Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW7900

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
08/770001-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder invloed van alcoholhoudende drank in een auto gereden en vervolgens een aanrijding veroorzaakt. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf van 120 uren en ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 24 maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/770001-12

Datum vonnis: 8 juni 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 mei 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

als bestuurder van een personenauto, terwijl hij onder invloed was van alcohol, een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan anderen lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Subsidiair:

A:

een auto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank;

B:

met zijn auto een ongeval heeft veroorzaakt en daarmee het verkeer in gevaar heeft gebracht dan wel het verkeer heeft gehinderd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 6 januari 2012 in de gemeente Borne als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, terwijl hij (aanmerkelijk) onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat door hem bestuurde motorrijtuig over de weg, de Azelosestraat, gereden met een snelheid van

(ongeveer) 90 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en aldus met een snelheid die - gelet op de (verkeers)situatie ter plaatse - (veel) te hoog was en/of is hij, verdachte, niet in staat geweest dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een vóór hem op die weg in dezelfde richting

rijdend (, linksafslaand,) motorrijtuig gereden of gebotst, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan

aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende

lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

A:

hij op of omstreeks 6 januari 2012 in de gemeente Borne als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,87 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

en/of

B:

hij op of omstreeks 6 januari 2012 in de gemeente Borne als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Azelosestraat, niet voortdurend de nodige voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht en/of heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 90 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en aldus met een snelheid die - gelet op de (verkeers)situatie ter plaatse - (veel) te hoog was een/of (daarbij) niet in staat is geweest dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een vóór hem op die weg in dezelfde richting rijdend (, linksafslaand,) motorrijtuig is gereden of gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd waarin zijn rijbewijs al ingevorderd is geweest.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.

Op 6 januari 2012 reed verdachte met zijn personenauto op de Azelosestraat in de gemeente Borne in de richting van de Grotestraat. Bij de afslag van de Heidelberg wilde de vóór verdachte rijdende bestuurder van de Volvo links afslaan om de Heidelberg in te rijden. Op dat moment is verdachte met zijn auto tegen de achterzijde van de Volvo aangereden. , De Volvo kwam door de aanrijding met de achterzijde in de links naast de rijbaan gelegen berm, tegen een boom tot stilstand. De auto van verdachte kwam tegen een in de rechts naast de rijbaan gelegen berm, tegen een boom tot stilstand.

Verdachte was onder invloed van alcohol op het moment dat hij zijn auto bestuurde en het ongeval plaatsvond. Uit het onderzoek naar verdachtes bloed is gebleken dat het alcoholgehalte 1,87 milligram alcohol per milliliter bloed was.

5.2 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde feit, inclusief het rijden onder invloed, bewezen kan worden, met dien verstande dat geen sprake is van roekeloos rijgedrag, maar dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

De verdachte bekent zich schuldig te hebben gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde feit, maar hij stelt dat hij zich de exacte toedracht van het ongeval niet kan herinneren.

5.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand lichamelijk letsel heeft opgelopen. Van schuld in de zin van genoemd artikel is pas sprake in geval van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. Een zwaardere vorm van schuld is aan de orde indien sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen. De zwaarste vorm van schuld betreft ‘roekeloosheid’; het gaat dan om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen.

Voorts vereist artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 een causaal verband tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval.

In deze zaak moet worden beoordeeld of het verkeersgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, zeer onvoorzichtig of roekeloos is geweest. Bij die beoordeling gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. Voorts moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het verkeersongeval redelijkerwijs is toe te rekenen aan de gedragingen van verdachte.

De rechtbank zal de gedragingen van verdachte en de verschillende omstandigheden afzonderlijk bespreken.

De ongevallenanalyse

Door verbalisant G. Bonke, brigadier politie Twente, is een verkeersongevallenanalyse opgemaakt. Verbalisant stelt in zijn analyse dat verdachte voorafgaand aan de aanrijding niet heeft geremd. Voorts stelt hij dat de snelheidsmeter van de auto van verdachte is blijven staan op een snelheid van ongeveer 91 km/h. Daaruit trekt de verbalisant de conclusie dat verdachte vermoedelijk sneller heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/h.

