Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW8097

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
08-710023-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen een overval op een woning aan de Dennenbosweg in Hengelo (O) heeft gepleegd, waarbij geld en/of goederen zijn weggenomen. Rechtbank Almelo veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710023-12

Datum vonnis: 12 juni 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte]

geboren op [1990] in [geboorteplaats] [geboorteland],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in PI Noord – De Grittenborgh

te Hoogeveen, Kinholtweg 7.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 mei 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Grooters en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. L. van Straten, advocaat te Hengelo, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen een overval op een woning aan de Dennenbosweg in Hengelo (O) heeft gepleegd, waarbij geld en/of goederen zijn weggenomen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 13 december 2011, althans in de periode van 12 december

2011 tot en met 13 december 2011, omstreeks 00.00 uur, althans gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de Dennenbosweg heeft weggenomen een geldbedrag van 200 euro en/of een blackberry, in elk geval enig geldbedrag en/of goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) zich - voorzien van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp - naar de woning van die [slachtoffer] heeft/hebben begeven en/of aldaar heeft/hebben aangebeld en/of zich de toegang tot die woning heeft/hebben verschaft en/of die [slachtoffer] bij de keel heeft/hebben gegrepen en/of vastgehouden en/of een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp op/in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet en/of gedrukt (gehouden) en/of die [slachtoffer] naar binnen heeft/hebben geduwd en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd - zakelijk weergegeven - dat die [slachtoffer] hem/hen geld moest geven en/of die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de wang en/althans in het gezicht heeft/hebben gesneden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden, conform het advies van de reclassering, dat aan verdachte elektronisch toezicht en deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining wordt opgelegd, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij dient volledig te worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente, waarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1 Salduz

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat op grond van de Salduz-jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte niet kan worden gebruikt voor het bewijs, wegens schending van het consultatierecht.

De rechtbank overweegt hierover dat uit het dossier blijkt dat verdachte op

4 januari 2012 in verzekering is gesteld. Verdachte is aansluitend door de politie op zijn consultatierecht gewezen waarna de piketcentrale is ingelicht. Verdachte heeft op dat moment aangegeven geen gebruik te willen maken van zijn consultatierecht. Voor aanvang van het ver hoor op 5 januari 2012, is verdachte opnieuw gewezen op zijn consultatierecht. Uit het betreffende proces-verbaal (p. 91 e.v.) blijkt dat verdachte voorafgaand aan dit verhoor een raadsman heeft gesproken en deze hem heeft geadviseerd geen verklaring af te leggen. Verdachte heeft echter, zo blijkt uit het proces-verbaal en nadat hem de cautie is gegeven, uitdrukkelijk verklaard dat hij een verklaring wenst af te leggen. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat nu er geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafrecht is geconstateerd, de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen gebezigd kunnen worden tot het bewijs.

5.2 De feiten die niet ter discussie staan

De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.

Verdachte is samen met zijn medeverdachten medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op

13 december 2011, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, zonder toestemming van de bewoonster, de woning van [slachtoffer] aan de Dennenbosweg in Hengelo (O) ingegaan. [medeverdachte 2] had een mes bij zich. In de woning van [slachtoffer] heeft [medeverdachte 2] [slachtoffer] een mes tegen haar keel gehouden.

5.3 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat er geld of andere goederen zijn weggenomen.

5.4 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het tenlastelegde bewezen kan worden.

