Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BX0438

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
114668 HA ZA 10 – 976
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak, vrijwaringszaak A en vrijwaringszaak B. Kostenveroordeling in vrijwaring.

Slotsom moet zijn dat er andere voor rekening en risico van de eigenaar blijvende oorzaken zijn aan te wijzen van de schade. Het samenstel van voormelde “eigen” oorzaken is naar het oordeel van de rechtbank van dusdanig gewicht dat gezegd moet worden dat de (gemakshalve hier maar even te veronderstellen) schadevergoedingsplicht van de gedaagden in de hoofdzaak, daardoor geheel is vervallen. De billijkheid wegens “de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden” eist naar het oordeel van de rechtbank deze op artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek gebaseerde beslissing. Het gevorderde in de hoofdzaak wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummers: 114668 HA ZA 10 – 976 (Hoofdzaak)

118419 HA ZA 11 – 145 (Vrijwaringszaak A)

118517 HA ZA 11 – 154 (Vrijwaringszaak B)

datum vonnis: 20 juni 2012

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

in de hoofdzaak:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

hierna ook te noemen: de eigenaar,

procesadvocaat: mr. R.W.A. Kroon te Enschede,

en

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

(voorheen geheten: [X]),

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde sub 1 in de hoofdzaak,

hierna ook te noemen de aannemer,

procesadvocaat: mr. E.M.M. van de Loo te Enschede,

(behandelend advocaat mr. F.R.A. Schaaf te ‘s Gravenhage),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde sub 2 in de hoofdzaak,

hierna ook te noemen: de projectontwikkelaar,

procesadvocaat: mr. J.A. Holsbrink te Enschede,

(behandelend advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem),

in vrijwaringszaak A:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

(voorheen geheten: [X]),

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde sub 1 in de hoofdzaak,

hierna ook te noemen de aannemer,

procesadvocaat: mr. E.M. van de Loo te Enschede

(behandelend advocaat mr. F.R.A.Schaaf te ‘s Gravenhage),

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Multidak B.V.,

gevestigd te Tubbergen,

gedaagde in vrijwaringszaak A,

hierna ook te noemen: Multidak,

procesadvocaat: mr. J.A. Holsbrink te Enschede,

(behandelend advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem en mr. A.T. Baarsma te Arnhem),

in vrijwaringszaak B:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres in vrijwaringszaak B],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in vrijwaringszaak B,

hierna ook te noemen: de projectontwikkelaar,

procesadvocaat: mr. J.A. Holsbrink te Enschede,

(behandelend advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem en mr. A.T. Baarsma te Arnhem),

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde in vrijwaringszaak B],

(voorheen geheten: [X]),

gevestigd te Geesteren,

gedaagde in vrijwaringszaak B,

hierna ook te noemen: de aannemer,

procesadvocaat: mr. E.M. van de Loo te Enschede,

(behandelend advocaat mr. F.R.A. Schaaf te ‘s Gravenhage).

De weergave van het procesverloop

in de hoofdzaak en in beide vrijwaringszaken:

1. Voor de weergave van het procesverloop moet hier eerst worden verwezen naar wat daarover staat vermeld in het in alle zaken gewezen vonnis van 30 november 2011. De in dat vonnis in alle zaken bepaalde comparitie van partijen ter plaatse heeft plaatsgevonden op

8 februari 2012. Van hetgeen daar toen is voorgevallen, is proces-verbaal opgemaakt. Vermelding verdient hier nog dat na voormeld vonnis in de hoofdzaak nog de volgende gedingstukken in het geding zijn gebracht:

- de “akte houdende producties ter gelegenheid van nog te bepalen descente/comparitie” van 14 december 2011, genomen aan de zijde

van de eigenaar;

- de “akte” van 4 april 2012, genomen aan de zijde van de eigenaar;

- de “akte na comparitie/descente” van eveneens 4 april 2012, genomen aan de zijde

van de projectontwikkelaar;

- de “akte na comparitie/descente” van eveneens 4 april 2012, genomen

aan de zijde van de aannemer;

2. Tot slot is in alle zaken weer vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak na een aanhouding is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil

In de hoofdzaak en in beide vrijwaringszaken:

3. Ook hier moet eerst worden verwezen naar voormeld op 30 november 2011 in alle zaken gewezen vonnis, en wel in het bijzonder naar wat daarin is weergegeven (de standpunten van partijen), is vastgesteld (de feiten waarvan kan worden uitgegaan) en is overwogen en beslist. De rechtbank volhardt daarbij en in vervolg daarop moet thans als volgt worden beslist.

