Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW0844

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
08-770011-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als 68-jarige bestuurder van een personenauto op de autosnelwegen A35 en A1 gereden op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer en daar een drietal verkeersongevallen op de autosnelweg veroorzaakt waardoor schade is ontstaan aan een drietal auto’s van degenen die door verdachte zijn aangereden. Verdachte heeft op de avond van 23 december 2010 vanuit zijn woonplaats Almelo en ter plaatse bekend, de verkeerde rijbaan van de autosnelweg, namelijk die voor tegemoetkomend verkeer, genomen en is gaan spookrijden op de A35 en vervolgens op de A1.

Verdachte wordt veroordeeld terzake zowel het gevaar veroorzaken op de weg, rijden onder invloed en het verlaten van de plaats van het ongeval. Rechtbank veroordeeld verdachte tot een werkstraf van 180 uur waarvan 140 uur voorwaardelijk met bijzondere voorwaarde toezicht vd reclassering en een rijontzegging voor de duur van (totaal) 24 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/770011-11

Datum vonnis: 3 april 2012

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1942] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 augustus 2011 en 20 maart 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. Th. Geerdink, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: als bestuurder van een personenauto terwijl hij reed op de rijbaan voor tegemoet komend verkeer en terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat aan zijn schuld te wijten verkeersongevallen hebben plaatsgevonden, waardoor aan twee personen lichamelijk letsel werd toegebracht,

dan wel dat hij

A: als bestuurder onder invloed van alcohol een motorvoertuig heeft bestuurd en

B: als bestuurder van een motorvoertuig gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Feit 2: terwijl hij als bestuurder van een motorvoertuig rijdende op de rijbaan bestemd voor tegemoet komend verkeer betrokken was bij verkeersongevallen, de plaats van die verkeersongevallen heeft verlaten terwijl hij wist of moest vermoeden dat aan anderen letsel en of schade was toegebracht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 23 december 2010 in de gemeente(n) Almelo en/of Borne en/of Hengelo (O) en/of Oldenzaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, terwijl hij (aanmerkelijk) onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat door hem

bestuurde motorrijtuig over de weg(en) de Rijksweg A35 en/of de Rijksweg A1 gereden op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer en/of is verdachte (daarbij) meermalen, althans éénmaal, met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen (een) hem, verdachte, op die weg(en) tegemoetkomend(e) motorrijtuig(en) gebotst of gereden,

motorrijtuig(en) gebotst of gereden, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan (te weten een posttraumatische stress-stoornis en/of (ernstige) psychische klachten en/of een whiplash en/of (frequente) hoofdpijn(en)), terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

A:

hij op of omstreeks 23 december 2010 in de gemeente(n) Almelo en/of Borne en/of Hengelo (O) en/of Oldenzaal als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder

a van de Wegenverkeerswet 1994, 600 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

en/of

B:

hij op of omstrees 23 december 2010 in de gemeente(n) Almelo en/of Borne en/of Hengelo (O) en/of Oldenzaal als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg(en) de Rijksweg A35 en/of de Rijksweg A1, (langdurig) op de rijbaan

bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of (langdurig) tegen het verkeer in gereden heeft gereden en/of (daarbij) meermalen, althans éénmaal, met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen (een) hem, verdachte, op de weg(en) tegemoetkomend(e) motorrijtuig(en) is gebotst of gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 23 december 2010 in de gemeente(n) Almelo en/of Borne en/of Hengelo (O) en/of Oldenzaal als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij (een) verkeersongeval(len) of door wiens gedraging (een) verkeersongeval(len) was/waren veroorzaakt op de Rijksweg A35 en/of de Rijksweg A1, (telkens) de plaats van dat/die

ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len) naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan (een) ander(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]) letsel en/of schade was toegebracht.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht ook als dat inhoudt ambulante behandeling voor de alcoholverslaving en begeleid wonen bij het RIBW en een werkstraf van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis. Daarnaast vordert de officier van justitie voor feit 1 een rijontzegging voor de duur van 3,5 jaar en voor feit 2 een rijontzegging voor de duur van een half jaar.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Aan verdachte is primair de overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 tenlastegelegd, waarbij bewezen dient te worden dat aan een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de normale uitoefening van de bezigheden ontstaat. De vraag is of het door de slachtoffers

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] omschreven letsel, “lichamelijk letsel” als bedoeld in dit artikel is. Het dossier bevat een medische verklaring van dr. Van Heel met daarin een beschrijving van het letsel van mevrouw [slachtoffer 2]. Bij haar is sprake van een

Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Het dossier bevat geen medische verklaring over het letsel van [slachtoffer 1]. Uit het proces verbaal van bevindingen van verbalisant

J. Moraal van 4 maart 2011 blijkt onder andere dat de heer en mevrouw [slachtoffer 1 en 2] fysiotherapie hebben gehad en een psycholoog hebben bezocht. Of dat thans nog zo is, blijkt niet uit het dossier. Verder wordt in genoemd proces verbaal vermeld dat de heer [slachtoffer 1] dagelijks last heeft van hoofdpijn, mogelijk ten gevolge van whiplash klachten. Medische informatie dienaangaande ontbreekt echter. De rechtbank acht gelet het ontbreken van een medische verklaring over het letsel van de heer [slachtoffer 1] niet wettig en overtuigend bewezen dat bij hem sprake is van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW. Ten aanzien van mevrouw [slachtoffer 2] acht de rechtbank evenmin bewezen dat sprake is van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW. Bij mevrouw is PTSS gediagnosticeerd en dit is psychisch letsel. Psychische gevolgen van het verkeersongeval kunnen niet worden gekwalificeerd als (zwaar) lichamelijk letsel en vallen buiten de reikwijdte van artikel 6. Nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat bij voornoemde slachtoffers sprake is van lichamelijk letsel, is de rechtbank van oordeel dat dit bestanddeel niet bewezen kan worden en verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:

A:

hij op 23 december 2010 in de gemeenten Almelo en Borne en Hengelo (O) en Oldenzaal als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 600 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

en

B:

hij op 23 december 2010 in de gemeenten Almelo en Borne en Hengelo (O) en Oldenzaal als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de wegen de Rijksweg A35 en de Rijksweg A1, langdurig op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en langdurig tegen het verkeer in heeft gereden en daarbij meermalen met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een hem, verdachte, op de weg tegemoetkomend motorrijtuig is gereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen werd veroorzaakt en het verkeer op die wegen werd gehinderd;

2.

hij op 23 december 2010 in de gemeenten Almelo en Hengelo (O) als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij verkeersongevallen op de Rijksweg A35 en de Rijksweg A1, telkens de plaats van die ongevallen heeft verlaten, terwijl bij die ongevallen naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan anderen (te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]) schade was toegebracht.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 subsidiair en feit 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 5, 7 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

onder A: het misdrijf: overtreding van artikel 8 lid 2 onder a Wegenverkeerswet 1994;

en onder B: de overtreding: overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994;

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 7 lid 1 onder a Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is door drs. M.N. Brak, GZ-psycholoog, dr. C.J.M. Vredeveld, psychiater, en mevrouw E. Timmerman, reclasseringswerker, onderzocht en zij hebben over hem gerapporteerd in hun rapporten van respectievelijk 15 februari 2012, 28 februari 2012 en

9 februari 2012.

Brak concludeert dat uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren komen voor de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling waaruit zijn handelingen verklaard kunnen worden. Wel is er sprake van verminderde intellectuele vermogens. Dit heeft het gedrag van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Door zijn licht verminderde intellectuele vermogens zijn de tenlastegelegde feiten (indien bewezen) verdachte licht verminderd toe te rekenen.

Vredeveld concludeert dat verdachte lijdt aan een (overigens nog beginnende) alcohol afhankelijkheid met enige aanwijzingen voor een daarop gebaseerd (eveneens nog subtiel) organisch psycho syndroom, verergerd door psychosociale stress (huisvestingsproblemen en financiële beperkingen). Volgens Vredeveld bestond deze situatie ook ten tijde van het tenlastegelegde met daarbij nog de effecten van een op dat moment nog aanwezige alcohol-intoxicatie. Dit beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde ook, omdat verdachte toen onder invloed van alcohol verkeerde en zijn gedrag en oordeelsvorming onder factoren van situatieve belasting en alcoholinvloed stonden. Tevens waren er bemoeilijkende dan wel belastende omstandigheden (weersgesteldheid, veel tegemoetkomend verkeer) die samen met de nadelige alcohol effecten een negatieve invloed hadden op verdachtes rijgedrag, alsook op zijn oordeels- en concentratievermogen. Op grond hiervan is volgens de psychiater verdachte vanuit forensisch oogpunt aan te merken als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en is van oordeel dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft als 68-jarige bestuurder van een personenauto op de autosnelwegen A35 en A1 gereden op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer en daar een drietal verkeersongevallen op de autosnelweg veroorzaakt waardoor schade is ontstaan aan een drietal auto’s van degenen die door verdachte zijn aangereden. Verdachte heeft op de avond van 23 december 2010 vanuit zijn woonplaats Almelo en ter plaatse bekend, de verkeerde rijbaan van de autosnelweg, namelijk die voor tegemoetkomend verkeer, genomen en is gaan spookrijden op de A35 en vervolgens op de A1. Verdachte was op dat moment onder invloed van een forse hoeveelheid alcoholhoudende drank. Hoewel verdachte naar zijn zeggen wel heeft gemerkt dat hij tijdens de rit de auto’s heeft geraakt, is hij toch blijven doorrijden. Zelfs terwijl verdachte door de politie werd geseind om te stoppen, is verdachte blijven doorrijden. Uiteindelijk is verdachte ter hoogte van Oldenzaal gestopt en is verdachte door de politie uit zijn auto gehaald.

