Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW3527

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
08-710511-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Almelo acht bewezen dat de destijds 18-jarige verdachte op 10 juli 2011 een dusdanig harde klap heeft uitgedeeld aan de 20 jarige Mark K. in een uitgaansgelegenheid te Rijssen dat slachtoffer als gevolg daarvan is overleden.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor dit delict met het zeer ernstig gevolg tot tweeënhalf jaar gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Verdachte dient tevens een schadevergoeding te betalen aan de familie van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710511-11

Datum vonnis: 20 april 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in het huis van bewaring in Doetinchem.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 25 oktober 2011, 15 december 2011, 21 februari 2012, 27 maart 2012 en 6 april 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting van 27 maart 2012 gewijzigd.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer];

subsidiair: zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging waardoor [slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair: zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] als gevolg waarvan hij is overleden en nog meer subsidiair: zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] als gevolg waarvan hij is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 10 juli 2011, te Rijssen, in de gemeente Rijssen-Holten,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte

met dat opzet die [slachtoffer] (met zeer grote kracht) in/op/tegen de nek/hals

en/of/althans in/op/tegen het hoofd althans in/op/tegen het lichaam geslagen

en/of gestompt en/of gestoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling

mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 10 juli 2011, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats

en/of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten discotheek

[naam uitgaansgelegenheid], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer],

welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig

- aanvallen van en/of indringen op die [slachtoffer] en/of

- slaan en/of duwen in/op/tegen het gezicht en/althans het hoofd van die [slachtoffer]

en/of

- achtervolgen van die [slachtoffer] en/of

- (met zeer grote kracht) meermalen althans eenmaal (telkens) slaan/stompen/stoten

in/op/tegen de nek/hals en/of/althans op/tegen het hoofd en/of/althans (elders)

op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- (met grote kracht) naar de grond werken/slaan van die [slachtoffer] waarbij hij,

verdachte, voornoemde [slachtoffer] meermalen althans eenmaal (telkens) (met kracht)

in/tegen/op de nek/hals en/of/althans op/tegen het hoofd en/althans (elders) tegen/op

het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten,

welk door hem gepleegd geweld de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 10 juli 2011, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, aan een

persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (dissectie van

de arteria vertebralis (halswervelslagader) rechts) heeft toegebracht, door opzettelijk

die [slachtoffer] (met zeer grote kracht) in/op/tegen de nek/hals en/of/althans in/op/tegen

het hoofd en/of in/op/tegen het lichaam te slaan/stompen/stoten, terwijl het feit de

dood voor die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 10 juli 2011, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met zeer grote kracht)

in/op/tegen de nek/hals en/of/althans in/op/tegen het hoofd en/althans het lichaam

heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, tengevolge waarvan deze [slachtoffer]

is overleden;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het meer subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd moet hiervan worden afgetrokken. Als voorwaarde aan de voorwaardelijke vrijheidsstraf moet toezicht door de reclassering worden verbonden en dan in het bijzonder een meldingsgebod.

De officier van justitie heeft ook gevorderd dat de civiele vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen en dat daarbij ook de Terwee-maatregel wordt opgelegd.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 Vrijspraak primair en subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank zal verdachte van de primair ten laste gelegde doodslag vrij spreken, nu zij niet bewezen acht dat verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het om het leven brengen van het slachtoffer.

Voorwaardelijke opzet (de lichtste vorm van opzet) op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, nu de verklaringen van de verdachte en de getuigenverklaringen geen inzicht geven in wat ten tijde van de gedragingen in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de hierna nader te bespreken geweldshandeling van verdachte (één krachtige klap in het nek-/ hoofdgebied van het slachtoffer) naar de uiterlijke verschijningsvorm niet worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Ook wanneer de rechtbank de fatale gevolgen voor het slachtoffer in aanmerking neemt, komt zij niet tot een andere conclusie dan hiervoor vermeld.

Ook zal verdachte worden vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging, de dood ten gevolge hebbende. De rechtbank acht niet bewezen dat de door verdachte en de andere verdachte in deze zaak geweldshandelingen in vereniging zijn gepleegd.

5.2 Het meer subsidiair tenlastegelegde

5.2.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het meer subsidiair tenlastegelegde, te weten de zware mishandeling met de dood als gevolg, bewezen kan worden verklaard.

