Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW0497

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
08/996009-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van witwassen en deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/996009-11

Datum vonnis: 30 maart 2012

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 februari 2012, 13 maart 2012 en 16 maart 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.W. Bollen en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 december 2008 tot en met 30 september 2010 samen met anderen van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt;

Feit 2: in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 5 juli 2011 heeft deelgenomen aan een organisatie welke het plegen van misdrijven als oogmerk had.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2008

tot en met 30 september 2010 in de gemeente(n) Wierden en/of Apeldoorn en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of met

een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen al dan niet

een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens):

a. van (een) voorwerp(en), te weten goederen en/of (een) geldbedrag(en) (tot

een totaal van ongeveer EUR 150.500 (zie proces-verbaal hoofdstuk 5) de

werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten goederen en/of (een)

geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp(en), te weten goederen

en/of (een) geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer EUR 150.500),

voorhanden had, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of

middellijk- afkomstig was/waren uit het misdrijf, en/of

b. (een) voorwerp(en), te weten goederen en/of (een) geldbedrag(en) (tot een

totaal) van ongeveer EUR 150.500) verworven, voorhanden gehad, overgedragen

en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten goederen en/of (een)

geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer EUR 150.500), gebruik gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk-

afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

door -zakelijk omschreven ondermeer-:

-(ontvangen omstreeks 13 december 2008) een geldbedrag van EUR 5.000 te

verwerven en/of voorhanden te hebben, en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.1.1.1.1, blz. 431 ev)

-(ontvangen omstreeks 13 februari 2009) twee geldbedragen van elk EUR 2.500 te

verwerven en/of voorhanden te hebben, en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.1.5.2; blz. 463 ev)

-(ontvangen in de periode 04 t/m 10 december 2009) een geldbedrag van EUR 250

en/of een geldbedrag van EUR 2.750 en/of een geldbedrag van EUR 10.000 te

verwerven en/of voorhanden te hebben, en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.1.3.2; blz. 456 ev)

-(ontvangen omstreeks periode van 21 mei 2010 t/m 27 juni 2010) een geldbedrag

van EUR 22.500 en/of een geldbedrag van EUR 15.000 en/of een geldbedrag van

EUR 22.000 te verwerven en/of voorhanden te hebben, en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.2.1.1; blz. 468 ev)

-(ontvangen omstreeks 10 juli 2010) een geldbedrag van EUR 5.000 te verwerven

en/of voorhanden te hebben, en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.2.1.1; blz. 468 ev)

-(ontvangen omstreeks 18 augustus 2010) een geldbedrag van EUR 13.000 te

verwerven en/of voorhanden te hebben, en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.1.2.2; blz. 441)

-(ontvangen omstreeks 27 augustus 2010) een geldbedrag van EUR 50.000 te

verwerven en/of voorhanden te hebben, en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.1.2.2.4; blz. 445 ev)

art 420bis/ter/quater lid 1 ahf/ond a en b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

zij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2008 tot en met 05 juli 2011 in

de gemeente(n) Wierden en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, heeft

deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of [firmanaam 3] en/of S.A. Bedrijfsadvisering BV en/of [firmanaam 4] en/of Emon BV en/of (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder

(voor)namelijk:

-valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht),

-verduistering (artikel 321 Wetboek van Strafrecht),

-oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht),

-flessentrekkerij (artikel 326a Wetboek van Strafrecht),

-bedrieglijke bankbreuk (artikel 341/343 Wetboek van Strafrecht),

-(gewoonte) witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht),

-fiscale delicten (artikel 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd bewezen wordt verklaard en dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf, zijnde een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat door medeverdachte [medeverdachte 1] geldbedragen op de haar naam staande bankrekeningen zijn gestort en doorgeboekt. Nu niet vaststaat dat verdachte wist dat er geldbedragen op de op haar naam staande bankrekeningen waren overgemaakt kon zij naar het oordeel van de rechtbank niet weten en evenmin redelijkerwijs vermoeden dat deze geldbedragen afkomstig waren van misdrijf, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Gezien het dossier en de tenlastelegging is de enige rol die verdachte in een mogelijke criminele organisatie zou kunnen hebben gehad dat verdachte zich heeft beziggehouden met het witwassen van gelden die afkomstig waren uit in georganiseerd verband gepleegde misdrijven. Nu verdachte van het tenlastegelegde witwassen wordt vrijgesproken kan niet worden bewezen dat zij heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven als oogmerk had, zodat verdachte ook van het onder feit 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

6. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. Wentink, voorzitter, mr. Lemain en mr. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2012.