Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW1493

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
08/700120-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer zodanig hard te schudden en/of op andere wijze geweld heeft toegepast, dat hij daardoor ernstig hersenletsel heeft opgelopen, in comateuze toestand is geraakt en op 31 maart 2012 is overleden.

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van drie jaar en zes maanden. Hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte, mede om herhaling te voorkomen, gebaat is bij hulp voor haar persoonlijkheidsproblematiek, ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld een behandelverplichting als bijzondere voorwaarde, nu verdachte iedere betrokkenheid ontkent en de reclassering daartoe (om die reden) ook niet heeft geadviseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/700120-11

Datum vonnis: 3 april 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in de PI Overijssel, PIV Zwolle te Zwolle.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 september 2011, 20 december 2011, 14 februari 2012 en 20 maart 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van wat door de verdachte en haar raadsman mr. R. Kaya, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: haar kind heeft gedood, of

subsidiair: haar kind zo zwaar heeft mishandeld, dat het is overleden, of

meer subsidiair: haar kind heeft mishandeld, waardoor het is overleden, of

nog meer subsidiair: zo roekeloos met haar kind is omgegaan, dat het daardoor is overleden, of

meest subsidiair: zo onvoorzichtig met haar kind is omgegaan, dat het daardoor is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging – na wijziging/aanvulling – aan de verdachte, dat:

zij op of omstreeks 23 maart 2011,

te [woonplaats] in de [gemeente],

opzettelijk een kind, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte toen en daar met dat opzet meermalen, althans eenmaal,

(het hoofd van) die [slachtoffer] hevig en/of met kracht (door elkaar) geschud,

en/of al dan niet met een voorwerp tegen (het hoofd van) die [slachtoffer] geslagen

of gestompt en/of (met) (het hoofd van) die [slachtoffer] tegen een vast voorwerp

gestoten en/of (met kracht en/of snelheid) tegen een vast voorwerp geduwd

en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast voorwerp laten vallen

en/althans dusdanig/enig geweld op (het hoofd van) die [slachtoffer] uitgeoefend,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 23 maart 2011,

te [woonplaats] in de gemeente [gemeente],

aan haar, verdachte's, kind, althans aan een kind, genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een subduraal hematoom

en/althans (andere) hersenschade), heeft toegebracht, door toen en daar

opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (het hoofd van) die [slachtoffer] hevig

en/of met kracht (door elkaar) te schudden, en/of al dan niet met een voorwerp

tegen (het hoofd van) die [slachtoffer] te slaan of te stompen en/of (met) (het

hoofd van) die [slachtoffer] tegen een vast voorwerp te stoten en/of (met kracht

en/of snelheid) tegen een vast voorwerp te duwen en/of (met kracht en/of

snelheid) op/tegen een vast voorwerp te laten vallen en/althans dusdanig/enig

geweld op (het hoofd van) die [slachtoffer] uit te oefenen, terwijl het feit de dood

tengevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 23 maart 2011,

te [woonplaats] in de gemeente [gemeente],

opzettelijk heeft mishandeld haar, verdachte's, kind, althans een kind,

genaamd [slachtoffer],

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

(het hoofd van) die [slachtoffer] hevig en/of met kracht (door elkaar) geschud,

en/of al dan niet met een voorwerp tegen (het hoofd van) die [slachtoffer] geslagen

of gestompt en/of (met) (het hoofd van) die [slachtoffer] tegen een vast voorwerp

gestoten en/of (met kracht en/of snelheid) tegen een vast voorwerp geduwd

en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast voorwerp laten vallen

en/althans dusdanig/enig geweld op (het hoofd van) die [slachtoffer] uitgeoefend,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 23 maart 2011,

te [woonplaats] in de gemeente [gemeente],

door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, meermalen, althans eenmaal, (het hoofd van) een kind genaamd

[slachtoffer] hevig en/of met kracht (door elkaar) te schudden, en/of al dan niet

met een voorwerp tegen (het hoofd van) die, althans een kind genaamd, [slachtoffer]

te slaan of te stompen en/of (met) (het hoofd van) die, althans een kind

genaamd, [slachtoffer] tegen een vast voorwerp te stoten en/of (met kracht en/of

snelheid) tegen een vast voorwerp te duwen en/of (met kracht en/of snelheid)

op/tegen een vast voorwerp te laten vallen en/althans dusdanig/enig geweld op

(het hoofd van) die, althans een kind genaamd, [slachtoffer] uit te oefenen,

waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer], althans dat

kind, zodanig letsel, te weten een subduraal hematoom en/althans (andere)

hersenschade, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEEST SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 23 maart 2011,