Aangeefster [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat er op 13 november 2011 rond middernacht aan de voordeur van haar woning werd gebeld. Zij zag de haar bekende [medeverdachte 2] samen met medeverdachte [medeverdachte 3] en nog een andere jongen, naar later bleek verdachte, hard naar boven lopen en weigerde hen de toegang tot haar woning. Ze zag dat [medeverdachte 2] zijn linkervoet tussen de deur zette en met kracht de voordeur opensloeg waardoor er binnen een kastdeur werd vernield. [medeverdachte 2] greep haar vervolgens bij de keel en zette een mes op haar keel. [slachtoffer] kreeg geen lucht en kon niet praten. Vervolgens drukte [medeverdachte 2] [slachtoffer] naar binnen en vroeg hij haar om geld. [slachtoffer] zag dat ook verdachte en een derde man naar binnen gingen. [slachtoffer] hoorde [medeverdachte 2] tegen verdachte en de derde persoon zeggen dat [slachtoffer] geld in huis had en dat zij de woning moesten doorzoeken. Al die tijd hoorde zij [medeverdachte 2] zeggen dat zij hem geld moest geven. [medeverdachte 2] riep ook steeds: “zoeken jongens, zoek overal”. Op enig moment voelde aangeefster dat [medeverdachte 2] haar vast greep, hij het mes op haar rechterwang zette en een snijbeweging maakte. [slachtoffer] voelde en zag dat [medeverdachte 2] haar met het mes in haar wang sneed. Aangeefster hoorde verdachte zeggen: “dacht je nou echt dat ik jou geloofde dat je geen geld hebt?”. [slachtoffer] heeft in haar aangifte tevens verklaard dat er door een van de verdachten geld is weggenomen. Zij had 200 euro gekregen van familie en vrienden om boodschappen voor haar verjaardag te doen. Het waren bankbiljetten van 50, 20 en 10 euro. Het geld lag op tafel.

De verklaring van aangeefster [slachtoffer] wordt in grote lijn bevestigd door de verklaringen van verdachte en zijn mededaders, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij zijn voet tussen de deur van [slachtoffer] heeft gezet en de deur verder open heeft geduwd. Ook medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat [medeverdachte 2] zijn voet tussen de deur zette en de deur open drukte. Vervolgens zag [medeverdachte 3] dat [slachtoffer] door [medeverdachte 2] bedreigd werd met een mes en hoorde hij dat [medeverdachte 2] tegen hem en verdachte zei dat ze naar geld moesten zoeken. [medeverdachte 3] heeft daarop in een laadje gekeken. Ook verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] [medeverdachte 2] niet binnen wilde laten en dat [medeverdachte 2] haar daarop een mes op de keel heeft gezet. Verdachte stond op dat moment achter medeverdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3] stond achter [medeverdachte 2]. Verdachte was die avond in zijn auto samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] naar Hengelo gereden. Het ging mis zodra ze de woning van [slachtoffer] in gingen. Een van hen zette een mes op de keel van het meisje en vroeg haar om geld. In de auto hoorde verdachte dat iemand geld uit de woning had meegenomen. Verdachte had het geld zien liggen toen hij de woning binnen kwam. Het was papiergeld. Medeverdachte [medeverdachte 3] liet het geld in de auto aan verdachte zien. Verdachte heeft een paar tientjes gekregen om te tanken. Het overgebleven geld werd onderling verdeeld.

De ter terechtzitting gehoorde getuige [getuige] heeft verklaard dat hij die avond in de woning van [slachtoffer] was en heeft gezien dat [medeverdachte 2] met zijn handen om de keel van [slachtoffer] en een mes tegen de keel van [slachtoffer] naar binnen liep. [getuige] hoorde [medeverdachte 2] schreeuwen dat hij geld wilde hebben en naar de andere twee jongens roepen dat ze geld moesten gaan zoeken. Ook heeft hij gezien dat [medeverdachte 2] een mes met een adelaartje op de hals van [slachtoffer] heeft gehouden. [getuige] heeft gezien dat [medeverdachte 2] het mes op de wang van [slachtoffer] heeft gedrukt waardoor er een snee op haar gezicht kwam.

Betrouwbaarheidsverweer

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaring van getuige [getuige] zoals (telefonisch) afgelegd bij de politie niet als bewijsmiddel gebruikt mag worden omdat deze mogelijk onbetrouwbaar is. [getuige] is slechts telefonisch door de politie gehoord en heeft niet gereageerd op een oproep voor een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris.

De rechtbank overweegt omtrent het betrouwbaarheidsverweer als volgt.

