Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW4405

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
127385 / KG ZA 12-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Non-concurrentiebeding in maatschapsovereenkomst. Verzoek naleving non-concurrentiebeding en staken werkzaamheden in kort geding. Voorzieningenrechter heeft verwachting dat bodembrechter de overstap niet met een beroep op het non-concurrentiebeding zal beletten dan wel beboeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 127385 / KG ZA 12-57

datum vonnis: 27 april 2012 (sr)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de maatschap

Maatschap Orthopaedie Medisch Spectrum Twente,

gevestigd te Enschede,

eiseres,

verder te noemen de maatschap,

advocaat: mr. C.W.M. Verberne te Eindhoven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaten: mr. drs. P. Bergkamp en mr. S. van der Heul te Nijmegen.

1. Het procesverloop

1.1 De maatschap heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

1.2 Op 11 april 2012 is ter griffie ingekomen een conclusie van antwoord in kort geding van [gedaagde].

1.3 De zaak is behandeld ter terechtzitting van 13 april 2012. Ter zitting zijn verschenen: namens de maatschap de heer [A], mevrouw [Z] en mevrouw [G] vergezeld door mr. Verberne en een stagiaire en [gedaagde] vergezeld door mr. Bergkamp en mr. Van der Heul. De standpunten zijn toegelicht.

1.4 Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1 De maatschap bestond uit zes tot het Medisch Spectrum Twente (hierna MST) toegelaten orthopedisch chirurgen. Per 1 januari 2011 is [gedaagde] als zevende orthopedisch chirurg toegetreden tot deze maatschap. In dat kader is er een intentieverklaring opgesteld, die door alle orthopedisch chirurgen van de maatschap is getekend op 23 mei 2011.

2.2 In de intentieverklaring staat onder meer vermeld:

“in aanmerking nemende:

- (…)

- dat partij G (= [gedaagde], rechtbank) zich per 1 januari 2011 als vrij gevestigd medisch specialist in het Medisch Spectrum Twente heeft gevestigd;

- dat partijen A t/m G (= de zeven orthopedisch chirurgen, rechtbank) voornoemde praktijk vanaf 1 januari 2011 voor gezamenlijke rekening en risico in maatschapverband uitoefenen;

- dat door partijen A t/m F (= de zes andere orthopedisch chirurgen, rechtbank) na afloop van de kennismakingsperiode van partij G zo spoedig mogelijk een nieuwe maatschapsovereenkomst zal worden aangegaan. Tot die tijd zullen de afspraken van de overeenkomst ingaande op 1 januari 2003 en gewijzigd en ondertekend op 5 juli 2007 tussen partijen van toepassing zijn, mutatis mutandis.

komen als volgt overeen:

1. De maatschap wordt aangegaan per 1 januari 2011 voor onbepaalde tijd.

De periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 wordt beschouwd als kennismakingsperiode. In deze periode is de maatschap opzegbaar met een opzegtermijn van twee maanden zonder opgaaf van redenen door partijen A t/m F gezamenlijk enerzijds dan wel partij G anderzijds. De opzegging zal derhalve niet meer kunnen geschieden na 31 december 2011.

Ingeval van een dergelijke opzegging tijdens de kennismakingsperiode hebben alleen partijen A t/m F gezamenlijk het recht de praktijk in het Medisch Spectrum te Enschede en omgeving gezamenlijk voort te zetten, terwijl het in dat geval partij G verboden zal zijn gedurende vijf jaar binnen het gebied begrensd door een cirkel met een straal van 20 km met het ziekenhuis Medisch Spectrum Twente als middelpunt, praktijk als orthopaedisch chirurg uit te oefenen of indirect bij een dergelijke praktijk uitoefening betrokken te zijn. (..)”.

2.3 Op 13 december 2011 heeft [gedaagde] via een e-mail aan de maatschap bevestigd dat hij definitief niet wil toetreden tot de maatschap.