te [woonplaats] in de gemeente [gemeente],

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

meermalen, althans eenmaal, (het hoofd van) een kind genaamd [slachtoffer] hevig

en/of met kracht (door elkaar) te schudden, en/of al dan niet met een voorwerp

tegen (het hoofd van) die, althans een kind genaamd, [slachtoffer] te slaan of te

stompen en/of (met) (het hoofd van) die, althans een kind genaamd, [slachtoffer]

tegen een vast voorwerp te stoten en/of (met kracht en/of snelheid) tegen een

vast voorwerp te duwen en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast

voorwerp te laten vallen en/althans dusdanig/enig geweld op (het hoofd van)

die, althans een kind genaamd, [slachtoffer] uit te oefenen, waardoor het aan haar

schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer], althans dat kind, zodanig letsel,

te weten een subduraal hematoom en/althans (andere) hersenschade, heeft

bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van het voorarrest.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen .

Verdachte heeft op 23 maart 2011 in [woonplaats] een 112-melding gedaan dat haar zoontje [slachtoffer] van bijna twee maanden oud niet meer ademde . Kort na deze melding arriveerden zogenaamde AED’ers (lekenhulpverleners) die begonnen met het reanimeren van [slachtoffer]. De kort daarna gearriveerde ambulancebroeders constateerden dat [slachtoffer] verwondingen had en brachten hem met spoed naar het ziekenhuis te Almelo . Daar werd een hersenbloeding geconstateerd . [slachtoffer] werd in comateuze toestand overgebracht naar het academisch ziekenhuis in Groningen waar hij aan de beademing werd gelegd . Nadat er op een hersenfilm (EEG) zeer weinig hersenactiviteit zichtbaar was, is op 30 maart 2011 de beademingsbuis verwijderd. [slachtoffer] is op 31 maart 2011 overleden .

Tijdens de sectie op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies en bloeduitstortingen op het netvlies van beide ogen vastgesteld. Volgens de arts-patholoog zijn deze letsels bij leven ontstaan door inwerking van heftig uitwendig mechanisch geweld, zoals door heftig schudden kan ontstaan, al dan niet in combinatie met botsende geweldsinwerking (impact) op het hoofd .

Haar conclusie is, dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van inwerking van heftig uitwendig mechanisch geweld op het hoofd .

Op 5 september 2011 heeft een forensisch arts van het Nederlands Forensisch Instituut een forensisch-medisch rapport opgesteld waarin hij concludeert dat de combinatie van bevindingen (fataal hersenletsel met een bloeding onder het harde hersenvlies en netvliesbloedingen) veel waarschijnlijker het gevolg is van menselijk handelen, specifiek van een contacttrauma, van schudden of van een combinatie van beide, dan het gevolg van een ongeval of ongeluk. Volgens deze arts kan de val van het hoofd van [slachtoffer] uit zijn moeders arm tegen de rand van de bank (wat volgens verdachte is voorgevallen), niet geleid hebben tot deze combinatie van bevindingen .

5.2 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de acuut ontstane klinische noodsituatie (bewusteloosheid en het niet ademen) van [slachtoffer] op 23 maart 2011 is veroorzaakt door hersenletsel, zoals is geconstateerd door de patholoog A. Maes en dr. Karst van het NFI. Deze deskundigen concluderen, aldus de officier van justitie, dat het hersenletsel zeer waarschijnlijk moet zijn ontstaan door een contacttrauma, van krachtig schudden of een combinatie daarvan. [slachtoffer] was een normaal functionerende, gezonde baby en volgens de vader, die [slachtoffer] de ochtend voor de ziekenhuisopname de fles heeft gegeven, was er toen niets met [slachtoffer] aan de hand. Daarnaast stelt de deskundige dat de klinische verschijnselen intreden kort na (orde grootte van seconden) het (contact)trauma. Aangezien verdachte, toen de alarmerende klinische verschijnselen zich voordeden en een korte tijdspanne voordien, alleen met [slachtoffer] in de woning was, is volgens de officier van justitie uit te sluiten dat iemand anders dan zij dat letsel heeft toegebracht. Uit de gedragingen van verdachte valt volgens de officier van justitie af te leiden dat zij op die dag wanhopig en boos was, wat uiteindelijk heeft geleid tot gewelddadige handelingen ten opzichte van [slachtoffer]. Aanwijzingen voor zijn stellingen ziet de officier van justitie in uitingen van verdachte via Hyves over haar wanhoop door het in haar ogen problematische drinkgedrag van [slachtoffer] en was zij panisch en woedend over een brief van Bureau Jeugdzorg die op 23 maart 2011 bij haar bezorgd werd en waarin een onderzoek naar de situatie rond [slachtoffer] werd aangekondigd. Ook is uit onderzoek van de bij verdachte in gebruik zijnde computer vastgesteld dat zij een internetsite getiteld: “ik sla mijn kind.nl” heeft geraadpleegd. De officier van justitie komt tot de conclusie dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman is de verdenking tegen verdachte gebaseerd op veronderstellingen en kan de medisch vastgestelde doodsoorzaak van [slachtoffer] niet leiden tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Dat verdachte weinig emoties toont en soms een afstandelijke indruk maakt, heeft volgens de raadsman te maken met haar problematische verleden, waarin zij uit zelfbescherming geleerd heeft om haar emoties te onderdrukken, wat onder meer tot uiting kwam toen [slachtoffer] gereanimeerd werd. Haar afstandelijkheid heeft echter geenszins invloed gehad op haar omgang met [slachtoffer], aldus de verdediging. Verdachtes omgeving was positief over de wijze waarop verdachte [slachtoffer] verzorgde: zowel professionele hulpverleners, te weten de kraamverzorgster en een jeugdgezondheidsverpleegkundige, als de vader van [slachtoffer] en diens familie was te spreken over de liefdevolle en zorgzame behandeling van [slachtoffer] door verdachte.

