Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX0441

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
118516 HA ZA 11-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering op grond van artikel 3:174 BW afgewezen omdat de gewichtige reden, die het artikel voor het verlenen van de machtiging eist, ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 118516 HA ZA 11-153

datum vonnis: 27 juni 2012

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

inzake:

1. [Eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ([land]),

eiseressen,

advocaat mr. W. van de Wetering te Enschede,

en

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk te Utrecht.

Procesverloop

De bij vonnis van 11 mei 2011 bevolen comparitie is gehouden op 16 september 2011 en voortgezet op 18 november 2011. De daarvan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de stukken.

Nadien hebben [eiseres sub 1 c.s.] naast een conclusie na comparitie tevens een akte houdende een verzoek om machtiging als bedoeld in art. 3:174 BW genomen.

[Gedaagde sub 3 c.s.]. heeft een conclusie van antwoord in het incident genomen, waarna mondelinge behandeling van dit incidentele verzoek heeft plaatsgevonden.

Partijen hebben zich bediend van pleitnota’s, die aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling zijn gehecht.

Na afloop van die behandeling hebben partijen vonnis in het incident verzocht.

De beoordeling van het incidentele geschil en de gronden van de beslissing in het incident

1. De rechtbank neemt allereerst over en herhaalt hetgeen zij in het tussenvonnis van 11 mei 2011 ten aanzien van de feiten en standpunten van [eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.] heeft vastgesteld respectievelijk overwogen.

Nabetalingsregeling [T]

2. De erven [naam] ([eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.]) hebben bij akte van levering van 24 november 2000 aan [T] cultuurgrond geleverd gelegen in het RBT te Bornerbroek, groot ruim 9 hectare voor een prijs van hfl 15,-- per m2.

In artikel 7 van de akte is een nabetalingsregeling opgenomen.

Deze houdt onder meer in, dat [T] een bedrag van hfl 32,-- (€ 14,52) per vierkante meter (exclusief indexering) dient na te betalen voor die gedeelten van de cultuurgrond waarover de bestemming wordt gewijzigd naar industriegrond en er gestart mag worden met de bouw van bedrijfspanden/kantoren op de cultuurgrond, ongeacht het voorhanden zijn van een bouwvergunning.

3. De bestemming van de grond is inmiddels gewijzigd naar “Bedrijfsdoeleinden”, echter het (ontwerp van het) uitwerkingsplan is nog niet onherroepelijk, zodat nog geen bouw-vergunningen kunnen worden verleend.

Er bestaat derhalve nog geen plicht tot nabetaling voor [T]

4. [T] heeft met betrekking tot de nabetalingsverplichting op 8 december 2010 een aanbod aan de erven [naam] gedaan, inhoudende dat zij in totaal een bedrag van € 16,50 per vierkante meter zou voldoen, minus de aanbetaling van € 6,80 per vierkante meter, zodat een nabetalingsverplichting resteert van € 9,70 per vierkante meter.

Gezien de perceelgrootte van ruim 9 hectare, zou dit resulteren in een nabetaling van een bedrag van € 963.695,--.

5. [Eiseres sub 1 c.s.] hebben aangegeven dit aanbod te willen aanvaarden, [gedaagde sub 3 c.s.] hebben hierin niet toegestemd.

Incidentele vordering van [eiseres sub 1 c.s.]

6. De vordering van [eiseres sub 1 c.s.] in de hoofdzaak beslaat die tot verdeling van de nalatenschap.

Incidenteel vorderen [eiseres sub 1 c.s.]:

bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres sub 1 c.s.] te machtigen om het aanbod van [T] te [plaats] tot bijbetaling van een bedrag van € 9,70 per m2 (in totaal

€ 965.000,--), één en ander zoals door [T] bevestigd bij brief van 10 november 2011, namens de nalatenschap te aanvaarden en dit vermogensbestanddeel van de nalatenschap aldus in de zin van art. 3:174 BW te gelde te maken, kosten rechtens.

7. [Eiseres sub 1 c.s.] baseren deze incidentele vordering op het volgende (kort samengevat):

a. De nabetalingsverplichting van [T] maakt deel uit van de nalatenschap waartoe de erven [naam] behoren, voor zoveel nodig op grond van zaaksvervanging in de zin van art. 3:167 BW.

