Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW2525

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
127250 / KG ZA 12-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Scheiding en deling na ontbinding maatschap en nadien uitgesproken faillissement van één van de ex-maten tevens verzoek voeging overige ex-maten in de procedure. Voorziening afgewezen vanwege ontbreken spoedeisendheid. Faillissement kan namelijk nog niet worden afgewikkeld als maatschap niet gescheiden en gedeeld is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 127250 / KG ZA 12-50

datum vonnis: 12 april 2012 (gc)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

mr. A.C. Blankestijn q.q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [X],

kantoorhoudende te Hengelo (O),

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. A.C. Blankestijn te Hengelo (O),

tegen

de naamloze vennootschap

ABN Amro Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J.A. Stal te Amsterdam,

en waarin heeft gevorderd als partij zich te mogen voegen aan de zijde van gedaagde in de hoofdzaak (ABN Amrobank):

de maatschap naar burgerlijk recht

[eiseres in het incident], en haar vennoten

[eiser 1 in het incident], en

[eiseres 2 in het incident],

alle gevestigd respectievelijk wonende te [plsats],

eisers in het incident,

advocaat: mr. A.C. Huisman te Enschede.

Partijen zullen hierna nader worden aangeduid met respectievelijk de curator, [X] (zijnde [X]), ABN Amro, de huidige maatschap en de ouders [eiser 1 en eiseres 2 in het incident].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties aan de zijde van de curator

- de producties aan de zijde van ABN Amro Bank

- de incidentele conclusie tot voeging van de maatschap [eiseres in het incident]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de curator

- de pleitnota van mr. Stal

- de pleitnota van mr. Huisman

1.2 Tenslotte hebben partijen vonnis verzocht

2. De feiten

2.1. [X] is de zoon van [eiser 1 in het incident] en [eiseres 2 in het incident] en per 1 januari 1998 toegetreden tot de maatschap van zijn ouders

2.2. In 1998 is de Wet Herstructurering Varkenshouderij van kracht geworden waardoor de mestproductierechten van de maatschap zijn geconverteerd naar (verhandelbare) varkensrechten.

2.3. De maatschap is feitelijk per 23 juni 2009 gestaakt waarna de ouders en [X] ieder hun eigen weg gingen. Op dat moment waren er nog productie eenheden varkensrechten (650 + 1297) in de maatschap welke een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden.

2.4. Eind 2009 zijn 650 productie-eenheden varkensrechten verkocht, waarbij de opbrengst volledig ten goede aan ABN Amro is gekomen.

2.5 [X] is bij vonnis van de rechtbank Almelo van 10 maart 2010 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van eiser tot curator.

2.6 Medio 2011 zijn resterende productie-eenheden (1297 productie-eenheden) te gelde gemaakt en de volledige opbrengst is ten goede aan ABN Amro gekomen.

3. Het geschil

in de hoofdzaak

Standpunt curator

3.1. De curator vordert – zakelijk samengevat – om ABN Amro bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om te betalen een bedrag van€ 75.954,69 te vermeerderen met nader omschreven rente en met veroordeling van ABN Amro in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2. Kort gezegd stelt de curator daartoe het volgende. [X] maakte met zijn ouders deel uit van de maatschap [eiseres in het incident], welke maatschap is aangegaan per 1 januari 1998. Het betrof een “boerenmaatschap” waarbij de ouders van failliet het boerenbedrijf hebben ingebracht. De maatschap bestond feitelijk uit twee onderdelen, te weten een varkenshouderij en een loonbedrijf. Per 23 juni 2009 is een einde aan de maatschap gekomen, waarna failliet het loonbedrijf heeft voortgezet en zijn ouders de varkenshouderij. Tot het vermogen van de maatschap behoren onder andere zogenaamde varkensrechten. ABN Amro heeft met betrekking tot die rechten een zogeheten “blokkeringsrecht”. Na het uitspreken van het faillissement is het loonbedrijf gestaakt en kort nadien is de varkenshouderij ook gestaakt. Failliet is deelgenoot in de maatschap en heeft, behoudens interne verrekening, recht op één derde van de opbrengst van de activa. In dat verband is er altijd contact geweest tussen de curator en ABN Amro. Laatstgenoemde was er dan ook van op de hoogte dat de curator op grond van artikel 20 Faillissementswet mede gerechtigd was in de varkensrechten. Medio 2011 is het de curator gebleken dat de varkensrechten door de maatschap in juli 2010 zijn verkocht voor een bedrag van € 215.810,00 en dat de volledige opbrengst ten goede is gekomen aan ABN Amro. De curator heeft ABN Amro schriftelijk om opheldering gevraagd en laatstgenoemde heeft de curator laten weten dat zij van mening was dat geen sprake was van juridisch eigendom aan de zijde van [X] en dat om die reden voorbij mocht worden gegaan aan de belangen van de faillissementsboedel. De curator stelt daarover dat de varkensrechten stonden geregistreerd bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische zaken Landbouw en Innovatie op naam van de maatschap [eiseres in het incident]. Die registratie is doorslaggevend voor wat betreft de juridische eigendom. Hierop heeft de curator ABN Amro op de hoogte gesteld van de mede eigendom van [X] en daarbij is ABN Amro gesommeerd om één derde van de opbrengst, vermeerderd met de wettelijke rente aan de curator te voldoen. ABN Amro heeft geen gevolg aan de sommatie gegeven. Gelet op het voorgaande is ABN Amro dan ook bevoordeeld ten opzichte van de andere (faillissements)schuldeisers zonder dat daar een voorrecht en/of preferentie of zekerheidsrecht tegenover staat. De opbrengst van dat actief moet volgens de wettelijke rangorde van schuldeisers worden verdeeld. Dit geldt in ieder geval voor één derde deel van de opbrengst en dat deel dient in de faillissementsboedel te vloeien.