De doodsoorzaak van [slachtoffer] kan volgens de raadsman ook verklaard worden uit andere oorzaken dan door uitwendig geweld op het hoofd, namelijk:

- Aan [slachtoffer] werd vitamine K toegediend om de stolling van het bloed te verbeteren; door verminderde stolling van het bloed kan een gering letsel van het hoofd al leiden tot een subdurale bloeding;

- Deze bloeding is volgens de deskundigen circa twee weken voor het overlijden van [slachtoffer] ontstaan, zodat niet uit te sluiten is dat iemand anders dan verdachte het letstel heeft toegebracht, waarbij de val uit de armen van verdachte op de leuning van de bank de al bestaande bloeding heeft versterkt;

- Uit onderzoek blijkt dat enkel onvoldoende toevoer van zuurstof naar de hersenen kan leiden tot een bloeding onder het harde hersenvlies, zodat niet vaststaat dat het letsel van [slachtoffer] is ontstaan door schudden/een trauma;

- Er zijn geen vingerafdrukken of letsel aan hals- en/of nekspieren geconstateerd, wat wel typerend is bij het hard schudden van een baby;

- [slachtoffer] is overleden nadat de kunstmatige beademing werd beëindigd, wat niet de beslissing van verdachte was.

De raadsman concludeert op grond van het voorgaande dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich aan het tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt, zodat zij dient te worden vrijgesproken.

Hij is overigens van mening dat de politie tijdens het verhoor van verdachte teveel pressie op haar heeft uitgeoefend en vraagt de rechtbank zich daarover uit te laten.

Indien verdachte zou worden veroordeeld, stelt de verdediging dat verdachte ten tijde van het gebeuren ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

5.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank baseert de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] op de bevindingen van de deskundigen, zoals neergelegd in het op 5 september 2011 uitgebrachte deskundigenrapport van forensisch arts dr. W.A. Karst en dat van het op 23 september 2011 uitgebrachte “Pathologie-onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood”, opgesteld door dr. A. Maes, arts en patholoog. Tevens betrekt de rechtbank de verklaring van dr. Karst voornoemd, gehoord als deskundige ter terechtzitting van 20 maart 2012, bij die beoordeling. De rechtbank stelt tegenover de conclusies van deze deskundigen de scenario’s die de verdediging omtrent de (mogelijke) oorzaken van [slachtoffer]s overlijden naar voren heeft gebracht.

Dr. Maes, die het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 31 maart 2011 onderzocht, heeft bij sectie een normaal ontwikkeld, goed verzorgd en goed gevoed jongetje gezien, zonder aangeboren misvormingen of afwijkingen. Bij sectie en neuropathologisch onderzoek werd – zoals onder “vaststaande feiten” reeds is gemeld – een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies vastgesteld. Overigens meldt het rapport het volgende: “Volgens de neuropatholoog was deze bloeduitstorting enkele dagen oud met recente re-bloeding. Daarnaast werden bloeduitstortingen in de netvliezen van beide oogbollen vastgesteld (sub C3), volgens de oogpatholoog 3 tot 5 dagen oud. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van heftig uitwendig mechanisch geweld, zoals door heftig schudden (acceleratie-deceleratie ofwel niet accidenteel trauma) kan ontstaan, al dan niet in combinatie met botsende geweldsinwerking (impact) op het hoofd. Hierdoor zijn verwikkelingen ontstaan, waaronder zuurstofgebrek (sub C2), met als gevolg hersenfunctiestoornissen door zuurstofgebrek en longstoornissen door dubbelzijdige longontsteking (sub B5), waarmee het intreden van de dood wordt verklaard.”

