Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW6645

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
11 / 792 BESLU V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vergunning als bedoeld in art. 2 van de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (Wmbv) voor het verrichten van transcatheter hartklepinterventies (THI’s) in haar instelling.

Het rechtsgevolg van het verlenen van een vergunning is het opheffen van een wettelijk verbod. Hetgeen bij wettelijk voorschrift is verboden wordt door het besluit tot het verlenen van een vergunning toegestaan. De beslissing om een vergunning te weigeren, heeft als rechtsgevolg dat het wettelijk verbod gehandhaafd blijft en dat het dus niet is toegestaan handelingen te verrichten die in strijd zijn met het wettelijk verbod.

In het onderhavige geval gaat het om het opheffen van het verbod van art. 1, aanhef en onder e, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen. Bij besluit van 7 december 2000 heeft verweerder aan eiseres een vergunning verleend voor het uitoefenen van de functies hartchirurgie en interventiecardiologie. Onder deze vergunning valt ook het verrichten van THI’s. Deze vergunning is niet ingetrokken. Het rechtsgevolg van deze vergunning is dat het verbod op het verrichten van hartchirurgie en interventiecardiologie is opgeheven en dat deze handelingen zijn toegestaan. De onderhavige weigering kan niet als besluit in de zin van art. 1:3 van de Awb worden aangemerkt omdat zij niet is gericht op rechtsgevolg en dus geen rechtshandeling behelst. Het verrichten van THI’s is al toegestaan bij besluit van 7 december 2000. Het enkele feit dat een vergunning voor het verrichten van THI’s nadien bij brief van 16 juli 2010 is geweigerd kan daarin geen verandering brengen. Het wettelijk verbod om THI’s te verrichten kan door die beslissing niet gehandhaafd blijven omdat het al eerder door het besluit van 7 december 2000 is opgeheven. De beslissing om de vergunning voor THI’s te weigeren brengt geen verandering teweeg in de situatie dat het eiseres dankzij de vergunning van 7 december 2000 is toegestaan THI’s te verrichten.

Verweerder heeft daarom ten onrechte het bezwaar van eiseres ontvankelijk geacht. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Rb. zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 11 / 792 BESLU V1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

Stichting Medisch Spectrum Twente,

gevestigd te Enschede, eiseres,

gemachtigde: mr. J.G. Sijmons, advocaat te Zwolle,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.R.J. de Groot, advocaat te Den Haag.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 16 juni 2011.

2. Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 28 december 2009 aan verweerder een vergunning gevraagd als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (Wmbv) voor het verrichten van transcatheter hartklepinterventies (THI’s) in haar instelling.

Bij brief van 16 juli 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Tegen deze beslissing heeft eiseres op 18 augustus 2010 bezwaar gemaakt.

Eiseres is op 30 november 2010 over haar bezwaar gehoord.

Bij het bestreden besluit van 16 juni 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Blijkens het beroepschrift kan eiseres zich niet met dit besluit verenigen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 26 april 2012, waar voor eiseres zijn verschenen mr. J. Holland, advocaat te Zwolle en kantoorgenoot van mr. J.G. Sijmons, voornoemd, en [naam], cardioloog, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mrs. O.S. Nijveld en P.P. Huurnink, beiden advocaat te Den Haag en kantoorgenoten van mr. G.R.J. de Groot, voornoemd, en drs. N. Oost, werkzaam bij verweerders ministerie.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wmbv voor het verrichten van THI’s in haar instelling ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kan worden gelaten.

Dienaangaande overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

Bij brief van 16 juli 2010 heeft verweerder geweigerd eiseres een vergunning te verlenen voor het verrichten van THI’s. Eiseres heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.

Op grond van artikel 7:1 en artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat de mogelijkheid om bezwaar te maken alleen open tegen een besluit. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een publiekrechtelijke rechtshandeling van een bestuursorgaan. Van een rechtshandeling is sprake indien een beslissing van een bestuursorgaan gericht is op rechtsgevolg. Het rechtsgevolg van het verlenen van een vergunning is het opheffen van een wettelijk verbod. Hetgeen bij wettelijk voorschrift is verboden wordt door het besluit tot het verlenen van een vergunning toegestaan. De beslissing om een vergunning te weigeren, heeft als rechtsgevolg dat het wettelijk verbod gehandhaafd blijft en dat het dus niet is toegestaan handelingen te verrichten die in strijd zijn met het wettelijk verbod.

In het onderhavige geval gaat het om het opheffen van het verbod van artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen: “Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de navolgende verrichtingen uit te voeren of te doen uitvoeren: e. bijzondere interventies aan het hart, inhoudende hartchirurgie en alle vormen van therapeutische interventiecardiologie met inbegrip van de implantatie van een defibrillator;”. Het verrichten van THI’s valt onder dit verbod. Bij besluit van 7 december 2000 heeft verweerder aan eiseres een vergunning verleend voor het uitoefenen van de functies hartchirurgie en interventiecardiologie. Onder deze vergunning valt ook het verrichten van THI’s. Deze vergunning is niet ingetrokken. Het rechtsgevolg van deze vergunning is dat het verbod op het verrichten van hartchirurgie en interventiecardiologie is opgeheven en dat deze handelingen zijn toegestaan. Bij brief van 16 juli 2010 heeft verweerder geweigerd om vergunning te verlenen voor het verrichten van THI’s. Deze weigering kan echter niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt omdat zij niet is gericht op rechtsgevolg en dus geen rechtshandeling behelst. Het verrichten van THI’s is al toegestaan bij besluit van 7 december 2000. Het enkele feit dat een vergunning voor het verrichten van THI’s nadien bij brief van 16 juli 2010 is geweigerd kan daarin geen verandering brengen. Het wettelijk verbod om THI’s te verrichten kan door die beslissing niet gehandhaafd blijven omdat het al eerder door het besluit van 7 december 2000 is opgeheven. De beslissing om de vergunning voor THI’s te weigeren brengt geen verandering teweeg in de situatie dat het eiseres dankzij de vergunning van 7 december 2000 is toegestaan THI’s te verrichten.

Verweerder heeft daarom ten onrechte het bezwaar van eiseres ontvankelijk geacht. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand in verband met het beroepschrift en de behandeling ter zitting (twee punten ad € 437, bij een zaak van gemiddelde zwaarte, wegingsfactor 1).

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 874, door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad € 302 vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue als voorzitter, en mrs. J.H. Keuzenkamp en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

Afschrift verzonden op

mtl