Verdachte wordt veroordeeld terzake zowel het gevaar veroorzaken op de weg, rijden onder invloed en het verlaten van de plaats van het ongeval. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Nu geen oriëntatiepunten straftoemeting zijn ontwikkeld voor de bewezen verklaarde feiten, houdt de rechtbank rekening met de straffen die door de rechtbanken en gerechtshoven voor soortgelijke feiten zijn opgelegd.

In het voordeel van verdachte betrekt de rechtbank het gegeven dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. In het nadeel van verdachte weegt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest en hij, blijkens zijn justitiële documentatie, ook in 2010 nog is veroordeeld voor het doorrijden na een aanrijding. Verder heeft verdachte ter terechtzitting ervan blijk gegeven weinig invoelend vermogen te hebben ten aanzien van het tenlastegelgde. Evenmin heeft verdachte spijt betuigd.

Bij het bepalen van de straf betrekt de rechtbank ook dat de deskundigen concluderen dat de kans op herhaling aanwezig is omdat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn patroon van alcoholgebruik. Hierdoor kan verdachte in een zelfde situatie terechtkomen wanneer hij weer de beschikking krijgt over zijn rijbewijs, mede door zijn onverantwoord alcoholgebruik, aldus de psycholoog. Dit wordt onderstreept door mevrouw Timmerman van de reclassering die schrijft dat, hoewel verdachte meer ingebed gaat worden in de zorg waardoor er meer zicht op hem is en doordat zijn begeleider heeft tegengehouden dat verdachte zijn rijbewijs terugkrijgt en hij geen auto meer heeft, de kans op herhaling niet uitgesloten kan worden, nu verdachte veelal zijn eigen weg gaat.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf van na te melden duur op zijn plaats. De rechtbank zal een fors deel van het aantal uren voorwaardelijk opleggen. Niet alleen om verdachte er van te weerhouden soortgelijke strafbare feiten te plegen, maar ook omdat uit voornoemde rapporten naar voren is gekomen dat verdachte meer zorg en begeleiding nodig heeft, waarin zijn huidige begeleider mogelijk niet volledig meer kan voorzien. De deskundigen delen in dit verband hun zorg rondom huisvesting, dagstructuur, drinkgedrag en risicoprognose van verdachte. Door het opleggen van een deels voorwaardelijke werkstraf met daarbij als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering kan dit verdachte ervan weerhouden andermaal onder invloed in een auto te gaan rijden, alsmede kan mogelijk voor een deel worden voorzien in de benodigde hulp, waaronder hulp van Tactus voor de alcoholverslavingsproblematiek van verdachte.

Teneinde verdachte duidelijk te maken dat in de toekomst iedere vorm van onveilig verkeersgedrag vermeden moet worden, acht de rechtbank het passend en geboden hem naast voornoemde werkstraf, een ontzegging van de rijbevoegdheid van aanmerkelijke duur, in totaal 24 maanden, op te leggen.

11. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 176, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

12. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 subsidiair en feit 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair:

onder A: het misdrijf: overtreding van artikel 8 lid 2 onder a Wegenverkeerswet 1994 en

onder B: de overtreding: overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994;

feit 2: het misdrijf: overtreding van artikel 7 lid 1 onder a Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 180 uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen, waarvan 140 uren, subsidiair 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt ambulante behandeling door Tactus Verslavingszorg, voor zover en voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht (zijnde één dag = twee uren), bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

- ten aanzien van feit 1 subsidiair onder A:

ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes (6) maanden en dit met aftrek van de tijd (zijnde vier maanden) dat het rijbewijs ingevorderd is geweest;

- ten aanzien van feit 1 subsidiair onder B:

ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf (12) maanden;

- ten aanzien van feit 2:

ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes (6) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. C. Jordaans, voorzitter, mr. J. Wentink en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.