In genoemd rapport van dr. Karst geeft hij op de volgende schriftelijke vraag van forensisch arts van de GGD Regio Twente, dhr. R.C.A. Santing: Acht u het mogelijk dat de letsels van [slachtoffer] zijn ontstaan door uitwendig geweld? – het volgende antwoord:

“De rapporteur concludeert dat de combinatie van bevindingen (fataal hersenletsel met een bloeding onder het harde hersenvlies en netvliesbloedingen) veel waarschijnlijker is bij een niet-accidentele toedracht (het gevolg van menselijk handelen, specifiek van een contacttrauma, van schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of van een combinatie van beide) dan bij een (al dan niet gemelde) accidentele toedracht (het gevolg van een ongeval of ongeluk). De beschreven val van het hoofd van [slachtoffer] uit zijn moeders arm tegen de rand van de bank kan, gezien de beperkte valhoogte, niet geleid hebben tot de beschreven combinatie van bevindingen.”

Ter zitting heeft dr. Karst verklaard nog steeds achter zijn rapport te staan. Hij heeft zijn rapport toegelicht, waarbij hij onder meer verklaarde – zakelijk weergegeven – dat een netvliesbloeding en een bloeding onder het harde hersenvlies aanwijzingen geven over de wijze waarop hersenletsel is ontstaan. Bij geweldsinwerking van buiten af – aldus dr. Karst – is voorstelbaar dat de grote afvoerbloedvaten scheuren, terwijl zich netvliesbloedingen voordoen. Dat kan voorkomen bij het schudden van een baby, of bij botsend geweld. Dergelijk letstel kan volgens dr. Karst niet ontstaan door een val van bijvoorbeeld een commode. Op de vraag of er alternatieve oorzaken kunnen zijn die tot een [slachtoffer]s letsel hebben kunnen leiden antwoordde Karst, dat hij daarvoor in zijn onderzoek geen aanwijzingen heeft gevonden. Op de vraag van de raadsman of zuurstoftekort, mogelijk ontstaan door de longontsteking van [slachtoffer], tot hersenletsel kan leiden, antwoordde Karst dat het weliswaar niet uitgesloten is, maar niet aannemelijk. Zuurstoftekort kan volgens hem echter niet leiden tot de bij [slachtoffer] geconstateerde bloeding onder het harde hersenvlies. Dat [slachtoffer] eerder hersenbloedingen heeft gehad, sluit dr. Karst niet uit, maar de acute klinische verschijnselen, zoals bewusteloosheid en ademstilstand, moeten seconden na een traumatisch incident zijn ontstaan. Deze conclusie baseert hij op diverse wetenschappelijke onderzoeken, die dr. Karst in zijn rapport met bronvermelding heeft opgenomen.

Uit de hiervoor genoemde en geciteerde conclusies van de rapporteurs leidt de rechtbank het volgende af:

- [slachtoffer] is overleden aan zuurstofgebrek, dat is ontstaan door ernstig hersenletsel met een bloeding onder het harde hersenvlies en netvliesbloedingen;

- Seconden voor zijn acute ademnood was [slachtoffer] het slachtoffer van een traumatisch incident, waarbij hij hevig is geschud en/of onderhevig was aan een botsend incident;

- Een val van de arm van zijn moeder op de leuning van de bank kan niet hebben geleid tot genoemd letsel.

De these van de raadsman dat mogelijk een ander verantwoordelijk is voor het trauma dat [slachtoffer] heeft opgelopen, is door de tijdspanne, die tussen dat trauma en de acute ademnood die tot [slachtoffer]s ziekenhuisopname heeft geleid, niet aannemelijk geworden. De vader heeft [slachtoffer] die ochtend nog de fles gegeven en hij heeft geen letsel bij zijn zoontje geconstateerd. Daarna is verdachte alleen met [slachtoffer] geweest en ontstond de acute ademnood.

Het leidt tot de conclusie dat verdachte [slachtoffer] kort voor de acute noodsituatie hevig heeft geschud en/of op andere wijze gewelddadig heeft bejegend. De rechtbank acht het

een feit van algemene bekendheid dat een baby van drie maanden kwetsbaar is, met name het hoofdje en de nek, en dat in de omgang met een baby uiterste behoedzaamheid geboden is. Door [slachtoffer] met kracht te schudden en/of op andere wijze gewelddadig te bejegenen, heeft zij evident in strijd met deze voorzichtigheid gehandeld. Deze gedraging ten opzichte van een zeer kwetsbare baby van de leeftijd van [slachtoffer], is naar het oordeel van de rechtbank zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte hiermee de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] heeft aanvaard. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Op grond van wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank daarom wettig en overtuigen bewezen dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door genoemd geweld op hem uit te oefenen.

