Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW8624

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
11 / 1075 AWBZ V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

met terugwerkende kracht, ten nadele van eiser herzien van een afgegeven indicatie naar aanleiding van een aanvraag om deze indicatie te verlengen is in strijd met de rechtszekerheid en het verbod van détournement de pouvoir. Bij eiser zodanige verwachtingen gewekt dat het vertrouwensbeginsel zich verzet tegen het buiten toepassing laten van de ‘zes weken regel’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 11 / 1075 AWBZ V1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

eiser,

wettelijk vertegenwoordigd door de moeder,

en

Centrum indicatiestelling zorg,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg, verweerder,

gemachtigde: I.C.J.G. van Maris-Kindt

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten dat eiser vanaf die dag in aanmerking komt voor AWBZ-zorg voor de zorgfuncties persoonlijke verzorging met klasse 2 en verpleging met klasse 3 (de indicatie).

Bij besluit van 26 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft wel het primaire besluit ingetrokken en een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft verweerder de ingangsdatum, de geïndiceerde zorgfuncties en de klassering van de indicatie onveranderd gelaten. Verweerder heeft wel de einddatum van de indicatie aangepast.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft op 27 april 2012 een herziene beslissing op bezwaar genomen. De herziene beslissing op bezwaar is gelijk aan de beslissing op bezwaar van 26 september 2011, behoudens een wijziging van de einddatum van de indicatie voor de zorgfunctie verpleging.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 mei 2012. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door de wettelijk vertegenwoordiger. Verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw I.C.J.G. van Maris-Kindt en mevrouw M.C.J. Wetstijn.

Ter zitting heeft eiser een door het CIZ uitgegeven folder overgelegd getiteld: ‘Het indicatiebesluit’. Deze folder is aan het proces-verbaal van de zitting aangehecht.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 27 april 2012 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit besluit niet volledig tegemoet komt aan de het beroep van eiser. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb merkt de rechtbank het beroep van eiseres dan ook aan als mede te zijn gericht tegen het besluit van 27 april 2012.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verweerder heeft op 11 februari 2011 een indicatie afgegeven voor de zorgfuncties persoonlijke verzorging met klasse 5 en verpleging met klasse 3. De einddatum voor deze indicatie is 9 juni 2011. Op 12 april 2011 is bij verweerder een aanvraag voor een indicatie binnengekomen. Bij besluit van 15 april 2011, drie dagen na de aanvraag, is de nieuwe indicatie aan eiser bekend gemaakt en is deze in werking getreden.

3. Niet in geschil is de indicatie van het type zorgfunctie en de klassering daarvan. Ook is de einddatum van de indicatie niet in geschil. In deze zaak staat slechts de ingangsdatum van de nieuwe indicatie ter discussie.

4. Eiser stelt dat hij is overvallen door het besluit omdat de ingangsdatum veel vroeger is dan de datum waarom hij heeft verzocht in zijn aanvraag. In de aanvraag was eiser ervan uitgegaan dat de nieuwe indicatie zou ingaan op het moment dat de geldigheid van de lopende indicatie was verstreken, zijnde 9 juni 2011. Eiser was door het zorgkantoor Menzis aangeraden om drie maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende indicatie een aanvraag voor verlenging in te dienen. Voorts heeft eiser gewezen op de door het CIZ uitgegeven folder waarin staat dat, indien na de einddatum nog zorg nodig is, dit opnieuw aangevraagd kan worden. In de folder wordt geadviseerd om dit ongeveer zes weken voor de einddatum van de desbetreffende zorg te doen. Tevens verwijst eiser naar een concept beslissing op bezwaar van 13 juli 2011 waarin staat dat indien een aanvraag wordt ingediend binnen zes weken voor het verstrijken van geldigheid van de lopende indicatie, de ingangsdatum van de nieuwe indicatie gelijk is aan de einddatum van de nog lopende indicatie. Door de nieuwe indicatie acht weken voor het verstrijken van de lopende indicatie in te laten gaan heeft verweerder volgens eiser in strijd met het beginsel van rechtszekerheid gehandeld. De beslissing van eiser heeft mede tot gevolg gehad dat hij een deel van het geld dat hij had ontvangen op grond van de oude indicatie heeft moeten terugbetalen.

5. Verweerder heeft gesteld dat iedere aanvraag integraal wordt getoetst. Een nieuwe aanvraag is een nieuw peilmoment waarop de daadwerkelijke zorgbehoefte van de aanvrager wordt getoetst. De ingangsdatum van de indicatie is daarmee de datum van de aanvraag. Voorts blijkt volgens verweerder uit de aanvraag dat eiser inmiddels mobieler was geworden, zodat een lagere klassering voor de hand lag. Ook bleek bij nadere bestudering van de indicatie van 11 februari 2011 dat deze te royaal was geweest. Met de indicatie van 15 april 2011 heeft verweerder dit willen herstellen. Verweerder heeft tevens gesteld dat een ander besluit zou inhouden dat eiser acht weken lang een indicatie voor zorg zou hebben waartoe in realiteit geen noodzaak toe bestond. Ten aanzien van de ‘zes weken regel’ waarop eiser zich beroept, stelt verweerder dat het geen vaste werkwijze van verweerder betreft, zodat daar geen rechten aan ontleend kunnen worden.

Daarnaast stelt verweerder dat aanvraag acht en niet zes weken voor het einde van de geldigheid van de indicatie is ingediend, zodat de regel überhaupt niet opgaat.

6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) burgemeester en wethouders erin voorzien dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg. Voorts is in artikel 9b van de AWBZ bepaald dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen. Op grond van artikel 12, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit stelt het indicatieorgaan binnen zes weken nadat de aanvraag is ingediend een indicatiebesluit vast.

