Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW0496

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
08/996006-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van witwassen; vrijspraak van deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/996006-11

Datum vonnis: 30 maart 2012

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1947] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 januari 2012, 13 maart 2012 en 16 maart 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.W. Bollen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 september 2010 samen met anderen van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt;

Feit 2: in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 5 juli 2011 heeft deelgenomen aan een organisatie welke het plegen van misdrijven als oogmerk had.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari 2009

tot en met 30 september 2010 in de gemeente(n) Wierden en/of Apeldoorn en/of

(elders) in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met Emon BV

en/of Innervation Beheer BV en/of [medeverdachte 9] en/of met een ander of

anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte

heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens):

a. van (een) voorwerp(en), te weten goederen en/of (een) geldbedrag(en) (tot

een totaal van ongeveer EUR 193.650 (zie proces-verbaal hoofdstuk 5) de

werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten goederen en/of (een)

geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp(en), te weten goederen

en/of (een) geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer EUR 193.650),

voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of

middellijk- afkomstig was/waren uit het misdrijf, en/of

b. (een) voorwerp(en), te weten goederen en/of (een) geldbedrag(en) (tot een

totaal) van ongeveer EUR 193.650) verworven, voorhanden gehad, overgedragen

en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten goederen en/of (een)

geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer 193.650), gebruik gemaakt, terwijl

hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk-

afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

door -zakelijk omschreven ondermeer-:

-(ontvangen in de periode februari-april 2009) één of meer geldbedragen (EUR

228,98 en/of EUR 297,48 en/of EUR 623,61) te verwerven en/of voorhanden te

hebben (middels Innervation Beheer BV), en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.1.1.1.3, blz. 435 ev)

-(ontvangen in de periode 17-22 februari 2009) een geldbedrag van EUR 22.500

te verwerven en/of voorhanden te hebben (middels Innervation Beheer BV en/of

Emon BV), en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.1.5.2; blz. 463 ev)

-(ontvangen op of omstreeks 26 augustus 2010) een geldbedrag van EUR 100.000

en/of een geldbedrag van EUR 70.000 te verwerven en/of voorhanden te hebben

(middels Emon BV en/of [medeverdachte 9]), en/of

(vindplaats ordner 2, hoofdstuk 3.1.2.2; blz. 441)

art 420bis/ter/quater lid 1 ahf/ond a en b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2008 tot en met 05 juli 2011 in

de gemeente(n) Wierden en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, heeft

deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of[firmanaam 3] en/of S.A. Bedrijfsadvisering BV en/of [firmanam 4] en/of Emon BV en/of (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder

(voor)namelijk:

-valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht),

-verduistering (artikel 321 Wetboek van Strafrecht),

-oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht),

-flessentrekkerij (artikel 326a Wetboek van Strafrecht),

-bedrieglijke bankbreuk (artikel 341/343 Wetboek van Strafrecht),

-(gewoonte) witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht),

-fiscale delicten (artikel 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrech

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen wordt verklaard en dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

4. De voorvragen

4.1 De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat tegen verdachte ten onrechte een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld omdat er op het moment van de start van dat onderzoek geen redelijk vermoeden bestond dat hij zich aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt. Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het bepaalde in artikel 152 Wetboek van Strafvordering is geschonden vanwege het feit dat de Belastingdienst onderzoek heeft ingesteld naar het adres [adres] te [plaats] en daarvan geen proces-verbaal is opgemaakt. Het openbaar ministerie en de FIOD wisten kennelijk dat medeverdachte [verdachte 1] door middel van valse papieren BV’s inschreef op het adres [adres] te [plaats], maar dat is niet terug te vinden in het dossier.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden door bewust met de doorzoeking van het woonadres van verdachte te wachten tot na 1 juli 2011 (datum inwerkingtreding van de verruiming van de mogelijkheden tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel), ondanks het feit dat de rechter-commissaris reeds op 23 mei 2011 een machtiging tot die doorzoeking heeft afgegeven. De verdediging verbindt aan voorgaande de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Het standpunt van de officier van de justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er wel een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit en dat er derhalve terecht een strafrechtelijk vervolging tegen verdachte is ingesteld. In dit verband heeft de officier van justitie aangevoerd dat de naam van verdachte naar voren is gekomen in een onderzoek naar een organisatie die mogelijk de Belastingdienst benadeelde. Verder is de officier van justitie van mening dat er geen schending van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering heeft plaatsgevonden omdat er geen verder onderzoek is gedaan naar het adres [adres] te [plaats] zodat er ook geen proces-verbaal hoefde te worden opgemaakt. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen misbruik is gemaakt van bevoegdheden. Dat de doorzoeking heeft plaatsgevonden na de wetswijziging op 1 juli 2011 is volgens de officier van justitie alleen te toe te schrijven aan het feit dat het een uitgebreid onderzoek betrof en dat de doorzoekingen de nodige voorbereidingstijd hebben gekost.

