Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW3698

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
126534 HA ZA 12-49
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ruilverkaveling “Rijssen” blok Rijssen-West

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 126534 HA ZA 12-49

bezwaarnummer: 43

datum uitspraak vonnis: 18 april 2012 (hbvo)

Ruilverkaveling “Rijssen” blok Rijssen-West

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[reclamant], namens alle in leven zijnde broers en zusters van [H],

wonende te [plaats],

reclamant,

verder te noemen [reclamant],

procederend in persoon.

Het procesverloop

Gezien de stukken van het geding, waaronder:

1. het door reclamant ingediende bezwaarschriften d.d. 1 juli 2011;

2. het proces-verbaal van de bezwarenbehandeling door de Landinrichtingscommissie;

3. het proces-verbaal van de behandeling ten overstaan van de rechter-commissaris in deze rechtbank op 30 januari 2012, uit welk proces-verbaal blijkt dat de rechter-commissaris de zaak heeft verwezen naar de terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2012;

4. het proces-verbaal van de zitting van deze rechtbank van 19 maart 2012 met daaraan gehecht de pleitnotities van mr. [R] (namens de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie).

Bij de zitting van de meervoudige kamer van 19 maart 2012 waren aanwezig:

a. reclamant in persoon;

b. mevrouw mr. [R] namens de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

c. de heren [K], [B] en [K] van de plaatselijke Landinrichtingscommissie voor de voornoemde ruilverkaveling;

d. de aan die commissie toegevoegde ingenieur van het Kadaster te Zwolle mevrouw [D];

e. de heer [B] van de Dienst Landelijk Gebied te Zwolle.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Standpunt van reclamant

1. Reclamant - [reclamant] - heeft één bezwaar ingediend tegen het Plan van Toedeling.

Dit bezwaar hield - kort samengevat - het volgende in.

[reclamant] heeft bezwaar tegen de toedeling van het perceel met R-nummer […..] aan erven [H] en pachter [H]. De reden van het bezwaar is dat de Landinrichtingscommissie (hierna: LC) volgens reclamant ten onrechte de pachtovereenkomst tussen mevrouw [H-K] en [H] heeft erkend en aan [H] pachtrechten heeft toegekend.

De rechtbank begrijpt de achtergrond van het geschil als volgt.

[H] bewoonde bij leven met zijn echtgenote het ouderlijk huis van de broers en zussen [H] aan de [adres] en [plaats]. Nadat [H] op 21 januari 1989 is overleden, zou zijn vrouw,[H-K], op 4 april 1996 een pachtovereenkomst hebben gesloten met een neef (zo begrijpt de rechtbank), de heer [H], met betrekking tot het ouderlijk huis, de opstallen en de weilanden. Dit terwijl er een voorkeursrecht bestond voor de broers en zusters (waaronder reclamant), vastgelegd in de boedelscheidingsakte van 1963. Volgens reclamant heeft de notaris die dit pachtcontract heeft opgesteld ( [S] getrouwd met [H], zus van [H] en [H]), frauduleus gehandeld, omdat hij daarbij zijn zwagers [H] en [H] en zijn zoon [S] heeft bevoordeeld.

Op 15 juni 2001 zou de pachtovereenkomst zijn ontbonden en zou er opnieuw een pachtovereenkomst zijn gesloten tussen [H-K] en [H]. Daarbij is ook overeengekomen dat, als de pachtovereenkomst om wat voor reden dan ook eindigt, aan [H] het recht wordt verleend om de onroerende zaken te pachten.

Bij “wijziging pachtovereenkomst” van 27 mei 2008 is het recht van opvolgende pacht, in plaats van aan [H], aan [S] verleend omdat [H] inmiddels was overleden.

De pachtovereenkomst gedateerd 4 april 1996 is volgens reclamant op een oneigenlijke manier tot stand gekomen. Bovendien is bij de pachtovereenkomst gedateerd 15 juni 2001 sprake van valsheid in geschrifte omdat [H-K] deze pachtovereenkomst niet heeft getekend. De handtekening die onder de pachtovereenkomst staat, is volgens hem vervalst.

Om die redenen is [reclamant] van mening dat de LC de pachtovereenkomst niet mocht erkennen en heeft ze ten onrechte rechten toegekend aan de pachter.

Standpunt van de LC

2. Tijdens de bezwarenbehandeling is door de LC het standpunt ingenomen dat [reclamant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij volgens de vastgestelde Lijst van Rechthebbenden, geen eigenaar is binnen de projectbegrenzing van de ruilverkaveling van Rijssen-West.