De officier van justitie is van mening dat verdachte het slachtoffer met kracht tegen zijn achterhoofd of nek heeft geslagen. Dit is een kwetsbare plek die verdachte toch min of meer bewust lijkt te willen raken. De officier van justitie wijst daarbij op het feit dat verdachte omhoog komt, op één been staat en omhoog slaat naar het hoofd van het slachtoffer dat aanzienlijk groter is dan verdachte. De kans dat een slachtoffer van een dergelijke geweldshandeling zwaar lichamelijk letsel oploopt, acht de officier van justitie aanzienlijk.

De raadsvrouw concludeert tot vrijspraak van het meer subsidiair tenlastegelegde. Naar haar mening is er onvoldoende bewijs om tot het oordeel te komen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Er is geen sprake van een bewuste actie, er is geen sprake van een feitelijk bezien aanmerkelijke kans, een reële mogelijkheid dat door een klap zwaar lichamelijk letsel intreedt.

De vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Volgens verdachte was zijn opzet gericht op het toebrengen van pijn en een blauwe plek.

5.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

het feitelijk gebeuren

De verdachte verklaart hierover bij de politie dat hij achter het slachtoffer aanloopt en hem met de vuist slaat. De verbalisant merkt daarbij op dat verdachte aangeeft dat hij rechts van het hoofd heeft geslagen en dat verdachte voordoet dat het slachtoffer met de rug naar hem toestaat.

Bij de politie verklaart [medeverdachte] hierover dat de jongen zich omdraait en verder de rokersruimte inloopt. Hij ziet dat [verdachte] achter hem aan loopt. [medeverdachte] loopt weer achter [verdachte] aan. Hij ziet dat [verdachte] zijn broek omhoog trekt en een zwaai maakt met zijn rechterarm. Hij ziet dat [verdachte] met zijn linkerschouder vooruit gaat en dat hij zijn lichaam in de slag zet. Hij ziet vervolgens dat [verdachte] met zijn rechtervuist de jongen slaat. Hij ziet dat [verdachte] die jongen van achter benadert en dat hij hem met zijn vuist tegen de rechterkant van het gezicht slaat. Hij raakt hem onder zijn oor, bij zijn kaak. Hij ziet dat dat met kracht gaat. Hij ziet dat de jongen neer gaat. [medeverdachte] noemt het een klap die je je eigen vijand niet aan wilt doen. Het was een klap zoals hij op een boksbal slaat. Hij vergeet die klap nooit meer. ,

De getuige [getuige 1] verklaart dat zij ziet dat [slachtoffer] vanuit de deur aan de voorzijde van de rookruimte komt rennen. Zij ziet dat twee jongens achter [slachtoffer] aanrennen. Zij ziet dat één van de jongens met zijn rechtervuist in de nek van [slachtoffer] slaat en dat dit met opzet en met forse kracht gaat. [slachtoffer] valt voorover op ongeveer 2 à 3 meter afstand van haar. Zij ziet dat [slachtoffer] zijn ogen wegdraaien en dat hij slap naar de grond gaat.

De getuige [getuige 2] verklaart dat zij ziet dat [slachtoffer] hun kant op komt lopen in versnelde pas en dat de Turkse jongen genaamd [verdachte] achter hem aanloopt en met een sprong hem met gebalde vuist in zijn nek slaat. Zij ziet dat het hoofd van [slachtoffer] iets draait en dat hij vrijwel direct op de grond valt.

Bij zijn verhoor door de politie verklaart de getuige [getuige 3] dat hij ziet dat die Turks/ Marokkaanse jongen volgens hem heel bewust [slachtoffer] met een klap met zijn vuist in zijn nek raakt. Hij ziet dat [slachtoffer] met de rug naar die jongen staat en volgens hem heeft hij de klap niet zien aankomen. Hij ziet dat [slachtoffer] tengevolge van die klap direct neervalt.

[getuige 4] verklaart bij de politie dat hij [slachtoffer] zijn richting op ziet komen lopen. Hij ziet dat de hem bekende [verdachte] achter [slachtoffer] aanloopt. Vervolgens ziet hij dat [verdachte] [slachtoffer] met behoorlijke kracht in zijn nek slaat. Hij ziet dat [verdachte] met gebalde vuist van achter slaat. Hij ziet dat het een harde klap is en vervolgens ziet hij dat [slachtoffer] onmiddellijk in elkaar zakt.

Deze getuige is ook door de rechter-commissaris gehoord en hij herhaalt hier wat hij bij de politie heeft verklaard over de wijze waarop [verdachte] heeft geslagen.