De snelheid

In het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse is geen nadere snelheidsberekening gemaakt en in het dossier bevinden zich evenmin andere bewijsmiddelen die de conclusie van de verbalisant ondersteunen. Met betrekking tot de snelheid is de rechtbank daarom, evenals de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gereden met een snelheid van ongeveer 91 km/h, dan wel een snelheid die, gelet op de verkeersomstandigheden ter plaatse, te hoog was. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Verdachte is met zijn auto tegen de achterzijde van de Volvo aangereden. , , Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte niet in staat is geweest de auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.

Het rijden onder invloed

Verdachte was, naar eigen zeggen, toen hij de auto bestuurde onder invloed van alcohol. In het deskundigenrapport is vastgesteld dat verdachte een alcoholgehalte had van 1,87 milligram alcohol per milliliter bloed. Op basis van de verklaring van verdachte en het deskundigenrapport over het alcoholgehalte in verdachtes bloed is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte onder invloed van aanzienlijk meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol een auto heeft bestuurd.

Schuld

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte roekeloos heeft gereden en dat hij welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen. De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte kan worden verweten dat hij zeer onvoorzichtig heeft gereden en daardoor een ongeval heeft veroorzaakt. De aanrijding tussen de twee personenauto’s heeft op een doorgaande weg vlak voor een afslag plaatsgevonden. Uit de ongevallenanalyse blijkt dat verdachte niet heeft geremd voorafgaand aan de aanrijding. Verder staat vast dat verdachte ten tijde van het ongeval, gezien de resultaten van de ademanalyse, ernstig onder invloed van alcohol verkeerde. Vaststaat ook dat verdachte zich hiervan bewust was, maar dat hij desondanks heeft besloten om in deze toestand zelf met zijn auto naar huis te rijden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat het primair tenlastegelegde ongeval te wijten is aan grove schuld van verdachte en dat er derhalve sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Letsel

Door het hiervoor beschreven ongeval hebben de bestuurder en de bijzitter van de Volvo, respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], lichamelijk letsel opgelopen. Het letsel van de heer [slachtoffer 2] bestond uit een hersenschudding. Hij is na het ongeval kort buiten bewust zijn geweest. De heer [slachtoffer 2] heeft op 16 april 2012 - ruim drie maanden na het ongeval - te kennen gegeven dat hij nog 75% arbeidsongeschikt is voor het uitoefenen van zijn beroep. Mevrouw [slachtoffer 1] werkt op genoemde datum nog op therapeutische basis.

5.4 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 januari 2012 in de gemeente Borne als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, terwijl hij aanmerkelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, zeer onvoorzichtig en onoplettend, met dat door hem bestuurde motorrijtuig over de weg, de Azelosestraat, gereden en is hij, verdachte, niet in staat geweest dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een vóór hem op die weg in dezelfde richting rijdend, linksafslaand, motorrijtuig gereden, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte heeft onder invloed van alcoholhoudende drank in een auto gereden en vervolgens een aanrijding veroorzaakt. Het bloedalcoholgehalte van de verdachte was op dat moment beduidend hoger dan de toegestane hoeveelheid, te weten 1,87 milligramalcohol per liter bloed. Door het plegen van dit feit heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen ook de voor dit feit vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken. Deze geven als uitgangspunt bij het veroorzaken van een verkeersongeval door een grove verkeersfout met een alcoholpercentage hoger dan 570ug/l, waarbij sprake is van lichamelijk letsel van tijdelijke aard, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar.

Verdachte heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven dat hij het laakbare van zijn gedragingen inziet. Met name het feit dat verdachte heeft geprobeerd contact te leggen met de slachtoffers weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee. De rechtbank acht eveneens van belang dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Bij het opleggen van de straf zal gezocht moeten worden naar een evenwicht dat recht doet enerzijds aan de ernst van het feit en de ernstige gevolgen voor de slachtoffers en anderzijds de belangen van verdachte, op wie het onderhavige delict kennelijk veel indruk heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het delict het beste tot uitdrukking komt in het opleggen van voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een onvoorwaardelijke rijontzegging.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 Wetboek van Strafrecht en 176, 178 en 179 Wegenverkeerswet 1994.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 5.4 is omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

- ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 24 maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd is geweest als bedoeld artikel 179, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en mr.A.A.J. Lemain, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Venderbosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.