Ook tijdens de RC-zitting van 30 januari 2012 en de zitting van 19 maart 2012, heeft de LC zich op het standpunt gesteld dat [reclamant] niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Overwegingen van de rechtbank

3. De rechtbank overweegt het volgende.

3.1 Op deze kwestie is van toepassing de Landinrichtingswet (hierna: Liw). Deze wet is weliswaar vervallen tegelijk met de inwerkingtreding van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (wet van 7 december 2006, inwerkingtreding 1 september 2010; hierna de WILG), maar op grond van artikel 95 van de WILG blijft de Liw van toepassing op landinrichtngsprojecten die reeds in voorbereiding of in uitvoering waren. Daarvan is in casu sprake.

3.2 Op grond van artikel 196 van de Landinrichtingswet (hierna: Liw) ontwerpt de LC een Plan van Toedeling. Dit Plan van Toedeling wordt ter inzage gelegd, en op grond van artikel 200 van de Liw kunnen belanghebbenden bezwaren daartegen indienen.

Voor de vraag wie er onder het begrip “belanghebbenden” vallen, moet worden aangesloten bij de Algemene wet bestuursrecht (Hoge Raad 21 juni 2006, NJ 2002, 596).

Artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat onder “belanghebbende” wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De LC heeft het belanghebbenden-begrip gekoppeld aan de Lijst der Rechthebbenden en daarmee aan de vraag of de betrokkene eigenaar of pachter is van grond die in het ruilverkavelingsblok ligt. En reclamant is dat niet.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit een juist uitgangspunt. Het zijn immers de eigenaars en de gebruikers (pachters) van (agrarische) gronden en opstallen die direct betrokken zijn bij de ruilverkaveling omdat er voor hen directe en soms redelijk ingrijpende veranderingen kunnen voortvloeien uit een Plan van Toedeling. De eigendom van gronden kan in andere handen terecht komen en daarmee ook de plaats waar het bedrijf (landbouw of veehouderij) wordt uitgeoefend. Voor niet-eigenaren en niet-pachters geldt dat in beginsel niet. Daarom zijn zij in beginsel geen belanghebbenden.

[reclamant] en de andere nog in leven zijnde broers en zusters van [H], zijn geen eigenaar of pachter in het blok. Ook anderszins kan [reclamant] naar het oordeel van de rechtbank niet als belanghebbende worden aangemerkt. Het bestaande voorkeursrecht op koop van de ouderlijke woning, maakt reclamant nog geen belanghebbende nu een voorkeursrecht een persoonlijk recht betreft. Met een wettelijke herverkaveling wordt niet beoogd in deze rechten een wijziging aan te brengen, noch daarvoor een regeling te treffen.

De conclusie is dat de LC reclamant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.3 Zelfs als [reclamant] wel ontvankelijk zou zijn (wat dus niet zo is), zou zijn bezwaar ongegrond moeten worden verklaard.

Volgens artikel 150 van de Landinrichtingswet heeft iedere pachter van in het blok gelegen onroerende zaken (grond en/of gebouwen), aanspraak op het in pacht verkrijgen van onroerende zaken van dezelfde aard.

Volgens artikel 151 van de Landinrichtingswet mag de LC echter alleen rekening houden met pachtovereenkomsten die aan de LC ter registratie zijn aangeboden.

In deze kwestie is de pachtovereenkomst tussen [H-K] en [H] ter registratie aangeboden en is ze ook daadwerkelijk geregistreerd door de LC. De LC beoordeelt daarbij niet of de pachtovereenkomst ook rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dat mag de LC niet en dat kan ze ook niet. Ook voor de rechtbank geldt in deze procedure dat zij geen bevoegdheid heeft de rechtsgeldigheid van de ter registratie aangeboden pachtovereenkomst te beoordelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de LC dus terecht de pachtovereenkomst van [H] betrokken bij de ruilverkaveling en is de toedeling van een pachtrecht op de betreffende percelen aan [H], in overeenstemming met de Landinrichtingswet.

3.4 Uit het vorenoverwogene volgt dat het bezwaar van reclamant niet ontvankelijk is. Er zijn termen aanwezig de proceskosten volledig te compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

I. Verklaart reclamant [reclamant] niet ontvankelijk in zijn bezwaar, oorspronkelijk genummerd 43.

II. Compenseert de proceskosten tussen reclamant en de gezamenlijke belanghebbenden in de ruilverkaveling “Rijssen” in dier voege dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Aldus gewezen te Almelo door mrs. Bottenberg – van Ommeren, Lorist en Alers en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012, in tegenwoordigheid van R.P. Jansen, griffier.