Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW3529

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
08-710510-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 10 juli 2011 in de gemeente Rijssen-Holten een 20-jarige jongeman opzettelijk mishandelend

(tegen het hoofd heeft geslagen) waardoor het slachtoffer pijn heeft ondervonden, de rechtbank acht mishandeling bewezen en veroordeeld de verdachte tot een week gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710510-11

Datum vonnis: 20 april 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 december 2011, 27 maart 2012 en 6 april 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J. Ruarus, advocaat te Delden, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting van 27 maart 2012 gewijzigd.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging waardoor [slachtoffer] is overleden;

subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 10 juli 2011, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten discotheek [naam uitgaansgelegenheid], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig

- aanvallen van en/of indringen op die [slachtoffer] en/of

- slaan en/of duwen in/op/tegen het gezicht en/althans het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- achtervolgen van die [slachtoffer] en/of

- (met zeer grote kracht) meermalen althans eenmaal (telkens) slaan/stompen/stoten

in/op/tegen de nek/hals en/of/althans op/tegen het hoofd en/of/althans (elders)

op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- (met grote kracht) naar de grond werken/slaan van die [slachtoffer]

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 10 juli 2011, in de gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het hoofd en/althans het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Voor het subsidiair tenlastegelegde heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde feit heeft de raadsman nog aangevoerd dat niet meer kan worden vastgesteld of het slachtoffer letsel en/of pijn heeft opgelopen.

5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Verdachte verklaart bij de politie dat hij ziet dat er een meisje en een jongen vallen. Hij loopt er naar toe en zegt tegen die jongen dat hij geen meisjes moet slaan. Hierop zegt de jongen tegen hem dat hij naar zijn moeder moet gaan. Verdachte zegt dat hij hierdoor boos werd en de jongen een klap in zijn gezicht heeft gegeven.

De getuige [medeverdachte] verklaart bij de politie dat hij duidelijk heeft gezien dat verdachte die jongen sloeg.

Op grond van deze twee verklaringen is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer] in zijn gezicht heeft geslagen. Daar waar de raadsman stelt dat niet meer kan worden vastgesteld of dit feit letsel en/of pijn heeft veroorzaakt is de rechtbank van oordeel dat er geen specifiek bewijsmiddel hoeft te zijn dat het slachtoffer pijn heeft ondervonden. In de rechtspraak is meerdere keren vastgesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat een klap pijn veroorzaakt.

5.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 juli 2011, in de gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk mishandelend

[slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 300 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: mishandeling.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Door het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren is voor een eenvoudige mishandeling – voor het geven van een droge klap – als oriëntatiepunt voor de straftoemeting een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- vastgesteld. De rechtbank acht dit uitgangspunt in de onderhavige zaak onvoldoende recht doen aan het bewezenverklaarde feit.

Weliswaar is er niet door toedoen van verdachte een einde gekomen aan het leven van [slachtoffer], maar de mishandeling door verdachte is voor de medeverdachte [medeverdachte] wel aanleiding geweest om achter het slachtoffer aan te gaan en hem ook te mishandelen, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Dit in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat in dit specifieke geval aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dient te worden opgelegd.

9. De schade van benadeelden

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [nabestaande] niet ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien er niet een direct verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde feit en de schade.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10 en 27 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het subsidiair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één (1) week;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de

gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de vordering van de benadeelde partij

- verklaart de vordering van de benadeelde partij [nabestaande] niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. J. Wentink en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en

is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2012.