Gezien de (negatieve) ontwikkelingen rond het RBT is het risico, dat de nabetalingsverplichting als zodanig niet zal worden geconcretiseerd, zeer reëel te noemen; op korte termijn is die al helemaal niet te verwachten.

In dit kader acht [eiseres sub 1 c.s.] tevens van belang het feit dat volgens hen zowel [eiseres sub 1 c.s.] als [gedaagde sub 3 c.s.] te kennen hebben gegeven het in de akte van levering geformuleerde recht van terugkoop te willen uitoefenen.

Allereerst doet zich de complicatie voor dat [eiseres sub 1 c.s.] noch [gedaagde sub 3 c.s.] daartoe financieel in staat zijn en voorts zullen de gronden terugvallen in de nalatenschap, en niet meer voor de huidige van [T] in totaal te ontvangen prijs te verkopen zijn.

b. [Eiseres sub 2] heeft vanwege haar zeer slechte gezondheidssituatie belang bij een (spoedige) verdeling van de nalatenschap en acceptatie van het compromisvoorstel van [T].

c. [Gedaagde sub 3 c.s.] zijn niet bereid de positie van [eiseres sub 1 c.s.] ten opzichte van [T] over te nemen door middel van toedeling ervan voor een bedrag ad € 9,70 per m2.

Het incidentele verweer van [gedaagde sub 3 c.s.]

8. [Gedaagde sub 3 c.s.] voeren de navolgende weren tegen de incidentele vordering van [eiseres sub 1 c.s.] en concluderen tot afwijzing van die incidentele vordering:

a. De vordering op [T] behoort niet tot de nalatenschap van de in 1998 overleden vader [naam]. Deze betreft enkel een (mogelijke en toekomstige) nabetalingsverplichting van [T] in aanvulling op de reeds door [T] betaalde koopprijs voor de uit de nalatenschap overgenomen percelen.

b. De vordering op [T] is voorwaardelijk en dienvolgens thans niet opeisbaar.

[Gedaagde sub 3 c.s.] zien de toekomst van het RBT zonniger in en verwachten vervulling van de voorwaarden voor de nabetalingsverplichting van [T] op kortere termijn.

[Gedaagde sub 3 c.s.] zien mitsdien geen reden het compromisvoorstel van [T] te accepteren.

Voorzover de vordering op [T] als een onverdeeld goed zou moeten worden aangemerkt en artikel 3:174 BW van toepassing is, ontbreekt mitsdien de gewichtige reden, die nodig is om de gevraagde machtiging te bevelen.

Ook (de gevolgen van het inroepen van) het terugkooprecht kan in deze niet als argument dienen, daarvan hebben [gedaagde sub 3 c.s.] tegenover [T] afstand gedaan.

c. De door [eiseres sub 1 c.s.] gevraagde machtiging tot aanvaarding namens [eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.] tezamen, van het compromisvoorstel van [T] leidt in feite tot ontslag van [T] van haar bestaande contractuele nabetalingsverplichtingen, voortvloeiend uit de akte uit 2000, dat is onjuist.

Als er al iets op grond van artikel 3:174 BW zou moeten gebeuren, dient de waarde van deze voorwaardelijke en toekomstige vordering niet gelijk te worden gesteld aan het compromisvoorstel van [T], maar dient begroting daarvan door deskundigen plaats te vinden en zullen [gedaagde sub 3 c.s.] te zijner tijd op basis daarvan moeten afrekenen met [eiseres sub 1 c.s.]

De beoordeling

9. Naar het oordeel van de rechtbank behoort de vordering van [eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.] op [T], als voortvloeiend uit de leveringsakte van 24 november 2000 en strekkende tot een nabetalingsverplichting, nadat de voorwaarden daartoe zullen zijn vervuld, om die reden al niet tot de nalatenschap van vader [naam].

Vanwege het voorwaardelijk karakter van deze nabetalingsverplichting van [T], kan evenmin van zaaksvervanging betreffende die nalatenschap worden gesproken.

10. Op grond van genoemde akte is sprake van pluraliteit van schuldeisers (i.e. [eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.]), die als “verkoper” tezamen althans niet afzonderlijk, tot die voorwaardelijke nabetaling gerechtigd zijn en dienvolgens ex artikel 6:16 BW het bepaalde in titel 7 van boek 3 BW inzake gemeenschap van toepassing is.

