Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW4023

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
AWB 11 / 936 WOB V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het kader van een WOB-verzoek maakt eiser bezwaar. Bezwaar wordt gegrond verklaard. Verweerder kent een vergoeding toe met een wegingsfactor van 0,25. Eiser gaat hiertegen in beroep en wordt in het gelijk gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 11 / 936 WOB V1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: E.C.M. van Arcken, werkzaam bij Lessing’s Patriarch te Delden,

en

de Korpschef Politie Twente,

gevestigd te Enschede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder op de aanvraag van eiser om verstrekking van acht documenten besloten om vijf documenten te verstrekken.

Bij besluit van verweerder van 19 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en aan eiser een additioneel document verstrekt. Tevens heeft verweerder aan eiser een tegemoetkoming in de kosten toegekend ten bedrage van € 109,25.

Eiser heeft bij brief van 25 augustus 2011 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 29 september 2011 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Eiser heeft in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur een verzoek ingediend bij verweerder om openbaarmaking van een aantal documenten. Een van de documenten waarom eiser verzocht, betrof het document radarverzamelstaat. In het primaire besluit heeft verweerder medegedeeld dit document niet te kunnen verstrekken, omdat hij daarover niet beschikt.

2. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat verweerder wel over de radarverzamelstaat, dat ook wel mutatierapport wordt genoemd, beschikt en dat verweerder dit document aan eiser dient te verstrekken. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft gesteld dat een mutatie niet hetzelfde is als een radarverzamelstaat. Echter om praktische en pragmatische redenen is verweerder er vanuit gegaan dat eiser met de term radarverzamelstaat een mutatie bedoelde en deze aan eiser verstrekt. Verweerder heeft voorts aan eiser een tegemoetkoming in de proceskosten toegekend ter hoogte van € 109,25, zijnde 0,25 maal één procespunt. Volgens verweerder is het bezwaar van eiser als zeer licht te beschouwen en is daarom de wegingsfactor van 0,25 toegepast.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de omvang van de toegekende tegemoetkoming in de proceskosten. Ten eerste heeft eiser gesteld dat een bestuursorgaan dient te motiveren waarom het afwijkt van de reguliere wegingsfactor van één procespunt. Ten tweede heeft eiser gesteld dat het bezwaar niet als zeer licht gekwalificeerd kan worden.

4. In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder terecht het bezwaar van eiser als zeer licht met een wegingsfactor van 0,25 heeft gekwalificeerd. De rechtbank oordeelt dat niet het geval is en overweegt hierover het volgende.

5. Artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende en voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Deze algemene maatregel van bestuur betreft het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). In het Bpb en de daaraan gehechte bijlage, is nader uitgewerkt op welke wijze het bedrag wordt berekend dat voor vergoeding in aanmerking komt. Niet in geschil is dat de waarde per punt € 437,00 bedraagt.

6. De rechtbank stelt vast dat in het Bpb niet is geregeld wanneer een zaak als zeer licht, licht, gemiddeld, zwaar of zeer zwaar moet worden gekwalificeerd. Op grond van paragraaf C1 van de bijlage bij het Bpb kan de wegingsfactor variëren van zeer licht (factor 0,25) tot zeer zwaar (factor 2). Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een bezwaarschriftprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. Wanneer naar het oordeel van het bestuursorgaan sprake is van de categorie zeer licht, dient dit door het bestuursorgaan gemotiveerd te worden (CRvB 2 maart 2006, JB 2006/177). De complexiteit en de bewerkelijkheid van de zaak worden daarbij als leidraad voor de beoordeling gebruikt. De omstandigheid dat het bestuursorgaan (deels) tegemoet is gekomen aan de verzoeken van eiser, kan bij de toekenning van de wegingsfactor geen doorslaggevende rol spelen. Over het algemeen is de kwalificatie zeer licht voorbehouden aan zaken die eenvoudig zijn en een beperkt beroep doen op de juridische bijstandverlener, zoals het geval waarin beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig behandelen van een besluit (CRvB 31 juli 2002, LJN AE6338).

7. In het onderhavige geval is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de zaak niet zodanig eenvoudig is dat daaraan de kwalificatie zeer licht gegeven kan worden. De stelling van verweerder dat hij de term radarverzamelstaat niet kende, duidt er immers op dat eiser in bezwaar moeite heeft moeten doen om duidelijk te maken waarop zijn verzoek betrekking had. Uit de reactie van verweerder en de omstandigheid dat hij in een eerdere zaak ook de vertaalslag heeft gemaakt van radarverzamelstaat naar mutatie, blijkt dat het verzoek van eiser ook niet onredelijk vaag was, waardoor verweerder daarop niet hoefde te reageren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar ten onrechte als zeer licht met een wegingsfactor 0,25 heeft gekwalificeerd.

8. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen met toepassing van het bepaalde in artikel 8:54, eerste lid, onder d van de Awb. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij aan eiser een tegemoetkoming in de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase is toegekend ter hoogte van € 109,25.

9. Met het oog op het belang van een finale geschillenbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien op grond van artikel 8:72, vierde lid van de Awb. De rechtbank zal, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid van de Awb, verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de gemiddelde wegingsfactor, zodat de kosten voor verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase worden begroot op € 437,-- (één procespunt voor het indienen van een bezwaarschrift; € 437,-- per procespunt; wegingsfactor 1).

10. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het voorts, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 437,-- (één procespunt voor het indienen van een bezwaarschrift; € 437,-- per procespunt; wegingsfactor 1).

11. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

Beslissing

De Rechtbank Almelo,

- verklaart het beroep kennelijk gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de aan eiser toegekende proceskostenvergoeding;

- stelt de te vergoeden proceskosten voor de bezwaarfase vast op € 437,-- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van de proceskosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep ten bedrage van € 437,--;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van het door eiser betaalde griffierecht van € 152,--.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van G. Steeghs, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012.