Van de onbetrouwbaarheid dan wel ongeloofwaardigheid van de verklaringen van getuige [getuige] is de rechtbank niet gebleken. [getuige] heeft weliswaar niet gereageerd op de oproep voor een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris, hij is wel ter terechtzitting als getuige gehoord. De verklaringen van [getuige], zoals (telefonisch) afgelegd bij de politie en als getuige ter terechtzitting, zijn gedetailleerd en innerlijk consistent en komen op onderdelen overeen met de verklaringen van aangeefster, verdachte en de medeverdachten. De verklaringen versterken elkaar over en weer op belangrijke onderdelen, zoals de rolverdeling bij het plegen van de feiten, het tijdstip en het gepleegde geweld tijdens de overval. Ter terechtzitting heeft [getuige] verklaard dat hij aangeefster had verzocht zijn aanwezigheid ten tijde van de overval niet kenbaar te maken omdat hij nog in een proeftijd liep. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de gang van zaken, zoals door getuige [getuige] is geschetst. De verklaringen van [getuige] kunnen daarom - anders dan door de verdediging is bepleit - voor het bewijs gebezigd worden.

Diefstal

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw, dat vrijspraak voor de diefstal moet volgen nu niet bewezen kan worden dat er geld of goederen zijn weggenomen, wordt weerlegt door de bewijsmiddelen. Uit zowel de aangifte als uit de ter terechtzitting afgelegde verklaring van getuige [getuige], leidt de rechtbank af dat er door verdachte of zijn mededaders een bedrag van 200 euro is weggenomen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen, mede gelet op de verklaring van verdachte bij de politie dat hij weet dat er vanuit de woning geld is weggenomen.

Gelet op de verklaring van zowel verdachte als [medeverdachte 3] dat zij van [medeverdachte 2] naar geld moesten zoeken, er later in de auto werd gezegd dat iemand papiergeld had meegenomen, [medeverdachte 3] geld aan verdachte liet zien en er in de auto tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en verdachte geld werd verdeeld, staat voldoende vast dat dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] of verdachte de aan aangeefster toebehorende 200 euro hebben gestolen.

Medeplegen

Door de advocaat is (subsidiair) aangevoerd dat van medeplegen geen sprake kan zijn, maar hooguit van medeplichtigheid. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Voor medeplegen is vereist dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Nauwe samenwerking betekent niet dat de medeplegers een gelijk aandeel moeten hebben in de uitvoering van het delict. De samenwerking kan blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren ervan.

Verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij aangeefster kende en zijn spullen bij haar wilde ophalen. Omdat de relatie tussen [medeverdachte 2] en [slachtoffer] moeizaam verliep heeft [medeverdachte 2] medeverdachte [medeverdachte 3] geïnstrueerd met [slachtoffer] te pingen waarna zij met verdachte gezamenlijk met de auto van verdachte naar de woning van [slachtoffer] zijn gereden. [slachtoffer] heeft [medeverdachte 2] de toegang tot haar woning geweigerd waarna hij en [slachtoffer] tegen elkaar zijn gaan schreeuwen en [medeverdachte 2] haar heeft bedreigd met een mes. Verdachte en [medeverdachte 3] waren getuige van het geweld tegen [slachtoffer] maar zijn desondanks vervolgens en zonder protest de woning ingegaan. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat verdachte en [medeverdachte 3] de aanmerkelijke kans op het gebruik van (verder) geweld door [medeverdachte 2] ten opzichte van [slachtoffer] willens en wetens hebben aanvaard. De rechtbank stelt bovendien vast dat verdachte en [medeverdachte 3] zich niet van de gewelddadige gedragingen van [medeverdachte 2] hebben gedistantieerd door weg te gaan terwijl gesteld noch gebleken is dat de mogelijkheid daartoe voor hen niet heeft opengestaan.

Op enig moment heeft [medeverdachte 2] verdachte en [medeverdachte 3] verzocht te zoeken naar geld en is een situatie ontstaan waarin het oogmerk van [medeverdachte 2] zich niet alleen uitstrekte over de geweldpleging ten opzichte van [slachtoffer], maar ook over de wederrechtelijke toe-eigening van geld. Verdachte en [medeverdachte 3] zagen dat [slachtoffer] op dat moment nog steeds door [medeverdachte 2] met een mes werd bedreigd teneinde die bedreiging instrumenteel te doen zijn van de voorgenomen diefstal. Vervolgens hebben zowel verdachte als [medeverdachte 3] op verzoek van [medeverdachte 2] in de woning gezocht naar geld. Verdachte heeft later bij de politie verklaard dat hij geld heeft zien liggen op tafel. In de auto hoorde verdachte dat iemand papiergeld had meegenomen uit de woning en liet [medeverdachte 3] het geld zien aan verdachte. [medeverdachte 3] had het geld gevonden op de tafel. Verdachte had het geld zelf ook zien liggen en kreeg een paar tientjes om te tanken. Het overige geld hebben [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en verdachte onderling verdeeld.