7. De rechtbank overweegt allereerst dat in het primaire besluit staat dat met dat besluit de eerder afgegeven indicatiebesluiten zijn vervangen. In het bestreden besluit van 26 september 2011 is het primaire besluit ingetrokken en een nieuwe indicatie afgegeven. Verweerder heeft evenwel niet opnieuw besloten dat dit besluit de eerdere indicatiebesluiten vervangt. Dit geldt ook voor de herziene beslissing op bezwaar van 27 april 2012. Dat betekent dat het indicatiebesluit van 11 februari 2011 niet is ingetrokken. Daarmee bestaan er voor de periode van 15 april 2011 tot en met 9 juni 2011 twee indicaties naast elkaar, zijnde de indicatie van 11 februari 2011 met een indicatie voor persoonlijke verzorging met klasse 5 en verpleging met klasse 3 en de indicatie van 27 april 2012 met een indicatie voor persoonlijke verzorging met klasse 2 en verpleging met klasse 3.

8. De rechtbank overweegt voorts dat uit artikel 9b van de AWBZ volgt dat verweerder dient te beslissen op basis van de aanvraag van eiser. Het is juist dat verweerder daarbij de aard, inhoud en omvang van de benodigde zorg integraal dient te toetsen. Dit betekent daarentegen niet dat verweerder voor wat betreft de ingangsdatum van de verzochte indicatie buiten de aanvraag om mag gaan. Dit te meer, omdat eiser in zijn aanvraag duidelijk heeft aangegeven dat het een verlengingsaanvraag betreft. Door een ingangsdatum te indiceren die acht weken vroeger is dan de aangevraagde ingangsdatum, is verweerder in het nadeel van eiser afgeweken van de aanvraag. Voorts wijst de rechtbank op de korte periode tussen de aanvraag en de nieuwe indicatie die een aanmerkelijk lagere klassering voor de zorgfunctie persoonlijke verzorging bevat dan de oude indicatie. De aanvraag is op 12 april 2011 binnengekomen en op 15 april 2011 is het besluit aan eiser bekend gemaakt. De zorgfunctie persoonlijke verzorging had in de oude indicatie een klassering van 5, terwijl deze in de nieuwe indicatie een klassering van 2 heeft. Door de korte periode heeft eiser geen kans gehad om maatregelen te nemen om zich voor te bereiden op een lagere indicatie en daarmee op een verlaging van de financiële bijdrage aan de zorg. Dit is in strijd met de rechtszekerheid. Daarbij komt dat verweerder heeft erkend dat hij met het nieuwe indicatiebesluit de eerdere, te ruime indicatie heeft willen herstellen. Dit herstel heeft een verslechtering van de positie van eiser tot gevolg gehad. Hiermee heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een oneigenlijk doel aangewend en is er sprake van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:3 van de Awb. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte de mededeling van eiser in zijn aanvraag dat hij mobieler was geworden betrokken op de situatie op 15 april 2011. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat deze opmerking hoofdzakelijk ziet op de situatie van na het einde van de geldigheid van de oude indicatie, 9 juni 2011. Dit is immers ook de ingangsdatum die eiser in de verlengingsaanvraag heeft vermeld.

Samengevat, het met terugwerkende kracht, ten nadele van eiser herzien van een afgegeven indicatie naar aanleiding van een aanvraag om deze indicatie te verlengen is in strijd met de rechtszekerheid en het verbod van détournement de pouvoir.

9. Ten aanzien van de ‘zes weken regel’ van verweerder overweegt de rechtbank het volgende. Weliswaar is niet komen vast te staan dat het beleid betreft in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. In dit geval zijn bij eiser zodanige verwachtingen gewekt dat het vertrouwensbeginsel zich verzet tegen het buiten toepassing laten van de ‘zes weken regel’. Eiser mocht ervan uitgaan dat indien hij de verlengingsaanvraag indiende binnen een redelijke periode voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende indicatie, de ingangsdatum van de nieuwe indicatie zou samenvallen met de einddatum van de nog lopende indicatie. In de folder die door verweerder zelf is uitgegeven wordt dit ook als zodanig geadviseerd. De stelling van verweerder dat de verlenging niet zes weken maar acht weken voor het verstrijken van de geldigheid van de indicatie is aangevraagd maakt dat niet anders. De periode tussen zes en acht weken is te kort en een periode van acht weken niet onredelijk om op grond daarvan een ingrijpende wijziging van de ingangsdatum van de indicatie ten nadele van eiser te rechtvaardigen.

10. Beslist wordt derhalve als volgt. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal het herziene besluit op bezwaar van 27 april 2012 vernietigen, voor zover het ziet op de periode van 15 april 2011 tot 9 juni 2011. Teneinde misverstanden te voorkomen herhaalt de rechtbank dat voor de periode van 15 april 2011 tot 9 juni 2011 de indicatie die door verweerder is afgegeven op 11 februari 2011 van kracht is.

11. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding voor vergoeding van de proceskosten, zijnde de reiskosten van € 6,00. Tevens zal verweerder veroordeelt worden tot vergoeding van de betaalde griffiekosten van € 41,00.

Beslist wordt derhalve als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de periode van 15 april 2011 tot 9 juni 2011;

- bepaalt dat voor de periode van 15 april 2011 tot 9 juni 2011 de indicatie die door verweerder is afgegeven op 11 februari 2011 van kracht is;

- gelast dat verweerder de reiskosten van verweerder van € 6,00 vergoedt;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad voor Beroep.

Aldus gegeven door R.J. Jue, in tegenwoordigheid van mr. B.D. Endlich als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 JUNI 2012.

De griffier, De rechter,

Afschrift verzonden op

AB