De beoordeling door de rechtbank

Het redelijke vermoeden

De rechtbank leidt uit het dossier af dat in 2010 een onderzoek is opgestart naar de handelwijze van een organisatie die een werkwijze hanteert welke een financiële benadeling van de Belastingdienst tot gevolg zou hebben. Tijdens dit onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte, via aan hem gelieerde vennootschappen, mogelijk betrokken was bij het plegen van strafbare feiten. Op 11 maart 2011 heeft de officier van justitie besloten het reeds lopende onderzoek uit te breiden en een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar verdachte. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de officier van justitie ten onrechte heeft besloten tot die uitbreiding. Op grond van de aanwijzingen omtrent verdachte, in het licht van de aanwijzingen die er reeds omtrent de handelwijze van de medeverdachten voorhanden waren, kon het redelijke vermoeden ontstaan dat verdachte betrokken was bij het buiten de boedel om innen van debiteuren van [firmanaam 1], welke vennootschap kort daarna failliet is verklaard. Dat er na het besluit van de officier van justitie bewust is geschoven met informatie om het redelijk vermoeden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan strafbare feiten te creëren, is de rechtbank niet gebleken. Voor zover er daarna (CIE) informatie is toegevoegd heeft dat het redelijk vermoeden alleen maar versterkt. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Schending van artikel 152 Wetboek van Strafvordering

Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat er geen proces-verbaal is opgemaakt van het onderzoek dat is ingesteld naar het adres [adres] te [plaats], verwerpt de rechtbank dit verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat het bedoelde onderzoek van de Belastingdienst is verricht door ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat er geen strafrechtelijk onderzoek is ingesteld naar het adres [adres] te plaats], verwerpt de rechtbank dit verweer eveneens. De enkele omstandigheid dat geen strafrechtelijk onderzoek is ingesteld kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, temeer ook omdat verdachte geen aangifte heeft gedaan terzake van mogelijke valsheid in geschrift.

Misbruik van bevoegdheden

De rechtbank is niet gebleken dat de officier van justitie misbruik heeft gemaakt van aan hem toekomende bevoegdheden. Dat er bewust is gewacht met de doorzoeking van het woonadres van verdachte tot na de inwerkingtreding van de verruimde mogelijkheden tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (1 juli 2011) is de rechtbank niet gebleken, zodat de stelling van de verdediging geen doel kan treffen. Ook dit verweer wordt verworpen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1, eerste en tweede gedachtenstreepje en feit 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Feit 1, eerste gedachtenstreepje.

De rechtbank is uit de zich in het dossier bevindende stukken en uit het verhandelde ter zitting niet gebleken dat verdachte er wetenschap van had dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen die op de rekening van Innervation Beheer BV werden gestort, afkomstig waren van misdrijf. In dit verband overweegt de rechtbank dat door bewijsmiddelen niet weerlegd kan worden dat verdachte een incassobureau runde en dat het tot de normale bedrijfsvoering van Innervation Beheer BV behoorde dat er debiteuren werden aangeschreven om hun schulden te voldoen. Feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat bij verdachte redelijkerwijs argwaan moest ontstaan toen de medeverdachte hem verzocht om uitstaande debiteuren te innen zijn niet gebleken, zodat verdachte van dit onderdeel moet worden vrijgesproken.

Feit 1, tweede gedachtenstreepje

Verdachte heeft verklaard dat het geld betrekking had op achterstallige huur en dat hij daarom geen wetenschap had of het redelijk vermoeden had moeten hebben van het feit dat het geld van misdrijf afkomstig was. Deze verklaring van verdachte kan niet door de inhoud van het dossier worden weerlegd zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1, tweede gedachtenstreepje tenlastegelegde.

Feit 2

De rechtbank is in het onderhavige geval niet gebleken dat er sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur welke het plegen van misdrijven als oogmerk had en waarbinnen verdachte een rol heeft gespeeld. Verdachte wordt derhalve vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Feit 1, derde gedachtenstreepje