Gezien de voorgaande gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] voor en tijdens en na het plaatsvinden van de overval, de daarbij gevolgde werkwijze, hebben verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met betrekking tot het feit zodanig nauw en bewust samengewerkt dat zij alle drie afzonderlijk als medepleger van diefstal met geweld dienen te worden aangemerkt.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierna vermeld.

5.5 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 december 2011, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de Dennenbosweg heeft weggenomen een geldbedrag van 200 euro, toebehorende aan [slachtoffer],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders zich - voorzien van een mes - naar de woning van die [slachtoffer] hebben begeven en aldaar hebben aangebeld en zich de toegang tot die woning hebben verschaft en die [slachtoffer] bij de keel hebben gegrepen en vastgehouden en een mes op/in het gezicht van die [slachtoffer] hebben gezet en gedrukt gehouden en die [slachtoffer] naar binnen hebben geduwd en tegen die [slachtoffer] hebben gezegd - zakelijk weergegeven - dat die [slachtoffer] hen geld moest geven en die [slachtoffer] met een mes in de wang hebben gesneden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 312 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte een lagere straf dan gevorderd bepleit gelet op de rol van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank neemt in het bijzonder de volgende factoren in aanmerking.

- Strafbare feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval. De in de woning aanwezige jonge vrouw en haar neef werden laat op de avond geconfronteerd met drie mannen die de woning binnendrongen. De vrouw werd een mes op de keel gezet, zij werd bedreigd en er werd met het mes een snee in haar wang toegebracht. Ook werd er geld weggenomen. De overval vond plaats rond middernacht in een woning, een plaats waar men zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven een grote emotionele impact hebben op de slachtoffers. Die impact blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring. De verdachten hebben niet stil gestaan bij de gevolgen van hun handelen voor de jonge vrouw. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

- Uitgangspunt

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS). Daarin staat dat bij een overval op een woning waarbij sprake is van licht geweld en/of bedreiging een gevangenisstraf van drie jaar past.

Verdachte is blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 april 2012 sinds 2008 niet meer betrokken geweest bij een geweldsdelict. Verdachte heeft voorts - ondanks het feit dat hij formeel juridisch als medepleger wordt aangemerkt - bij de overval een ondergeschikte rol gehad en heeft zelf geen geweldshandelingen jegens het slachtoffer gepleegd. De rechtbank zal voorts rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat volgens het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 2 maart 2012 bij verdachte sprake zou zijn van beperkte sociale en cognitieve vaardigheden. Verdachte staat open voor gedragsverandering en wil leren van zijn fouten, mede omdat het verblijf in detentie grote impact op hem heeft. Verdachte heeft ter terechtzitting spijt betuigd. Hij komt daarin op de rechtbank oprecht over. In deze factoren ziet de rechtbank aanleiding de op te leggen straf te matigen.

De rechtbank is evenwel op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Een andere straf dan een gevangenisstraf doet geen recht aan de gevolgen die de overval op het slachtoffer heeft gehad. Conform het advies van de reclassering zal de rechtbank aan verdachte deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining bevelen. De rechtbank acht tevens termen aanwezig om een meldingsgebod op te leggen.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

Mevrouw [slachtoffer], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 1.950,= (negentienhonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 13 december 2011. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- weggenomen geldbedrag € 200,=;

- een immateriële schadevergoeding ad € 1.750,=.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf

13 december 2011. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 36f Sr.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na afloop van de detentie meldt bij de reclassering Nederland te Almelo (Schouwburgplein 15-3 te Almelo). Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden melden zo frequent als Reclassering Nederland dat gedurende deze perioden nodig acht;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een cognitieve vaardigheidstraining, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de betreffende instelling aan veroordeelde gegeven zullen worden;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.950,= (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2011) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde primaire feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.950,= ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 29 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.G. Ellenbroek, voorzitter, mr. S.M.M. Bordenga en mr. F.C. Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2012.

Buiten staat

Mr. Ellenbroek is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.