De stelling dat de verhorende verbalisanten teveel pressie hebben uitgeoefend op verdachte snijdt naar het oordeel van de rechtbank geen hout. Het is niet ongebruikelijk om tijdens het verhoor van een verdachte enige pressie uit te oefenen: als dat binnen redelijke grenzen blijft, is dat niet verwerpelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte op onoirbare wijze is verhoord. Bovendien heeft verdachte steeds volhard in haar stelling dat zij niet verantwoordelijk was voor het overlijden van [slachtoffer].

5.4 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 23 maart 2011 te [woonplaats] in de gemeente [gemeente], opzettelijk een kind, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte toen en daar met dat opzet het hoofd van die [slachtoffer] hevig en met kracht geschud, althans dusdanig geweld op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 287 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Primair het misdrijf: doodslag.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

Aangezien verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbaar feit en dat deskundigen daarom niets kunnen zeggen over haar toerekeningsvatbaarheid, gaat de officier van justitie uit van volledige toerekeningsvatbaarheid.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde ontoerekeningsvatbaar was, welke stelling hij niet nader heeft onderbouwd.

De conclusie van de rechtbank

In het op 17 juni 2011 over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies stelt de reclasseringswerker mevr. J. de Jong-Stoel onder meer dat de jeugd van verdachte wordt gekenmerkt door negatieve gebeurtenissen, waarbij verdachte het slachtoffer is geworden van lichamelijk en seksueel misbruik door haar stiefvader. Haar moeder overleed vrij jong aan kanker en haar biologische vader had een alcoholprobleem en speelde geen rol in haar vroege jeugd. Haar puberteit wordt gekenmerkt door verkeerde partnerkeuzes, waar huiselijk geweld ook aan de orde was. De basis van verdachte wordt als instabiel gekenmerkt en vanuit dit standpunt is, aldus rapporteur, niet ondenkbaar dat betrokkene over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikt. Op 12 september 2011 is een door de psychiater drs. L.P. Heinsman een rapport over verdachte uitgebracht, waarin hij tot de conclusie komt dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (NAO) met borderline, afhankelijke en ontwijkende trekken, die ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezig waren.

Aangezien verdachte ontkent dat zij zich aan het tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt kan er in beginsel geen uitspraak kon worden gedaan over haar toerekeningsvatbaarheid. Niettemin ziet de rechtbank in de door de reclassering beschreven, zeer problematische jeugd van verdachte en wat drs. Heinsman heeft opgemerkt over haar geestvermogens en persoonlijkheid, aanleiding om verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de strafmaat is reeds uiteengezet onder punt 3.

De raadsman heeft zich over een eventuele straf niet uitgelaten.

De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door [slachtoffer] zodanig hard te schudden en/of op andere wijze geweld heeft toegepast, dat hij daardoor ernstig hersenletsel heeft opgelopen, in comateuze toestand is geraakt en op 31 maart 2012 is overleden. Verdachte heeft door haar onbeheerste handelen [slachtoffer] het meest elementaire recht, te weten het recht op leven, ontnomen en intens verdriet veroorzaakt bij de vader en de naaste familie van [slachtoffer]. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij haar zeer jonge en weerloze kind, dat voor zijn welzijn volledig van verdachte afhankelijk was, niet de geborgenheid en veiligheid heeft geboden die [slachtoffer] nodig had.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de ernst van het onderhavige feit met zich dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan vrijheidsbenemende straf.

Bij de strafbepaling weegt de rechtbank tevens mee dat verdachte geen justitiële documentatie heeft. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat ook verdachte is geconfronteerd met de dood van haar zoontje en dat verdachte dit verlies en haar aandeel daarin, haar verdere leven met zich zal moeten meedragen. Tenslotte houdt de rechtbank – zoals onder 7. is overwogen – er rekening mee dat verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar is.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van drie jaar en zes maanden. Hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte, mede om herhaling te voorkomen, gebaat is bij hulp voor haar persoonlijkheidsproblematiek, ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld een behandelverplichting als bijzondere voorwaarde, nu verdachte iedere betrokkenheid ontkent en de reclassering daartoe (om die reden) ook niet heeft geadviseerd.

11. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10 en 27 Sr.

12. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bloebaum, voorzitter, mr. M. Melaard en

mr. N.R. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.