Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW9600

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
96-249391-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter is van oordeel dat de officier van justitie bij het CVOM de verdachte heeft gedagvaard zonder eerst aan behoorlijke opsporing te doen en dat met deze vervolging geen enkel doel gediend werd. "Het gedrag van het CVOM, in deze zaak gelijk als in soortgelijke zaken, is niet rechtsstatelijk, drijft sommige goedwillende burgers tot wanhoop en kost de samenleving veel geld. Het is tijd dat er wat aan gedaan wordt." De kantonrechter verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

STRAFVONNIS

(schriftelijk vonnis van de kantonrechter te Enschede)

Parketnummers: 96-249391-10

Uitspraak 25 juni 2012

De kantonrechter in de Rechtbank te Almelo, te Enschede, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, kanton Enschede, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats en datum in het jaar] 1951,

wonende te [adres]

terechtstaande terzake dat:

hij op of omstreeks 19 mei 2010 te Enschede, althans in Nederland, als degene aan wie voor een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) het kenteken [kenteken] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden;

(art 30 lid 2 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen)

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie, die op grond van de in het dossier aanwezige bewijsstukken en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting rekwireert tot bewezenverklaring en de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht;

Gehoord de verdachte;

De kantonrechter stelt vast dat uit een registercontrole van de Dienst Wegverkeer, Centrum voor Voertuigtechniek en Informatie, bureau handhaving te Veendam op 19 mei 2010 is gebleken dat het voertuig met kenteken [kenteken] niet was verzekerd. Verdachte is daarna namens de hoofddirecteur van het Centraal Justitieel Incassobureau per brief van 6 september 2010 een week gegeven om daarover een verklaring af te leggen. Ergens in het verkeer tussen deze instanties en de afhandeling door het CJIB gaat dus al twee-en-een-halve maand verloren tussen het constateren van het feit en het doen van een verzoek om een verklaring. De betreffende burger krijgt, uitgaande van de datering van de brief en een verzendduur van tenminste een dag, hooguit vier werkdagen, gelegenheid om te reageren.

De kantonrechter heeft in bijna elke zitting van tussen de 40 en 60 zaken met betrekking tot onverzekerde voertuigen wel een paar dossiers van goedwillende burgers die in de uitnodiging tot het geven van een verklaring ook daadwerkelijk een aanleiding zien tot het geven van een verklaring in de vorm van een brief met een opgave van al dan niet emotioneel weergegeven geschiedenissen van eindeloze vervolging waaraan maar geen eind lijkt te komen, doorgaans met vermelding van een aantal stellingen die tot nader onderzoek zouden kunnen leiden alvorens tot dagvaarding wordt overgegaan. De ervaring van deze kantonrechter is dat dit onderzoek niet geschiedt en dat deze goedwillende burger die doet wat hem gevraagd wordt – een verklaring geven – geen enkele inhoudelijke reactie krijgt. Wat hij krijgt, en dat vaak ook pas twee jaar later, is een dagvaarding van de officier van justitie bij het CVOM. Kennelijk interesseert het de officier van justitie bij het CVOM dus helemaal niets wat de goedwillende burger hem schrijft en de beschaving om behoorlijk te reageren kent hij ook niet.

In de onderhavige zaak heeft verdachte op 19 september 2010 (ontvangen door het CJIB op 21 september 2010) geschreven dat “de rechter naar aanleiding van diverse rechtzaken omtrent het niet verzekerd zijn van de betreffende bromfiets geadviseerd heeft om u te schrijven met de mededeling de verdere vervolging ongedaan te maken. We zijn al jaren bezig om de bromfiets van naam te krijgen. De advocaat mr Kötter heeft het eindelijk voor elkaar gekregen en wij zijn al financieel genoeg gestraft, voor verdere informatie moet u maar contact opnemen met de rechter”.

De kantonrechter overweegt dat dit nu precies het soort brieven is die tot nader onderzoek zou moeten leiden alvorens tot verdere vervolging wordt overgegaan. Hoewel ook deze zaak is begonnen zoals al dergelijke zaken met een verwijtbaar handelen van de verdachte zelf in de vorm van een onzorgvuldige afvoer van een bromfietswrak of iets anders onhandigs en verwijtbaars, mag het niet zo zijn dat deze mensen daarna nog jaren lang geterroriseerd worden met zinloze want tot niets leidende dagvaardingen als zij netjes – en succesvol – hun best doen om aan de tenaamstelling van het kenteken een eind te maken.

Als de officier van justitie van het CVOM in de onderhavige zaak de brief van verdachte niet blind naast zich neergelegd zou hebben dan zou hem alvorens tot dagvaarding werd overgegaan uit de justitiële documentatie van verdachte zijn gebleken dat die op 5 juli 2010 voor zijn op 25 februari 2009 onverzekerde bromfiets schuldig is verklaard zonder dat aan hem een straf of maatregel werd opgelegd. Dan zou de officier van justitie bij het CVOM hebben gezien dat verdachte op 13 september 2010 drie maal schuldig is verklaard zonder opleggeng van straf of maatregel voor het onverzekerd zijn van de bromfiets op 17 juni 2009, 7 oktober 2009, 6 november 2008. Dan zou de officier van justitie bij het CVOM zich toch hebben moeten afvragen waarom kantonrechters dat toch telkens doen. Dan zou hij mogelijk in de dossiers van de betreffende zaken maar toch in elk geval in de eerder genoemde brief van verdachte een aanleiding hebben moeten vinden om navraag (opsporing) te doen bij het RDW. Uit de brief van het RDW van 9 juli 2010 die verdachte ter zitting aan de rechter heeft overgelegd blijkt dat de officier van justitie van het CVOM dan zou zijn te weten gekomen dat de tenaamstelling van het kenteken per 9 juli 2010 is vervallen.

Het is voor de kantonrechter volstrekt onduidelijk waarom er dan toch op 6 maart 2012 nog een dagvaarding wordt uitgebracht tegen verdachte voor dit feit, gepleegd op 19 mei 2010.

Ter zitting heeft de officier van justitie gelet op de omstandigheden van het geval gerekwireerd tot bewezenverklaring en toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Deze officier van justitie heeft bij zijn voorbereiding op de zitting kunnen constateren dat verdachte inmiddels ook op 19 maart 2012 schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel voor het onverzekerd zijn op 27 januari 2010. Hij had wellicht de dagvaarding nog kunnen intrekken en de verdachte het opnemen van weer een vrije ochtend kunnen besparen.

De kantonrechter kan uit de eis van de officier van justitie in deze zaak niet anders concluderen dan dat ook het openbaar ministerie zelf in deze zaak van mening is dat de vervolging van verdachte geen enkel doel diende. In elk geval heeft de officier van justitie niet aangegeven welk nut zijn vervolging heeft gediend.

In een rechtstaat hoort aan vervolging door dagvaarding van burgers een behoorlijke opsporing vooraf te gaan. Als dat wordt overgeslagen en de vervolging bovendien geen enkel doel dient, dan behoort de officier van justitie naar het oordeel van deze kantonrechter niet ontvankelijk verklaard te worden.

Het gedrag van het CVOM, in deze zaak gelijk als in soortgelijke zaken, is niet rechtsstatelijk, drijft sommige goedwillende burgers tot wanhoop en kost de samenleving veel geld. Het is tijd dat er wat aan gedaan wordt.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vervolging.

Aldus gewezen door mr. Berg, kantonrechter, in tegenwoordigheid van H.R. Pouw, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de kantonrechter in de Rechtbank voornoemd, te Enschede op 25 juni 2012;