3.4. De curator stelt een spoedeisend belang bij de voorlopige voorziening te hebben. Het betreft een relatief fors bedrag dat ten onrechte niet in de boedel terecht is gekomen en dat ABN Amro onrechtmatig onder zicht houdt. Doordat ABN Amro het bedrag onder zich houdt, wordt de afwikkeling van het faillissement onnodig vertraagd.

Standpunt ABN Amro

4. ABN Amro heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van de curator in de kosten van de onderhavige procedure. Kort gezegd stelt ABN Amro daartoe het volgende. De ouders hebben de onderhavige varkensrechten in economische zin in de maatschap ingebracht en ABN Amro had terzake de overgang van de varkensrechten een zogenaamd blokkaderecht. De maatschap is per 23 juni 2009 geëindigd, althans door de ouders [eiser en eiseres in het incident] voortgezet. Afrekening terzake de voortzetting van de maatschap dan wel verdeling en vereffening van de maatschap heeft nog niet plaatsgevonden. ABN Amro heeft een vordering van ruim € 935.000,00 op de maatschap. De ouders [eiser en eiseres in het incident] hebben de varkensrechten op 7 mei 2010 onderhands verkocht voor een bedrag van € 215.810,00 en op voorwaarde dat dit bedrag aan ABN Amro zou toekomen, heeft deze haar blokkaderecht doorgehaald. Het is nog maar de vraag of de registratie bij de Dienst Regelingen voor de juridische gerechtigdheid tot die varkensrechten van doorslaggevend belang is. Artikel 25 Meststoffenwet bepaalt alleen dat een productierecht – zoals bijvoorbeeld een varkensrecht – onder welke titel dan ook kan overgaan naar een ander bedrijf. De varkensrechten bevonden zich – door de economische inbreng van de ouders [eiser en eiseres in het incident] – in het bedrijf dat werd uitgeoefend door de maatschap [ eiseres in het incident] en die stond als zodanig kennelijk bij de Dienst Regelingen geregistreerd, met vermelding van de drie toenmalige maten. Als een maatschap van samenstelling wijzigt, dan heeft dat geen gevolgen voor de registratie van het bedrijf, wel voor de (juridische) rechthebbenden en dat zijn de ouders [eiser en eiseres in het incident]. Van belang is dat het bedrijf over de rechten beschikt en dat zegt niets over de juridische gerechtigdheid van de individuele maten. Daarvoor is de onderlinge verhouding van partijen van belang en gelet op de inhoud van de maatschapsakte staat wel vast dat de juridische eigendom van de varkensrechten aan de ouders [eiser en eiseres in het in incident] toebehoort. Zij hebben de varkensrechten alleen in economische zin in de maatschap ingebracht. De stelling van de curator dat [X] medegerechtigd is de varkensrechten is dan ook onjuist. Hetzelfde speelt bij het onroerend goed. Dat onroerend goed is ook in economische zin in de maatschap ingebracht, maar de juridische eigendom berust bij vader [eiser 1 in het incident]. [X] was noch is medegerechtigd in de varkensrechten of het onroerend goed.