Met betrekking het onder feit 1, derde gedachtenstreepje tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Op 9 augustus heeft medeverdachte [verdachte 1] de vennootschap Flushing Beheer BV overgenomen. Op diezelfde datum is door [firmanaam 2] (hierna: [firmanaam 2]) een bedrag van € 250.000 overgeboekt op de bankrekening van Flushing Beheer BV. Dit bedrag is op 18 augustus overgeboekt naar [medeverdachte 1] in privé. Van dit bedrag is vervolgens het merendeel (€ 240.000) op 25 augustus geboekt naar meerdere bankrekeningen, waaronder die van een aan verdachte gelieerde vennootschap. Verdachte krijgt namelijk op de bankrekening van zijn bedrijf Emon BV op 25 augustus 2010 een bedrag groot € 100.000 en een bedrag groot € 70.000 overgemaakt door [medeverdachte 1] (vanaf diens privérekening). Vervolgens wordt op 26 augustus 2010 door verdachte € 170.000 doorgeboekt naar de bankrekening van zijn echtgenote [medeverdachte 9]. Op 27 augustus 2012 wordt daarna een bedrag groot € 50.050 teruggeboekt naar Emon BV waarna op dezelfde dag door Emon BV een bedrag van € 50.000 wordt overgeboekt op de bankrekening van [medeverdachte 2] (partner van de [medeverdachte 1]), over welke bankrekening de medeverdachte [medeverdachte 1] de beschikking had. Van de bankrekening van [medeverdachte 2] wordt nog op dezelfde dag een bedrag van € 51.000 overgeboekt naar [betrokkene] voor de aankoop van een auto, zijnde een Porsche Cayenne. Het kenteken daarvan wordt de volgende dag op naam van [medeverdachte 2] gezet. Op 5 oktober 2010 is vervolgens [firmanaam 2] failliet verklaard.

Verdachte heeft ter zake verklaard dat de medeverdachte een rekening-courant verhouding met hem had en dat door deze transacties het rekening-courant werd verminderd. Ter ondersteuning van zijn verklaring heeft verdachte een rekening-courantoverzicht overgelegd. De verklaring van verdachte wordt echter niet ondersteund door het overgelegde rekening-courantoverzicht. In het overzicht komen de hiervoor genoemde transacties niet voor. De rechtbank is evenmin gebleken van een lening die de medeverdachte [medeverdachte 1] bij Emon BV zou hebben. In het rekening-courant overzicht worden overigens privé- en vennootschapsvermogens van de verschillende natuurlijke personen en rechtspersonen, volstrekt willekeurig opgeteld en door elkaar heen gebruikt, zonder dat er maar enig onderscheid wordt gemaakt. Dit overzicht heeft naar het oordeel van de rechtbank boekhoudkundig generlei waarde en kan onmogelijk als administratieve verantwoording dienen voor de hiervoor weergegeven banktransacties.

Verder is de rechtbank gebleken dat [medeverdachte 1] op 25 augustus 2010 bij de overboekingen naar de rekening van Emon BV bij de overboeking van € 100.000 als omschrijving “afspraak” en bij overboeking van € 70.000 als omschrijving “restent” heeft vermeld. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank niet op dat genoemde bedragen betrekking hadden op een aflossing van een schuld. In het vervolgtraject worden vage termen als “overboeking” en “Rc. Courant” gebruikt ter aanduiding van een “heen en weer-transactie” tussen de echtgenote van verdachte, de vennootschap van verdachte en de partner van medeverdachte [medeverdachte 1], waardoor op een rekening waarover die [medeverdachte 1] feitelijk de beschikking had, via omwegen een deel van het door [medeverdachte 1] onttrokken bedrag weer binnen diens bereik wordt gebracht. Alles overziend acht de rechtbank de verklaring die verdachte voor de overboekingen heeft gegeven volstrekt onaannemelijk.

De rechtbank leidt uit het verloop van de overboekingen af dat verdachte wist, in ieder geval de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat het geld dat door [medeverdachte 1] op de bankrekening van Emon BV is geboekt afkomstig was uit enig misdrijf en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1, derde gedachtenstreepje, tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 februari 2009 tot en met 30 september 2010 in Nederland tezamen en in vereniging met Emon BV en met een ander een geldbedrag heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

door - zakelijk omschreven -:

- (ontvangen omstreeks 26 augustus 2010) een geldbedrag van EUR 100.000 en een geldbedrag van EUR 70.000 te verwerven en voorhanden te hebben middels Emon BV en [medeverdachte 9].

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47 en 420bis Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van witwassen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft een grote som geld, die afkomstig was uit misdrijf (bedrieglijke bankbreuk), witgewassen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat als gevolg hiervan de schuldeisers in het betreffende faillissement voor een bedrag van € 170.000 zijn benadeeld. Verdachte, zelf ook zakenman, had moeten beseffen dat de schuldeisers van de failliete rechtspersoon daardoor in financiële problemen zouden kunnen komen. Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht de ernst van het bewezen verklaarde feiten in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur, alsmede een geldboete een passende straf.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 27 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: medeplegen van witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

- veroordeelt verdachte voorts tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 25.000,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis gedurende 160 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2012.