In de hoofdzaak:

4. De rechtbank kiest er voor om eerst te treden in de beoordeling van het door zowel de aannemer als de projectontwikkelaar in de hoofdzaak gevoerde verweer dat het causaal verband ontbreekt tussen de door de eigenaar gestelde schade en de door de aannemer op

22 april 2009 uitgevoerde grondverdichtingswerkzaamheden. De hier dan relevante schade betreft scheurvorming welke zichtbaar is geworden in delen van de marmeren betegeling van de beganegrondvloer alsmede van de marmeren betegeling van de verdiepingsvloer.

5. De rechtbank stelt vast dat het standpunt van gedaagden in de hoofdzaak inhoudende dat de aannemer bij het doen van de verdichtingswerkzaamheden op een afstand van in elk geval 30 meter van het pand van de eigenaar is gebleven, niet heeft geleid tot een nadere adequate stellingname van de eigenaar dat dat niet zo is geweest en dat veel dichter tegen deze bebouwing trilwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Nu door de eigenaar geen adequate feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit zou moeten worden afgeleid dat door de aannemer ook (te) dicht nabij dit pand verdichtings- en trilwerkzaamheden zijn uitgevoerd, zal de rechtbank de eigenaar niet alsnog toelaten tot het bewijs daarvan en neemt de rechtbank dan ook als vaststaand aan dat geen verdichtingswerkzaamheden zijn uitgevoerd binnen 30 meter, te rekenen vanaf het pand van de eigenaar.

6. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat door de aannemer een mate van voorzorg is betracht voorafgaand en tijdens de uitvoering van deze verdichtingswerkzaamheden. Zulks ter voorkoming dat de verdichtingsdruk en de daarmee gepaard gaande trillingen schade veroorzaken aan het pand van de eigenaar. Van de zijde van de aannemer is aangevoerd dat de ervaring heeft geleerd en goed gebruik is dat bij de hier gevolgde aanpak een afstand van 30 meter tot de bebouwing van de buren in acht wordt genomen. Die aanpak voorkomt “normaal gesproken” dat schade aan de naastgelegen bebouwing wordt teweeggebracht. Deze voorstelling van zaken waarbij dus op basis van ervaring en kennis uitgegaan kan en mag van “een veilige afstand” van omstreeks 30 meter van bebouwing, is als zodanig niet op juistheid weersproken. In het bijzonder is niet aangevoerd dat die afstand toch te kort is geweest c.q. in strijd is met wat voor verdichtingswerk wordt voorgeschreven bij een bodemstructuur zoals de onderhavige. Er zijn in het bijzonder ook geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in casu toch een veel grotere afstand tot de bebouwing van de eigenaar in acht had moeten worden genomen en dat dus juist door het niet in acht nemen van die grotere afstand schade c.q. meer schade moet zijn ontstaan.

7. Uit het (in het geding gebrachte) rapport van ABT te Velp (“Onderzoek scheurvorming natuursteenvloer” opgemaakt op verzoek van de eigenaar) van 17 augustus 2010 blijkt dat in het kader van dat onderzoek naar de oorzaak van de hier aan de orde zijnde schade, ter plaatse een praktijkproef is uitgevoerd waarbij weer trillingshinder is veroorzaakt. De daarbij gemeten trillingssnelheden bleken dusdanig klein te zijn dat op basis van “de richtlijnen” geconcludeerd moet worden dat door de trillingshinder zelfstandig geen schade aan het pand zou kunnen zijn veroorzaakt. Ook uit de door ABT opgestelde rekenkundige benadering is niet de conclusie te trekken dat de tijdens de praktijkproef waargenomen bewegingen van de constructie op zich tot schade hadden kunnen leiden.

8. Zowel in het (eveneens in het geding gebrachte) rapport van ir. S.N.M. Wijte (Adviesbureau ir. J.G. Hageman B.V.) van 26 januari 2011 met als kop “Schade marmeren vloerafwerking bedrijfspand te Tubbergen” als in het genoemde rapport van ABT wordt wel voor mogelijk gehouden dat de meergenoemde trillingshinder de scheurvorming in de marmeren vloeren niet zelfstandig, maar mede met andere oorzaken kan hebben veroorzaakt. Of anders gezegd: beide rapporteurs hebben de trillingshinder niet “hard kunnen uitsluiten” als medeoorzaak van de geconstateerde schade in de vorm van scheurvorming in een aantal marmeren tegels gelegd op de begane grondvloer alsmede op de verdiepingsvloer.