11. In zoverre behoort de incidentele vordering van [eiseres sub 1 c.s.], gebaseerd op

artikel 3:174 BW tot de mogelijkheden en is deze rechtbank bevoegd.

Op zich acht de rechtbank het mogelijk dat het (verplichten tot) aanvaarden van het compromisvoorstel van [T] in de vorm van een nabetaling van per saldo

€ 9,70 per m2 neerkomt op het te gelde maken in de zin van dat artikel van de voorwaardelijke nabetalingsverplichting van [T], waartoe [eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.] tezamen gerechtigd zijn.

12. Aan de beoordeling of dan de hoogte van dat bedrag juist moet worden geacht (en wellicht een deskundig oordeel moet worden ingewonnen) komt de rechtbank echter niet toe, omdat zij van oordeel is dat de gewichtige reden, die artikel 3:174 BW voor het verlenen van de gevraagde machtiging eist, ontbreekt.

13. Te dien aanzien overweegt de rechtbank:

a. De noodzaak om tot een (spoedige) verdeling te geraken, is ten deze geen argument, daartoe dient het bepaalde in artikel 3:185 BW.

b. Het (al dan niet ingeroepen) terugkooprecht vormt in deze evenmin een gewichtige reden: het heeft er alle schijn van dat het niet door alle rechthebbenden ([eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.]) tijdig en éénduidig voor 1 maart 2011 tegenover [T] ingeroepen is, zomede stellen [gedaagde sub 3 c.s.] daarvan te zijn teruggekomen, heeft [T] zich niet op kenbare wijze op het standpunt gesteld dat het terugkooprecht door [eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.] (tezamen) is uitgeoefend en stellen [eiseres sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 3 c.s.] ieder dat zij financieel ook niet in staat zijn tot effectuering van het terugkooprecht, zodat ook uit dien hoofde die terugkoop illusoir is te achten.

c. De toekomstige ontwikkelingen van het RBT zijn inderdaad niet zeker, maar dat gold ook al in het jaar 2000, toen die nabetalingsverplichting met [T] werd overeengekomen.

Uiteraard zijn de omstandigheden ter zake van het RBT sedertdien niet geheel hetzelfde gebleven, maar anderzijds naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig ingrijpend veranderd, dat thans een tussentijds compromisvoorstel van [T], dat qua hoogte niet (rechtstreeks) is gerelateerd aan die van de uiteindelijke nabetalingsverplichting, op verlangen van [eiseres sub 1 c.s.] door [gedaagde sub 3 c.s.] zou moeten worden geaccepteerd, althans is dat laatste niet voldoende om een gewichtige reden te vormen, die het bevelen van de gevraagde machtiging rechtvaardigt.

14. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier alleen een tussentijdse mogelijkheid voor om de voorwaardelijk overeengekomen nabetalingsverplichting tegen een zekere opbrengst contant te maken, hetgeen de kennelijke voorkeur van [eiseres sub 1 c.s.] heeft.

De rechtbank ziet op de aangevoerde gronden echter geen reden de oorspronkelijk met [T] overeengekomen regeling buiten werking te stellen door [gedaagde sub 3 c.s.] eveneens tot het aangaan van die tussentijdse overeenkomst met [T] te veroordelen, waartoe de gevorderde machtiging immers strekt.

Conclusie

De incidentele vordering van [eiseres sub 1 c.s.] wordt afgewezen en zij worden als in het ongelijk gesteld in de proceskosten veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank:

In het incident

I. Wijst af de incidentele vordering van [eiseres sub 1 c.s.] tegen [gedaagde sub 3 c.s.]

II. Veroordeelt [eiseres sub 1 c.s.] in de kosten van het incident aan de zijde van [gedaagde sub 3 c.s.] gevallen en tot op deze uitspraak begroot op nihil aan griffierechten en € 5.160,-- aan salaris voor de advocaat.

In de hoofdzaak

De rechtbank:

III. Verwijst de zaak naar de rol van woensdag 25 juli 2012 voor conclusie na comparitie aan de zijde van [gedaagde sub 3 c.s.]

IV. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. van der Veer en op woensdag 27 juni 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.