2.4 Bij aangetekende brief van 2 februari 2012 heeft de maatschap aan [gedaagde] laten weten dat de maatschap hem zal houden aan het overeengekomen concurrentiebeding.

2.5 [gedaagde] werkt met ingang van 20 februari 2012 als orthopedisch chirurg bij Orthopedisch Centrum Oost Nederland B.V. (hierna OCON). De Ziekenhuis Groep Twente (hierna ZGT), die ziekenhuizen in Hengelo en Almelo heeft, heeft de volledige orthopedische zorg uitbesteed aan OCON.

3. Het geschil

3.1 De maatschap vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot het naleven van het overeengekomen non-concurrentiebeding. Meer concreet vordert de maatschap dat [gedaagde] zijn werkzaamheden bij het OCON, die de orthopedische zorg levert binnen het ZGT, direct dient te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00, vermeerderd met € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen.

Daarnaast vordert de maatschap [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de maatschap in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening alsmede met veroordeling van de maatschap in de nakosten van € 131,00 danwel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,00 en de verdere executiekosten. Voor zover van belang zal hieronder nader op dat verweer worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat de maatschap “Maatschap Orthopedisch Chirurgen” verbonden aan het Medisch Spectrum Twente te Enschede [gedaagde] heeft gedagvaard. Uit het uittreksel uit het Handelsregister van de maatschap is echter gebleken dat de naam van de maatschap “Maatschap Orthopaedie Medisch Spectrum Twente” is. Ter zitting heeft [gedaagde] ermee ingestemd dat er vanuit wordt gegaan dat laatstgenoemde maatschap eiseres in dit kort geding is, zodat de voorzieningenrechter ook daar vanuit gaat.

4.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de maatschap een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. [gedaagde] heeft ter zitting betwist dat het vereiste spoedeisend belang aanwezig is, nu de maatschap niet heeft gesteld dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden of thans enige schade lijdt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de grondslag van de vordering van de maatschap, te weten dat [gedaagde] in strijd met het non-concurrentiebeding werkzaam is, de spoedeisendheid gegeven is.

4.3 Vast staat dat partijen een non-concurrentiebeding zijn overeengekomen als onder rechtsoverweging 2.2 vermeld. Over de inhoud van dit beding verschillen partijen niet van mening. In beginsel zijn partijen aan de tussen hen geldende overeenkomst gebonden en dient deze te worden nagekomen.

4.4 Het meest ver strekkende verweer van [gedaagde] is dat het onderhavige non-concurrentiebeding nietig is, omdat het in strijd is met het kartelverbod uit artikel 6 van de Mededingingswet (Mw).

4.5 De voorzieningenrechter stelt voorop dat een non-concurrentiebeding een verboden mededingingsbeperking kan zijn in de zin van artikel 6 Mw. In lid 1 van dit artikel wordt onder meer bepaald dat overeenkomsten tussen ondernemingen die ertoe strekken of tengevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst, verboden zijn. Vaste jurisprudentie is dat het daarbij moet gaan om een merkbare verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging. Vrijgevestigde medische specialisten worden aangemerkt als ondernemingen in de zin van deze wet. Het tweede lid van artikel 6 Mw bepaalt dat dergelijke overeenkomsten van rechtswege nietig zijn. Ingevolge artikel 10 Mw geldt artikel 6 niet voor overeenkomsten, besluiten en gedragingen als bedoeld in dat artikel die rechtstreeks verbonden zijn aan een concentratie als bedoeld in artikel 27, en noodzakelijk zijn voor verwezenlijking van de desbetreffende concentratie. Als een non-concurrentiebeding aan deze definitie voldoet, kan het beding worden aangemerkt als een nevenrestrictie bij de concentratie.

4.6 [gedaagde] stelt dat er in het onderhavige geval geen sprake is van concentratie als bedoeld in artikel 27 Mw.

