag van € 80.000,00 heeft plaatsgehad uiterlijk op 19 april 2012 en

b. dat de vrouw uiterlijk op 19 april 2012 is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de huidige hypothecaire geldleningen van de Rabobank die op de woning rusten.

7. Partijen verzoeken dat de zaak zal worden verwezen naar de roldatum van 1 mei 2012 voor nadere uitlating van partijen over de voortgang van de procedure.

2.7 De man heeft op 17 april 2012 een bedrag van € 30.000,00 aan de vrouw betaald.

3. Het geschil

3.1 De man vordert -samengevat- om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te bevelen om binnen drie uur, althans binnen één dag na betekening van dit vonnis het beslag, dat de vrouw heeft doen leggen op het aan de man toebehorende deel van de woning op te doen heffen en opgeheven te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of deel daarvan dat de vrouw hieraan niet voldoet. Tevens vordert de man veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

3.2 De man stelt daartoe dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat hij alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld de overeenkomst van 19 maart 2012 na te kunnen komen doordat de vrouw het beslag opheft. De man kan alsdan in staat worden gesteld de aan de vrouw toekomende verrekenvordering, zoals is overeengekomen op 19 maart 2012, te voldoen. Teneinde het resterende bedrag van € 50.000,00 te kunnen betalen, is de man aangewezen op een nieuwe hypothecaire geldlening, de waarde van de OpMaat Rekening van Interpolis en ander (eigen) vermogen. SNS Bank stelt de nieuwe hypothecaire geldlening echter niet betaalbaar, omdat er beslag op de woning rust. Het beslag zal derhalve moeten worden opgeheven. Vanuit de hypothecaire geldlening van SNS Bank kunnen vervolgens de hypothecaire geldleningen van de Rabobank, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn, tot een bedrag van € 167.133,00 worden afgelost. Alsdan zal de vrouw niet langer hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hypothecaire geldleningen van de Rabobank en kan de man een bedrag van € 21.867,00 aan de vrouw overmaken. Nadat de hypothecaire geldleningen van de Rabobank zijn afgelost, kan ook de waarde van de OpMaat rekening van € 22.885,41 worden uitbetaald aan de vrouw. Aanvullend kan de man uit geleend vermogen € 5.247,59 aan de vrouw betalen. Indien het beslag wordt gehandhaafd, wordt niet alleen de man getroffen maar ook zijn moeder en zijn dochter. Er is sprake van misbruik van bevoegdheid, aldus de man.

3.3 De vrouw heeft de vorderingen van de man gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. In het navolgende zal de voorzieningenrechter voor zover nodig nader op dat verweer ingaan.

4. De beoordeling

4.1 De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de aard van het gevorderde het spoedeisend belang bij de onderhavige vordering voortvloeit. De vrouw heeft dit spoedeisend belang overigens ook niet betwist.

4.2 Voor de beantwoording van de vraag of de vordering tot opheffing van het beslag bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen, dient de voorzieningenrechter te beoordelen of de vrouw de bevoegdheid tot executie toekomt, en zo ja, of zij bij gebruikmaking van deze bevoegdheid onrechtmatig handelt jegens de man, dan wel misbruik maakt van recht. Van misbruik van executiebevoegdheid kan slecht sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter komt de vrouw de bevoegdheid tot executie in beginsel toe. Partijen zijn bij de vaststellingsovereenkomst twee ontbindende voorwaarden overeengekomen, te weten betaling van € 80.000,00 door de man uiterlijk op 19 april 2012 en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor de hypothecaire geldlening uiterlijk op 19 april 2012. Niet in geschil is dat aan deze voorwaarden niet is voldaan. De man heeft op 17 april 2012 slechts € 30.000,00 betaald aan de vrouw en de vrouw was op 19 april 2012 niet ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarden leidt in beginsel tot het van rechtswege intreden van de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst op 20 april 2012.

4.4 De man heeft gesteld dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat hij alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld de overeenkomst van 19 maart 2012 na te kunnen komen doordat de vrouw het beslag opheft. Deze stelling treft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel. Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst expliciet overeengekomen dat het beslag blijft rusten op de woning, gelegen aan de [adres] De vrouw heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij zonder deze bepaling de vaststellingsovereenkomst niet zou hebben gesloten. Partijen hebben welbewust voor deze bepaling gekozen. Het was derhalve duidelijk dat, indien de man de eerste termijn van € 80.000,00 geheel of gedeeltelijk zou financieren met een nieuwe hypotheek, deze hypotheek in rang achter het beslag zou komen. Het gaat dan thans, nu de man zijn afspraken zonder opheffing van het beslag niet kan waarmaken, niet aan om deze bepaling alsnog uit de vaststellingsovereenkomst te halen onder de noemer van redelijkheid en billijkheid.

4.5 Een gevolg van de ontbinding is dat het geschil dat door de vaststellingsovereenkomst voorkomen of beëindigd had moeten worden, herleeft. Uitgegaan dient derhalve te worden van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde betalingsveroordeling vervat in het dictum van het vonnis van 16 maart 2011 van deze rechtbank.

De man heeft geen feiten gesteld waaruit zonder redelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat dit vonnis een evidente misslag bevat. Evenmin heeft hij doen blijken van voorgevallen of aan het licht gekomen feiten van na het vonnis die (kunnen) leiden tot een noodtoestand bij tenuitvoerlegging daarvan.

4.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen gronden zijn om de vordering van de man toe te wijzen.

4.7 Omdat partijen voormalige echtelieden zijn, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vordering af.

II. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.