9. De rechtbank houdt in rechte dan ook voor juist dat de trillingshinder mede oorzaak is geweest van die schade. Feit is en blijft immers dat met inachtneming van welke afstand dan ook, trillingen veroorzaakt door de verdichtingswerkzaamheden, naar het oordeel van de rechtbank moeten zijn doorgegeven aan het pand van de eigenaar. Vervolg is dan de beoordeling of die trillingen direct of indirect als “de” oorzaak c.q. een van “de” oorzaken van de schade moeten worden aangemerkt. Of anders geformuleerd: zijn er andere oorzaken van de schade te benoemen dan alleen de meergenoemde trillingshinder?

10. Bij deze vervolgbeoordeling gebruikt de rechtbank als handvat de inhoud van het rapport van ir. S.N.M. Wijte. Weliswaar is die rapportage door die deskundige gemaakt in opdracht van Aegon Schadeverzekering te Den Haag, maar uit de inhoud van die rapportage en de technisch objectieve wijze waarop die deskundige zich van zijn taak heeft gekweten, trekt de rechtbank de conclusie dat deze deskundige ter zake zeer kundig is en met voldoende afstand en objectiviteit zich een oordeel heeft weten te vormen over de (mogelijke) oorza(a)k(en) van de gestelde schade.

11. In het rapport van Wijte wordt onder 3.7. gewezen op het feit dat er bij de langsvoegen tussen de kanaalplaten een relatief groot vervormingsverschil kan ontstaan over een kleine afstand, waarbij scheurvorming kan ontstaan. Dit is naar zeggen van de rapporteur niet specifiek voor trillinghinder. Dit kan namelijk ook gebeuren door vervormingsverschillen tussen twee aanliggende kanaalplaten ten gevolge van verschillende veranderlijke belastingen, door kruipvervorming van de kanaalplaten en ook door vervormingen in de staalconstructie waarop de kanaalplaten steunen.

12. In diens rapport wordt er onder 3.8. (“Mogelijke andere oorzaken”) gewezen op het feit dat de scheurvorming (ook) kan zijn veroorzaakt door de verhinderde krimpvorming van de stortvloer. Zulks met de volgende toelichting:

“De krimp van de zand-cementlaag zal beperkt zijn en zal vanwege de afsluiting van de zandcementlaag met plasticfolie aan de onderzijde en marmeren tegels aan de bovenzijde een lange tijd vergen. De krimp leidt tot twee soorten vervormingen: de verkorting van de dekvloer en de kromming van de dekvloer. De verkorting van de

dekvloer kan, vooral bij grotere oppervlakken worden belemmerd door wrijving en/of hechting met de constructieve vloer. Een belemmering wordt verder verkregen door de aansluiting van de dekvloer met de doorgaande kolommen van de staalconstructie. Een belemmering van de verkorting van de vloer leidt tot trekspanningen in de dekvloer. Als deze trekspanningen te groot worden, zal eerst een scheur optreden in de zand-cementlaag en vervolgens zal deze doorspringen in de tegel. De kromming van de dekvloer ontstaat omdat de zand-cementlaag wil verkorten en de tegellaag niet. Deze kromming wordt verhinderd door het eigen gewicht van de dekvloer. (…) Als dit moment te groot wordt, zal de zand-cementlaag scheuren. De deklaag verliest hierdoor stijfheid waardoor ter plaatse van de scheur een grotere kromming zal ontstaan en uiteindelijk ook , omdat het scheurmoment van de tegel lager is dan dat van de samengestelde deklaag, de tegel zal scheuren. Dat bij diverse scheuren is geconstateerd dat het oppervlakte van de tegels afloopt naar de scheur, is een aanwijzing dat de krimpverkorting in het algemeen en de belemmering van de kromming in het bijzonder een belangrijke oorzaak van de scheurvorming in de tegels zijn.”.