De maten hadden voorafgaand aan de uittreding van [gedaagde] gezamenlijke zeggenschap (een blokkerende stem) en behouden deze gezamenlijke zeggenschap na de uittreding van [gedaagde]. Nu er geen sprake is van concentratie, moet volgens [gedaagde] direct getoetst worden aan artikel 6 lid 1 Mw. [gedaagde] stelt dat het non-concurrentiebeding het doel heeft om de mededinging merkbaar te beperken, zodat de gevolgen op de markt niet aan nader onderzoek hoeven te worden onderworpen. Als geoordeeld zou worden dat er in casu toch sprake is van concentratie, dan is het non-concurrentiebeding volgens [gedaagde] geen nevenrestrictie bij de concentratie. Het non-concurrentiebeding is immers niet rechtstreeks verbonden aan de concentratie en evenmin noodzakelijk voor de totstandbrenging ervan.

4.7 De maatschap stelt daarentegen dat het overdragen van een praktijk dient te worden aangemerkt als concentratie als bedoeld in artikel 27 Mw. Er is immers sprake van het direct of indirect verkrijgen van zeggenschap door één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die zeggenschap over tenminste één onderneming hebben. Nu de blijvende maten de praktijk van [gedaagde] hebben overgenomen. is sprake van concentratie. Het non-concurrentiebeding dient in dat kader te worden aangemerkt als een nevenrestrictie, die is vrijgesteld van het verbod van artikel 6 Mw. Voorts is er volgens de maatschap geen sprake van een merkbare verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging. Bovendien heeft het non-concurrentiebeding niet de strekking om de mededinging te beperken. Uit de jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat een termijn van vijf jaar doorgaans wordt geaccepteerd en dat voor wat betreft de geografische omvang wordt aangesloten bij het gebied dat relevant is. Nu het verzorgingsgebied van het ZGT Hengelo en van het MST Enschede elkaar voor een groot deel overlappen, beperkt het non-concurrentiebeding naar haar strekking de mededinging niet.

4.8 De voorzieningenrechter is van oordeel dat, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de maatschap, in het beperkte kader van dit kort geding onvoldoende is komen vast te staan dat het onderhavige non-concurrentiebeding nietig is, omdat het in strijd is met het kartelverbod uit artikel 6 van de Mw. De vraag of in het onderhavige geval sprake is van concentratie als bedoeld in artikel 27 Mw en een nevenrestrictie bij deze concentratie vergt een nader onderzoek naar de feiten, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Ook vergt een eventuele beoordeling van de strekking van onderhavige non-concurrentiebeding danwel de merkbaarheid van de beperking een nader onderzoek. Zo zal gekeken moeten worden naar de economische en juridische context waarin de maatschap opereert en naar de structuur van de relevante markt en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert. Een bodemprocedure is daarvoor de geëigende weg.

4.9 Vervolgens heeft [gedaagde] gesteld dat hij de intentieverklaring althans het non-concurrentiebeding in die intentieverklaring op goede gronden heeft vernietigd op grond van dwaling althans op grond van misbruik van omstandigheden. [gedaagde] stelt dat de intentieverklaring bij een juiste voorstelling van zaken niet door hem zou zijn gesloten. In de gesprekken die hebben plaatsgevonden voordat [gedaagde] besloot om tot de maatschap toe te treden, heeft de maatschap doen voorkomen alsof er binnen de maatschap voor [gedaagde] goede mogelijkheden zouden zijn om zijn ambitie te realiseren om zich voor een belangrijk deel van zijn praktijk toe te leggen op de wervelkolomchirurgie. Deze voorstelling van zaken bleek achteraf geheel onjuist te zijn. De onjuiste mededelingen van de maatschap en de verzwegen informatie over de werkelijke bestaande situatie waren voor [gedaagde] van essentieel belang. Voorts was volgens [gedaagde] sprake van misbruik van omstandigheden.

[gedaagde] bevond zich tijdens de maatschapsvergadering van 23 mei 2011 in een dwangpositie waarin hij als gevolg van de omstandigheden niet meer de noodzakelijke vrijheid had om te weigeren de intentieverklaring op dat moment te ondertekenen. [gedaagde] heeft ook geen overleg kunnen voeren met een adviseur omdat hij niet wist dat het de bedoeling van de maatschap was om tijdens die vergadering enig stuk te ondertekenen, aldus [gedaagde].