In haar verklaring bij de politie zegt getuige [getuige 5] dat zij ziet dat een jongen die zij herkent als [slachtoffer] de rokersruimte binnen komt lopen. Hij wordt ineens in zijn nek geslagen door een jongen die achter hem loopt. Zij ziet dat diegene een vuist maakt en met kracht in de nek van het slachtoffer slaat. Het slachtoffer valt meteen op de grond en blijft ook liggen.

Door de rechter-commissaris is een proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen opgemaakt met betrekking tot de camerabeelden zoals die zijn gemaakt door een tweetal camera’s in de rokersruimte van discotheek [naam uitgaansgelegenheid]. Deze beelden maken deel uit van het dossier. De inhoud van het proces-verbaal van de rechter-commissaris is op de zitting van

27 maart 2012 door de voorzitter van de rechtbank aan verdachte meegedeeld. De rechter-commissaris relateert in het proces-verbaal onder meer het volgende : “(….) Op de tweede CD bevinden zich beelden van rokersruimte 2. (….) Ik zie daarop het volgende. De lange jongen ([slachtoffer]) komt aangelopen van rechts. Vlak achter hem loopt een jongen met een witte trui over zijn schouders ([verdachte]). Hij maakt een bovenhandse beweging met zijn arm in de richting van [slachtoffer]’s nek. Zijn rechtervoet komt daarbij van de grond. [slachtoffer] valt naar links. (….)”

De rechtbank heeft in raadkamer kennis genomen van deze camerabeelden. De verdediging heeft deze beelden ook tot haar beschikking en de raadsvrouw heeft hiervan eveneens kennis genomen. De nabestaanden van het slachtoffer hebben de behandeling ter zitting vanuit een andere zaal gevolgd. Uit respect voor hun gevoelens zijn deze beelden niet ter terechtzitting getoond.

De rechtbank neemt op de beelden van camera 30 het volgende waar11:

het latere slachtoffer komt van rechts het beeld inlopen, op korte afstand gevolgd door verdachte. Verdachte draait zijn lichaam enigszins, waarbij hij zijn linkerarm naar voren brengt in de richting van het slachtoffer. Vervolgens brengt verdachte zijn rechterarm naar achteren en buigt hij zijn lichaam naar voren. Zijn rechterbeen komt los van de grond en verdachte slaat met zijn rechter arm in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer valt hierna direct op de grond.

Op grond van vorenstaande verklaringen en de eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het slachtoffer van achteren heeft benaderd en hem met kracht in het gebied rond zijn nek/hoofd heeft geslagen, als gevolg waarvan het slachtoffer is gevallen.

het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

Voor opzet is vereist dat er sprake is van doelgericht handelen, gericht op het gevolg. Daarbij moet bewezen worden dat de dader slechts tot doel had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat zijn opzet uitsluitend daarop gericht was. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier noch uit de behandeling ter terechtzitting bewezen kan worden dat verdachte het opzet had om zulk letsel toe te brengen.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

Het slachtoffer heeft de klap of slag niet zien aankomen, omdat hij met zijn rug in de richting van verdachte was gekeerd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het slachtoffer welbewust met kracht heeft willen raken en heeft geraakt in zijn nek c.q. tegen zijn hoofd. De rechtbank leidt dat af uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte zoals die blijkt uit de camerabeelden en verklaringen van getuigen. Het uitoefenen van geweld op het hoofd of de nek brengt altijd het gevaar mee dat het slachtoffer als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel oploopt of in het ergste geval, komt te overlijden. Van een dergelijk risico had verdachte zich bewust moeten zijn. Onder de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarin is ook de aanvaarding van dat risico besloten.

de oorzaak van het overlijden

Drs. P.M.I. van Driessche, arts en patholoog, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut heeft op 12 augustus 2011 en op 6 maart 2012 een rapport uitgebracht. De arts en forensisch medisch onderzoeker drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, verbonden aan het Independent Forensic Services, heeft op 8 maart 2012 gerapporteerd.

Beide rapporteurs zijn ter terechtzitting van 27 maart 2012 als deskundige gehoord. De rapporteurs zijn het eens over de doodsoorzaak: een subarachnoïdale bloeding (een bloeding onder het zachte hersenvlies), welke bloeding is veroorzaakt door een dissectie van de arteria vertebralis (halswervelslagader) rechts. De deskundigen zijn het er ook over eens dat de dissectie van de halswervelslagader is ontstaan door een geweldsinwerking op het slachtoffer en bijvoorbeeld niet door een ziekelijke afwijking.

De deskundigen verschillen van mening over de vraag welke geweldsinwerking verantwoordelijk is voor het ontstaan van de dissectie van de halswervelslagader.