13. Voorts wordt in dit rapport als mogelijke oorzaak voor de scheurvorming in de marmeren tegels genoemd de krachtverdeling in de dekvloer ten gevolge van een geconcentreerde belasting op de dekvloer:

“De dekvloer is uitgevoerd als een zogenaamde zwevende dekvloer. De constructie van de dekvloer, de tussenlaag van noppenfolie en de constructieve vloer is te schematiseren zoals in figuur 3 is geschetst. Als een geconcentreerde belasting op de deklaag wordt geplaatst, wordt deze belasting gespreid afgedragen door middel van de minder stijve tussenlaag. Door deze spreiding ontstaan buigende momenten in de deklaag. De bijbehorende spanningen kunnen leiden tot het scheuren van de zand-cement vloer. Omdat het scheurmoment van de tegels kleiner is, zal deze scheur doorlopen in de tegel.”.

14. Als derde mogelijke oorzaak voor de scheurvorming in de marmeren tegels wordt in deze rapportage geduid op vervormingsverschillen tussen twee naast elkaar liggende kanaalplaten ten gevolge van verschillende kruipvervorming en/of uitwendige belasting:

“Scheurvorming in afwerklagen op kanaalplaten ter plaatse van de langsvoegen tussen de kanaalplaten is een veel voorkomend schadebeeld. Het treedt veelal op als de afwerklaag verbonden is met de kanaalplaten. De scheuren worden dan vooral geïnitieerd door een belemmering van de krimpverkorting van de deklaag ten gevolge van de aanhechting aan het oppervlak van het kanaalplaat.

In de onderhavige situatie kan dit echter niet optreden. Wat wel kan optreden zijn vervormingsverschillen in verticale richting bij twee naast elkaar liggende kanaalplaten. Deze vervormingsverschillen kunnen ontstaan doordat de kanaalplaten verschillend worden belast. Een hoge lokale belasting op de ene plaat en geen belasting op de andere. Een tweede reden is een mogelijk verschil in kruipvervorming die de kanaalplaten ondergaan. De kruipvervorming is het gevolg van de permanent aanwezige belasting en de voorspanning die in de kanaalplaten aanwezig is. Ten gevolge van relatief kleine variaties in bijvoorbeeld ouderdom van de platen en de positie en/of hoeveelheid van de voorspanning kan de kruipvervorming tussen de platen verschillen zodat ter plaatste van de aansluiting een vervormingsverschil ontstaat. Tot slot zijn de kanaalplaten voor een deel opgelegd op stalen liggers. Ook de vervorming van deze stalen liggers kan leiden tot een vervormingsverschil ter plaatste van de voegen van de kanaalplaten.

In het ABT-rapport is reeds aangegeven dat deze vervormingsverschillen over een relatief kleine lengte dienen te worden opgenomen. Dit leidt lokaal tot grote krommingen en dus grote momenten in de dekvloer. Uiteindelijk kan dit tot scheurvorming leiden.

Dat op de verdiepingsvloer de scheurvorming voornamelijk optreedt ter plaatste van de voegen tussen de kanaalplaten is een indicatie dat hetgeen direct hiervoor is beschreven een belangrijke oorzaak is voor de scheurvorming in de marmeren tegels van de dekvloer. Zoals reeds eerder gesteld, is het ontstaan van scheuren in een dekvloer/afwerkvloer op een kanaalplaat een frequent voorkomende schade. Derhalve had bij het ontwerp van het bedrijfspand en de keuze van de vloerafwerking nagegaan moeten worden of de hier toegepaste dekvloer geschikt is voor deze toepassing. Het was verstandiger geweest en conform de gebruikelijke uitvoeringspraktijk geweest om bij de toepassing van de scheurgevoelige afwerking, zoals de onderhavige, op de kanaalplaat een gewapende druklaag aan te brengen om de vervormingsverschillen tussen de twee kanaalplaten te minimaliseren.”.

15. Als vierde mogelijke oorzaak van de scheurvorming wordt door deze deskundige genoemd de lokale ondersteuning van de dekvloer ten gevolge van het falen van de noppenfolie:

“Als de noppenfolie tijdens de uitvoering lokaal is beschadigd, zal hier een stijve aansluiting ontstaan tussen de dekvloer en de constructieve vloer. Er zal dan minder belasting via de flexibele tussenlaag worden overgedragen. Deze belasting wordt dan overgedragen door middel van de aansluitingen die tussen de dekvloer en de constructieve vloer ontstaan. Dit leidt bij een belasting van de dekvloer tot momenten in de dekvloer.”