4.10 De maatschap heeft de feiten, die [gedaagde] aan zijn beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, gemotiveerd betwist. Volgens de maatschap is tijdens de sollicitatiegesprekken met [gedaagde] wel gesproken over de mogelijkheid zich verder te ontwikkelen in een subspecialisatie voor onder andere kinderorthopedie en/of wervelkolomchirurgie, maar is er nooit een garantie afgegeven dan wel een toezegging gedaan door de maatschap dat de praktijk van [gedaagde] voor de helft uit wervelkolomchirurgie zou gaan bestaan. Hij zou zich wel verder kunnen bekwamen in de wervelkolomchirurgie maar zou daar dan ook zelf voldoende in moeten investeren, hetgeen hij niet heeft gedaan. De maatschap stelt van begin af aan een juiste voorstelling van zaken te hebben gegeven. De steeds grotere interesse van [gedaagde] voor wervelkolomchirurgie is pas ontstaan in de loop van zijn verblijf binnen het MST. Voorts betwist de maatschap dat [gedaagde] overvallen zou zijn en gedwongen zou zijn om te tekenen. [gedaagde] heeft overleg gehad met zijn adviseur en zij hadden beiden de beschikking over een kopie van de maatschapsovereenkomst.

4.11Ten aanzien van het door [gedaagde] gedane beroep op dwaling overweegt de voorzieningenrechter dat zonder een nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van dwaling. Tussen partijen bestaat immers verschil van mening over de feitelijke gang van zaken bij het tot stand komen van de intentieverklaring. Zo staat thans niet vast welke informatie de maatschap aan [gedaagde] heeft verstrekt voorafgaand aan en bij het ondertekenen van de intentieverklaring. Evenmin staat vast welke informatie partijen aan elkaar zouden hebben moeten geven, welke invloed deze informatie op de beslissing van [gedaagde] zou hebben kunnen gehad en of partijen dat van elkaar hadden moeten en/of kunnen weten. Eén en ander vergt een nader onderzoek, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Dat betekent dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is vernietigd op grond van dwaling.

4.12 De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat een bodemrechter het door [gedaagde] gedane beroep op misbruik van omstandigheden zal honoreren. De voorzieningenrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat zijn adviseur in maart of april 2011 een concept-intentieverklaring van de maatschap heeft ontvangen. [gedaagde] heeft derhalve voorafgaand aan de vergadering van 23 mei 2011 ruimschoots de tijd gehad om met zijn adviseur te overleggen over de inhoud van deze verklaring. Voorts heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat hij tijdens de vergadering van 23 mei 2011 het non-concurrentiebeding heeft aangekaart, waaruit kan worden afgeleid dat hij zelf ook de reikwijdte van dit beding overzag. Dat [gedaagde] op dat moment niet de vrijheid had om de intentieverklaring niet te ondertekenen, is niet aannemelijk geworden. Gelet hierop kan voorshands evenmin worden aangenomen dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden.

4.13 Vervolgens is aan de orde of het beroep van de maatschap op het non-concurrentiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De voorzieningenrechter oordeelt hierover als volgt. Partijen zijn hoogopgeleide medisch specialisten.

Zij hebben zich bij het opstellen van de intentieverklaring laten bijstaan door een adviseur. Uit de overeengekomen tekst van het non-concurrentiebeding volgt dat het beding uitdrukkelijk geldt indien tijdens de kennismakingsperiode de overeenkomst wordt opgezegd. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.11 is overwogen overzag [gedaagde] de reikwijdte van dit beding. [gedaagde] had er in de gegeven omstandigheden dus redelijkerwijs rekening mee kunnen en moeten houden dat de maatschap in een geval als het onderhavige een beroep zou (kunnen) doen op het door partijen overeengekomen non-concurrentiebeding. De voorzieningenrechter zal het verweer van [gedaagde] ten aanzien van dit punt dan ook passeren.