Volgens Van Driessche veroorzaakte de door verdachte uitgedeelde klap tegen het onvoorbereide slachtoffer een plotselinge draaiing van het hoofd, zonder reactief opspannen van de spieren, hetgeen de dissectie van de halswervelslagader tot gevolg had. De door de klap gevolgde draaiing van het hoofd is volgens de deskundige een klassieke oorzaak voor het ontstaan van een dissectie van de halswervelslagader. De deskundige acht het onwaarschijnlijk dat de dissectie is ontstaan door eerder geweld dat (mogelijk) heeft plaatsgevonden. Hij betrekt daarbij het feit dat het slachtoffer, voordat hij werd geslagen door verdachte, een stabiele zekere gang had. Wanneer op dat moment al sprake zou zijn geweest van het geconstateerde letsel, was zijn gang zeker niet stabiel geweest. Volgens Van Driessche zou het bovendien, uitgaande van de aanname dat door een eerdere geweldsinwerking al letsel aan de halsslagader was ontstaan, wel zeer toevallig zijn dat het slachtoffer uitgerekend op het moment dat verdachte zijn klap uitdeelt, plotseling ineenstort.

De deskundige Eikelenboom-Schieveld concludeert dat ook andere geweldsinwerkingen dan de klap van verdachte verantwoordelijk kunnen zijn geweest voor de dissectie van de halswervelslagader. Een scenario dat volgens deze deskundige niet kan worden uitgesloten, is het scenario dat het slachtoffer tijdens één van de eerdere geweldsinwerkingen (het om de nek hangen bij het slachtoffer door [betrokkene]/ de klap die door verdachte [medeverdachte] is uitgedeeld) of bij het vallen van het slachtoffer tegen de reling een scheur in de halswervelslagader heeft opgelopen en zonder waarneembare symptomen in het hoofd aan het bloeden was en door de zogenaamde “sucker punch” van verdachte knock out is gegaan. Tijdens dit bewustzijnsverlies heeft de bloeding onder het zachte hersenvlies dermate vormen aangenomen dat daardoor een adem en/ of hartstilstand is opgetreden.

Ter zitting vult de deskundige haar rapport aan met het scenario dat, indien het verplaatsen van het slachtoffer vanaf de plek waar hij is gevallen naar de EHBO ruimte niet met de nodige voorzichtigheid is gebeurd, dit ook nog de dissectie van de halswervelslagader kan hebben veroorzaakt. Niet valt volgens deze deskundige vast te stellen dat de klap van verdachte verantwoordelijk was voor het ontstaan van de dissectie van de halswervelslagader.

De rechtbank volgt deskundige Van Driessche in zijn conclusie dat de dissectie van de halsslagader is ontstaan door de klap van verdachte en laat de conclusies van deskundige Eikelenboom-Schieveld op dit punt buiten beschouwing.

Gezien de verklaringen van beide deskundigen, acht de rechtbank in dit specifieke geval, de kans dat de dissectie van de halswervelslagader (welke dissectie verantwoordelijk is voor de uiteindelijke dodelijke bloeding onder het zachte hersenvlies) is ontstaan door een andere geweldsinwerking dan de klap van verdachte, theoretisch en zodanig onwaarschijnlijk dat daarmee geen rekening behoeft te worden gehouden.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat noch op basis van de camerabeelden, noch op basis van andere bewijsmiddelen met enige mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat zich vóór de door verdachte gegeven klap een geweldsinwerking heeft voorgedaan die door Van Driessche wordt beschreven als karakteristiek voor het ontstaan van het letsel, te weten een plotse draaiing van het hoofd, waardoor een ruptuur van het bloedvat ontstaat, met de geconstateerde fatale bloeding als direct gevolg, welke bloeding binnen korte tijd tot de dood heeft geleid.

Ook heeft de rechtbank, anders dan de deskundige Eikelenboom stelt, niet met zekerheid kunnen vaststellen dat het slachtoffer als gevolg van het door verdachte uitgeoefende geweld met zijn hoofd/lichaam tegen de reling is gevallen. Zo hiervan al sprake zou zijn geweest, zou dit overigens eveneens voor rekening van verdachte komen.

Voor de aanname van deskundige Eikelenboom-Schieveld dat handelingen van de hulpverleners het bij het slachtoffer ontstane letsel kunnen hebben veroorzaakt, zijn in het dossier geen aanknopingspunten gevonden.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de zware mishandeling door verdachte, de dood van het slachtoffer ten gevolg heeft gehad.