16. Rapporteur Wijte komt in diens rapport op basis van diens bevindingen – inclusief de beoordeling van de rapportage van ABT – tot de volgende hier naar het oordeel van de rechtbank relevante conclusies:

“Bij een nadere beschouwing van de vervaardigde verdiepingsvloerconstructie blijkt dat de oorzaak van de scheurvorming opgesloten zit in de gekozen bouwkundige oplossing met een combinatie van een verend ondersteunde kanaalplaatvloer met een zwevende dekvloer met daarop een scheurgevoelige afwerking. De toepassing van een gewapende druklaag op de kanaalplaten had hier meer voor de hand gelegen.

Geconcludeerd wordt dat de trillingshinder niet de oorzaak is van de scheurvorming die in de marmeren tegels van de dekvloer is opgetreden. Hoogstens zijn de trillingen een omstandigheid geweest waarbij de initieel aanwezige problemen in de dekvloer zich hebben geopenbaard.

In het rapport van ABT wordt slechts zeer beperkt ingegaan op andere mogelijke oorzaken van de schade dan de beschreven trillingshinder. (…)”:

17. De rechtbank oordeelt deze conclusies als juist en voldoende gefundeerd en maakt deze conclusies tot de hare.

18. De rechtbank voegt hier aan toe dat de rapporteur Wijte er in diens rapportage vanuit is gegaan dat in de vloeren geen dilatatievoegen zijn opgenomen: “Zowel de toegepaste noppenfolie als het ontbreken van dilatatievoegen kunnen een zelfstandige oorzaak zijn voor

de opgetreden scheurvorming.” (slot van 3.3.). Die bevinding strookt met wat hierover in het rapport van ABT staat vermeld: “In de zwevend uitgevoerde tegelvloeren zijn geen (tegel)dilataties opgenomen die op adequate wijze de vervorming tengevolge van thermische invloeden en krimp kunnen opvangen.”, en “eventuele optredende spanningen zullen bij effectieve dilataties altijd geringer zijn geweest”.

19. Bij de comparitie ter plaatse heeft de rechtbank mogen vaststellen dat door de eigenaar dilatatievoegen zijn aangewezen die daarvoor in bouwtechnische zin niet mogen doorgaan. Het betrof immers steeds voegen die niet gevuld waren met een flexibele (kunststof of rubber) afdichting, zoals dat hoort. De betreffende voegen waren bovendien (zeer) smal – immers slechts voegbreed – en zichtbaar was gemaakt dat die voegen weliswaar “onderin” waren opgevuld met een flexibel materiaal (waarschijnlijk restanten van het meergenoemde noppenfolie), maar dat deze voegen aan de bovenzijde waren dicht gevoegd met het gewone harde voegmateriaal dat voor de gehele betegeling van de vloeren is gebruikt. Verder bleef in het ongewisse hoe diep die voegen waren en of deze doorliepen tot de onderliggende kanaalplaten c.q. tot het daarop liggende noppenfolie. Her en der is geprikt in opengemaakte delen van deze zogenaamde dilatatievoegen, maar daarbij heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen of die voeg de diepte hadden, die hiervoor is aangeduid. Het standpunt van Wijte dat door hem is vastgesteld dat geen dilatatievoegen zijn toegepast, moet dan ook voor juist worden gehouden. Het standpunt van de eigenaar dat dergelijke “beschermende” dilatatievoegen wel zijn toegepast, moet dus worden verworpen.

20. Voor wat betreft de gestelde scheur in de (muur van de) doucheruimte (beneden) is weersproken dat deze is ontstaan tijdens of enige tijd na de trillingshinder. Pas dagen later wordt hier voor het eerst op gewezen. Dit terwijl voor trillingsschade geldt – gelijk voormelde rapporteurs ook hebben aangevoerd – dat deze vrijwel direct optreedt. Voorts geldt hier dat voor het bestaan van (voldoende) causaal verband geen c.q. te weinig informatie voorligt. Evenmin is daartoe adequaat gesteld en bewijs aangeboden.