4.14 De voorzieningenrechter komt ten slotte toe aan een beoordeling van hetgeen partijen overigens nog hebben gesteld omtrent het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar zijn van het beroep op het non-concurrentiebeding en aan een belangenafweging.

De maatschap stelt concrete en te respecteren belangen te hebben om haar positie te beschermen in de markt. Het is immers niet onaannemelijk dat vanwege de ontstane onderbezetting in het MST, de patiënten [gedaagde] zullen volgen naar het ZGT/OCON. De korte afstand tussen beide ziekenhuizen maakt dit des te meer niet onwaarschijnlijk. Bovendien heeft [gedaagde] in de keuken van de maatschap en het MST kunnen kijken. Het is niet wenselijk dat een concurrerende naburige maatschap van die informatie gebruik maakt, aldus de maatschap.

[gedaagde] stelt dat daarentegen dat de maatschap geen rechtens te respecteren belang heeft bij een beroep op het non-concurrentiebeding. [gedaagde] houdt praktijk in Almelo. Voorts houdt hij zich voor een aanzienlijk gedeelte van zijn praktijk bezig met wervelkolomchirurgie, terwijl hij in 2011 in Enschede geen enkele patiënt heeft gezien bij wie een indicatie bestond voor wervelkolomchirurgie. Iedere mogelijke concurrentie door [gedaagde] van de maatschap wordt door [gedaagde] uitgesloten. Alle secretaresses van OCON hebben de instructie gekregen dat [gedaagde] geen voormalige patiënten van hem uit Enschede overneemt. Voorts zal [gedaagde] deze patiënten weigeren als zij verzoeken om door hem binnen ZGT te worden behandeld. [gedaagde] is bereid om zich daartoe contractueel te verplichten op straffe van een forse boete.

4.15 De voorzieningenrechter is alles afwegende van oordeel dat aannemelijk is dat de bodemrechter niet zal komen tot het oordeel dat het [gedaagde] op grond van het non-concurrentiebeding niet toegestaan was bij OCON in dienst te treden. Daartoe acht de voorzieningenrechter het volgende van belang.

OCON verleent binnen de ziekenhuizen van ZGT orthopedische zorg in de plaatsen Almelo en Hengelo. Door [gedaagde] is onweersproken gesteld dat hij al zijn poliklinieken en spreekuren in Almelo doet. De locatie Almelo van ZGT ligt op 28 kilometer afstand van het middelpunt van de cirkel waarvoor het non-concurrentiebeding geldt en dus buiten het door het non-concurrentiebeding bestreken gebied. Alle operaties vinden plaats in Hengelo, hetgeen wel in het door het non-concurrentiebeding bestreken gebied ligt. [gedaagde] verricht derhalve thans slechts een deel van zijn werkzaamheden - en dan ook nog het deel waarin hij de meest directe contacten met zijn patiënten heeft - in een gebied dat niet onder de reikwijdte van het non-concurrentiebeding valt.

Rechtstreekse concurrentie lijkt de maatschap niet of nauwelijks van [gedaagde] te duchten te hebben. Hij legt zich thans immers toe op wervelkolomchirurgie, terwijl hij bij de maatschap geen patiënten heeft gezien die daarvoor in aanmerking kwamen.

Voor zover er concurrentie als gevolg van de overstap van [gedaagde] is te verwachten, heeft [gedaagde] een heldere toezegging gedaan. Er is thans geen enkele reden om te veronderstellen dat [gedaagde] danwel OCON de uitvoering van deze toezegging zal gaan frustreren.

Dat deze toezegging in de praktijk niet is te controleren, zoals door de maatschap is betoogd, lijkt voorshands niet aannemelijk nu alle patiënten worden geregistreerd en [gedaagde] bereid is lijsten met de burgerservicenummers van zijn patiënten ter controle te verstrekken.

De maatschap heeft haar stelling dat [gedaagde] thans over bedrijfsgeheimen beschikt op geen enkele wijze onderbouwd.