5.4 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 juli 2011 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (dissectie van de arteria vertebralis (halswervelslagader) rechts) heeft toegebracht, door opzettelijk

die [slachtoffer] met kracht tegen de nek/hals of tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit de dood voor die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: zware mishandeling, terwijl het feit de dood tengevolge heeft.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich op 10 juli 2011 in discotheek [naam uitgaansgelegenheid] in Rijssen schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsdelict waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn. Zonder dat hiervoor ook maar enige aanleiding bestond heeft verdachte zich bemoeid met een kennelijk in zijn ogen bestaand conflict tussen verdachte [medeverdachte] en het slachtoffer [slachtoffer]. Verdachte is achter [slachtoffer] aangelopen en heeft hem opzettelijk en met grote kracht van achteren geslagen, met als uiteindelijk gevolg het overlijden van [slachtoffer].

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verdachte dat hij de dood van [slachtoffer] niet heeft gewild, maar door zijn toedoen is wel op brute wijze het leven ontnomen aan een jongeman van 20 jaar. De dood van het slachtoffer heeft niet alleen onherstelbaar leed teweeg gebracht bij de nabestaanden, maar ook diepe sporen nagelaten bij de vrienden en bekenden. Zij moeten hun leven weer proberen op te bouwen in de wetenschap dat hieraan iemand blijvend ontbreekt.

Door dit feit is de rechtsorde in hoge mate geschokt. Het heeft zich afgespeeld in een ruimte van een uitgaansgelegenheid waar zich op dat moment meerdere, veelal nog jeugdige bezoekers bevonden. Zij hebben de excessieve en ongecontroleerde actie van verdachte van dichtbij moeten meemaken, alsmede de gevolgen hiervan. Wat is begonnen als een normale uitgaansavond is veranderd in een drama. Dit zal onuitwisbare sporen bij hen hebben nagelaten.

Over verdachte is een rapport uitgebracht door mrs. drs. R.A. Sterk, klinisch psycholoog. Daaruit blijkt dat er bij verdachte geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens heeft bestaan ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Derhalve kan er geen sprake zijn van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. Geadviseerd wordt om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Voor het bewezenverklaarde feit zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dat onder andere tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat er nauwelijks uitspraken zijn te vinden in zaken waarin de omstandigheden vergelijkbaar zijn met deze strafzaak.

De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de afdoening van deze zaak slechts een vrijheidsbenemende sanctie in aanmerking komt. Primair geldt daarbij dat de strafoplegging een vergelding moet zijn voor het leed dat verdachte heeft veroorzaakt. Ook dient met de straf de ernst van het feit en het volstrekt zinloze karakter van zijn handelen tot uitdrukking te worden gebracht. Tenslotte dient van een straf een preventieve werking richting de samenleving uit te gaan. Dit alles overwegende en rekening houdend met de specifieke omstandigheden van deze zaak, neemt de rechtbank als uitgangspunt een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden.

Naast de hiervoor vermelde criteria dient de rechtbank ook de persoonlijke omstandigheden van de dader te betrekken. In dat kader heeft de rechtbank bij het bepalen van de uiteindelijk op te leggen straf het volgende meegewogen. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest en op het moment dat hij het feit pleegde was hij nog relatief jong, te weten achttien jaar. Zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van het door hem begane misdrijf en het onomkeerbare van zijn handelen, houdt de rechtbank ook rekening met de gevolgen die het voor verdachte heeft gehad. Ook verdachte zal na afloop van de straf zijn leven weer moeten opbouwen in de wetenschap dat hij de dood van een ander op zijn geweten heeft.

De rechtbank is van oordeel dat van voormelde vrijheidsstraf nog een deel in voorwaardelijke vorm kan worden opgelegd.

Alles overwegende acht de rechtbank een vrijheidsstraf van twee jaren en zes maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf verbindt de rechtbank verplicht toezicht door de reclassering.

De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis niet opheffen bij einduitspraak. De voorlopige hechtenis is bevolen ter zake van de verdenking van doodslag en verdachte is van dat feit vrijgesproken. De voorlopige hechtenis dient echter te worden gecontinueerd omdat verdachte is veroordeeld voor een feit dat materieel dezelfde gedraging inhoudt als het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

[nabestaande], wonende te [woonplaats] aan [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 12.340,98. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 36f Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder meer subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee (2) jaren en zes (6) maanden, waarvan tien (10) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [nabestaande], voornoemd, van een bedrag van € 12.340,98;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 12.340,98 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 96 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

verzoek opheffing voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. J. Wentink en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en

is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2012.