21. De noodzaak van een (nader) deskundigenbericht is niet (alsnog) gebleken. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en evenmin is door een van partijen alsnog met klem van argumenten de noodzaak van een (nader) deskundigenbericht bepleit. Het omgekeerde is veeleer het geval: partijen in de hoofdzaak hebben ter comparitie duidelijk te kennen gegeven dat de zaak zich leent voor afdoening op basis van de thans in dit geding voorhanden zijnde informatie.

22. Op basis van het hiervoor overwogene, moet naar het oordeel van de rechtbank, de slotsom zijn dat er andere voor rekening en risico van de eigenaar blijvende oorzaken zijn aan te wijzen van de schade. Het samenstel van voormelde “eigen” oorzaken is naar het oordeel van de rechtbank van dusdanig gewicht dat gezegd moet worden dat de (gemakshalve hier maar even te veronderstellen) schadevergoedingsplicht van de gedaagden in de hoofdzaak, daardoor geheel is vervallen. De billijkheid wegens “de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden” eist naar het oordeel van de rechtbank deze op artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek gebaseerde beslissing.

23. Het in de hoofdzaak gevorderde moet worden afgewezen. De eigenaar dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten die in dit geding zijn gevallen aan de zijde van gedaagden in de hoofdzaak.

In de vrijwaringszaken A en B:

24. Het hiervoor in de hoofdzaak overwogene brengt in beide vrijwaringszaken mee dat het gevorderde moet worden afgewezen.

25. De rechtbank overweegt over de proceskosten het volgende.

De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 3.5.5. in het arrest van 28 oktober 2011

(LJN: BQ6079) geoordeeld dat niet langer gezegd kan worden dat de billijkheid het doorschuiven van kosten eist en dat daarom de proceskosten waarin de gewaarborgde in de vrijwaringszaak wordt veroordeeld, niet meer ten laste behoren te worden gebracht van de eiser in de hoofdzaak wiens vordering is afgewezen. In vrijwaringszaak A zal de aannemer daarom worden veroordeeld in de kosten van dit geding in vrijwaring aan de zijde van Multidak, zonder dat deze kosten worden doorgeschoven naar de eigenaar. In vrijwaringszaak B zal de projectontwikkelaar daarom worden veroordeeld in de kosten van dit geding in vrijwaring aan de zijde van de aannemer, zonder dat deze kosten worden doorgeschoven naar de eigenaar.

In rechtsoverweging 3.6 van voornoemd arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het voorgaande meebrengt dat ook voor het doorschuiven van de eigen kosten van de gewaarborgde in de vrijwaring geen grond bestaat. Aansluitend hierbij is de rechtbank van oordeel dat ook voor de veroordeling van de eigenaar in de kosten van het incident aan de zijde van respectievelijk de aannemer (vrijwaringszaak A) en de projectontwikkelaar (vrijwaringszaak B) geen plaats is. Iedere partij dient hierin de eigen kosten te dragen. Hierbij weegt tevens mee dat de eigenaar in beide opgeroepen incidenten in vrijwaring geen verweer heeft gevoerd, maar zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Rechtdoende

in de hoofdzaak:

I. Wijst af het gevorderde.

II. Veroordeelt de eigenaar tot betaling aan de aannemer en de projectontwikkelaar van de aan die zijde in dit geding gevallen proceskosten, welke kosten tot op heden aan de zijde van de aannemer moeten worden begroot op in totaal € 1.845,-, te weten € 263,-voor griffierecht en € 1.582,- (3,5 punt x € 452,-) voor salaris van de advocaat, en aan de zijde van de projectontwikkelaar op in totaal € 1.845,-, te weten € 263,- voor griffierecht en € 1.582,-

(3,5 x € 452,-) voor salaris van de advocaat.

III. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in vrijwaringszaak A

I. Wijst af het gevorderde.

II. Veroordeelt de aannemer tot betaling aan Multidak van de aan die zijde in dit geding gevallen proceskosten, welke kosten tot op heden moeten worden begroot op in totaal

€ 1.924,-, te weten € 568,- voor griffierecht en € 1.356,- (3 x € 452,-) voor salaris van de advocaat.

III. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in vrijwaringszaak B:

I. Wijst af het gevorderde.

II. Veroordeelt de projectontwikkelaar tot betaling aan de aannemer van de aan die zijde in dit geding gevallen proceskosten, welke kosten tot op heden moeten worden begroot op in totaal € 1.356,-, te weten € 1.356,- (3 x € 452,-) voor salaris van de advocaat.

III. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op

20 juni 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.