4.1. ABN Amro voert aan dat zij bij toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening, een enorm restitutierisico loopt. Als de curator over het geld kan beschikken, dan zal hij het faillissement afwikkelen, althans het geld aanwenden om allerhande (boedel)verplichtingen te voldoen en ABN Amro loopt dan het risico met een lege boedel te worden geconfronteerd. Daar staat tegenover dat de boedel geen enkel risico loopt bij het voortzetten van deze rechtsstrijd. ABN Amro is immers goed voor haar geld.

4.2. Tot slot stelt ABN Amro dat een spoedeisend belang aan de gevorderde voorlopige voorziening ontbreekt omdat nog geen afrekening van de maatschap bij voortzetting door de ouders [eiser en eiseres in het incident], dan wel verdeling en vereffening van de maatschap heeft plaatsgevonden. Daartoe is nog geen initiatief genomen. Bovendien blijkt uit het meest recente verslag van de curator, dat hij de hiervoor genoemde afwikkeling wel wil afwachten.

Standpunt huidige maatschap

5. De huidige maatschap heeft eveneens verweer gevoerd en afwijzing van de gevraagde voorlopige voorziening gevorderd met veroordeling van de curator in kosten van deze procedure. Daartoe stelt de huidige maatschap dat de curator zich van meet af aan opstelt als curator van de maatschap, maar daarbij miskent de curator dat het faillissement van [X] niet het faillissement van de na 23 juni 2009 voortgezette maatschap betekent. Uit de maatschapsakte volgt dat de overige maten de maatschap voortzetten. De curator stelt verder ten onrechte dat de varkensrechten mede eigendom waren van [X]. Die stelling baseert de curator op de registratie van die rechten bij de Dienst Regelingen. Bedoelde rechten stonden weliswaar geregistreerd ten name van de maatschap [eiseres in het incident], maar dat zegt niets over de eigendomsvraag. De registratie is slechts van belang om een moment van overdracht te bepalen en vermeldt de gebruiker van de rechten. Ook al zou de registratie een indicatie zijn voor de eigendom en ook al zouden de rechten ten name van [X] staan geregistreerd, dan kan de curator niet stellen dat [X] daarop voor een derde is gerechtigd. Uit de maatschapsakte blijkt immers dat de maatschap economisch eigenaar van de rechten is en dat de juridische eigendom bij de huidige maatschap ligt. De rechten zijn (voorbehouden) juridisch eigendom van de ouders [eiser en eiseres in het incident] Bovendien wordt de waarde van de rechten bij verdeling op nihil gewaardeerd. De curator kan dus niet volhouden dat ABN Amro een bedrag onder zich houdt dat aan de boedel toekomt. Bedoelde rechten hebben nooit (juridisch noch economisch) aan [X] toebehoord en dus kan hem de opbrengst niet toekomen.

5.1. Verder stelt de huidige maatschap [eiseres in het incident] dat de curator geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Hij hoeft immers niet te vrezen, dat ABN Amro bij een veroordelend vonnis in een bodemprocedure niet zal kunnen nakomen. Het spoedeisend belang kan er slechts in zijn gelegen dat de curator een boedelactief krijgt om een bodemprocedure te kunnen voeren, waardoor het restitutierisico van ABN Amrobank – en dus ook voor de huidige maatschap – onaanvaardbaar groot wordt. Wordt de curator immers in een bodemprocedure veroordeeld het thans toe te wijzen bedrag te restitueren, dan bestaat de aanzienlijke kans dat de curator daartoe niet in staat zal blijken in zal slagen omdat het boedelactief aan hoger gerangschikte crediteuren is of zal worden uitgekeerd.

6. de beoordeling

In het incident

6.1. De ouders en [X] zijn met ingang van 1 januari 1998 een maatschap aangegaan. Aan die maatschap is per 23 juni 2009 een einde gekomen, waarna de ouders [eiser en eiseres in het incident] de varkenshouderij hebben voortgezet. Het maatschapsvermogen per 23 juni 2009 moet worden gescheiden en gedeeld. De huidige maatschap vordert voeging in de procedure omdat als de vordering van de curator, strekkende tot betaling van enig bedrag door ABN Amro aan de curator vanwege het vermeende aandeel van [X] in de opbrengst van de varkensrechten, zal worden toegewezen, ABN Amro het aan de curator te betalen gedeelte van de ontvangen koopsom op de voortgezette huidige maatschap zal verhalen. De huidige maatschap (en haar vennoten) heeft dan ook een evident belang bij haar verzoek tot voeging opdat de door de curator jegens ABN Amro ingestelde vordering wordt afgewezen. De huidige maatschap vordert dan ook zich te mogen voegen aan de zijde van ABN Amro in het tussen de curator en ABN Amro aanhangige kort geding, teneinde met ABN Amro de ingestelde eis te bestrijden. Mr. Blankestijn en mr. Stal hebben desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen het door de Maatschap [eiseres in het incident] gedane verzoek tot voeging aan de zijde van gedaagde.