[gedaagde] heeft er belang bij om zijn ambities om zich verder in de wervelkolomchirurgie te bekwamen te realiseren. In dit verband is van betekenis dat aannemelijk is dat [gedaagde] reeds tijdens de sollicitatieprocedure bij de maatschap kenbaar heeft gemaakt dat hij zich op de wervelkolomchirurgie wilde toeleggen. In zijn brieven aan de maatschap heeft hij dat naar voren gebracht en de maatschap heeft hem kennelijk tegemoet willen komen, getuige het feit dat zij [gedaagde] nog tijdens de sollicitatieprocedure in de gelegenheid heeft gesteld contact te hebben met de neurochirurg [H], die de wervelkolomoperaties bij MST veelal uitvoerde. [gedaagde] heeft in dit kort geding aannemelijk gemaakt dat hij na zijn intrede in de maatschap veel in het werk heeft gesteld om met [H] samen te werken, maar daarbij is gestuit op een weinig bereidwillige houding bij [H]. Het duidelijkst blijkt dat uit diens emails van 3 juni 2011 aan de Raad van Bestuur van MST en aan [gedaagde], waarin [H] klip en klaar stelt dat wervelkolomchirurgie bij de neurochirurgie hoort en niet op verantwoord niveau door een algemeen chirurg kan worden gedaan en dat hij al in 2010 tegen een van de leden van de maatschap, [R], heeft gezegd dat hij geen behoefte had aan een orthopedisch chirurg die zijn aandacht op werkvelkolomchirurgie zou richten.

Uit deze laatste mededeling volgt voorts dat de maatschap [gedaagde] tijdens de sollicitatieprocedure heeft voorgehouden dat samenwerking met de neurochirurgen op het gebied van de wervelkolomchirurgie mogelijk was, terwijl zij wist of had behoren te weten dat de vooruitzichten op die samenwerking bepaald niet rooskleurig waren.

Een en ander betekent dat alleszins aannemelijk is dat de gerechtvaardigde en door de maatschap gewekte verwachtingen die [gedaagde] bij zijn intreden in de maatschap had, zijn beschaamd. Waar de maatschap [gedaagde] niet de mogelijkheden heeft kunnen bieden waarop hij mocht rekenen, kan zij het hem niet kwalijk nemen dat hij zijn heil elders heeft gezocht. In deze omstandigheden is het onredelijk hem aan het non-concurrentiebeding te houden.

Geen van de in deze overweging genoemde argumenten is op zichzelf genomen van doorslaggevende betekenis, maar de combinatie van deze argumenten en de samenhang tussen de argumenten brengen de voorzieningenrechter tot de verwachting dat de bodemrechter de overstap van [gedaagde] van de maatschap naar OCON niet met een beroep op het non-concurrentiebeding zal beletten dan wel beboeten.

4.16 Nu aannemelijk is dat de bodemrechter in het voordeel van [gedaagde] zal beslissen, moeten de vorderingen van de maatschap in dit kort geding worden afgewezen.

4.17 De maatschap zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld. De kosten van betekening van een vonnis komen in beginsel als nakosten voor rekening van de veroordeelde partij. Hierbij geldt volgens de bepalingen van het liquidatietarief rechtbanken en hoven echter wel de voorwaarde dat de veroordeelde partij gedurende veertien dagen na een daartoe strekkende aanschrijving de mogelijkheid heeft gehad om vrijwillig aan het vonnis te voldoen. De gevraagde vergoeding van de kosten van betekening van het vonnis zal hierna dan ook worden toegewezen mits voornoemde termijn van veertien dagen in acht is genomen.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. wijst de vorderingen van de maatschap af;

II. veroordeelt de maatschap in de proceskosten met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, de maatschap daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op: € 267,00 aan verschotten en € 816,00 aan salaris van de advocaat;

III. veroordeelt de maatschap in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening, indien en voor zover gedaagde niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan;

IV. verklaart de onderdelen II. en III. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.