6.2. Ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de huidige maatschap een belang heeft om zich te scharen aan de zijde van ABN Amro. Daarnaast hebben de curator en ABN Amro te kennen gegeven geen bezwaren tegen de verzochte voeging te hebben. De incidentele vordering is, als zijnde ook overigens op de wet gegrond, voor toewijzing vatbaar en de huidige maatschap zal worden toegestaan om zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van ABN Amro.

6.3. De voorzieningenrechter zal de kosten in het incident compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

in de hoofdzaak

6.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang aan de gevorderde voorlopige voorziening ontbreekt. Daartoe wordt het navolgende overwogen. De ouders [eiser en eiseres in het incident] en [X] zijn met ingang van 1 januari 1998 een maatschap aangegaan en aan die maatschap is per 23 juni 2009 een einde gekomen. Het maatschapsvermogen per 23 juni 2009 moet worden gescheiden en gedeeld, hetgeen tot nu toe nog niet is geschied. Partijen hebben ter terechtzitting verklaard en zijn het er ook over eens, dat het nog geruime tijd zal duren voordat voornoemde scheiding en deling van de maatschap zal zijn geëffectueerd. Er is ook discussie over het onroerend goed en de verkoop van dat onroerend goed zal, zoals het er naar uitziet, nog wel geruime tijd in beslag nemen. De curator wacht met de afwikkeling van het faillissement tot de scheiding en deling van (het vermogen van) de maatschap heeft plaatsgevonden omdat dat (mede) van belang is voor de financiële positie van [X]. Het is dan ook meer dan waarschijnlijk dat de afwikkeling van het faillissement nog geruime tijd in beslag zal nemen. De afwikkeling van het faillissement wordt dan ook niet onnodig vertraagd en daarmee ontvalt het spoedeisend belang aan de gevorderde voorlopige voorziening.

Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel, dat bij toewijzing van het gevorderde sprake is van een aanzienlijk restitutierisico aan de zijde van ABN Amro. Toewijzing houdt immers in, dat het bedrag in de boedel zal vloeien en vervolgens allereerst zal worden aangewend voor betaling van hoger gerangschikte vorderingen waarbij ABN Amro het risico loopt dat zij wordt geconfronteerd met een lege boedel. Een dergelijk risico speelt niet in het geval dat ABN Amro bedoeld bedrag onder zich houdt. Bij toewijzing van de vordering van de curator in een bodemprocedure moet ABN Amro in staat worden geacht, bedoeld bedrag te betalen. Nu de voorzieningenrechter van oordeel is, dat het spoedeisend belang aan de gevorderde voorlopige voorziening ontbreekt komt hij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige geschil.

6.5. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de onderhavige procedure worden veroordeeld.

6.6. De huidige maatschap [eiseres in het incident] heeft verzocht de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. ABN Amro heeft dat niet verzocht. Gelet daarop zal alleen ten aanzien van de huidige maatschap de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6.7. Al hetgeen voor het overige naar voren is gebracht behoeft geen nadere bespreking.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in het incident

I. Staat de (huidige) Maatschap [eiseres in het incident] en haar vennoten [eiser en eiseres in het incident] toe om zich in de onderhavige voorlopige voorziening te voegen aan de zijde van de ABN Amrobank N.V.;

II. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

III. Wijst af de gevorderde voorlopige voorziening;

IV. Veroordeelt de curator in de proceskosten, tot op heden begroot, aan de zijde van de ABN Amrobank op € 2.605,00 en aan de zijde van de (huidige) maatschap [eiseres in het incident] en haar vennoten [eiser en eiseres in het incident] op € 2.605,00;

V. Verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling ten aanzien van de (huidige) Maatschap [eiseres in het incident]en haar vennoten [eiser en eiseres in het incident] uitvoerbaar bij voorraad;

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.