Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW0433

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
127527 / KG ZA 12-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Intrekking opzegging maatschap. Ontbinding van de maatschap in kort geding. Schorsen concurrentiebeding totdat arbitraal vonnis of arbitraal arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 127527 / KG ZA 12-63

datum vonnis: 29 maart 2012 (ps)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. [[eiser 1],

wonende te [plaats]

verder te noemen: [eiser 1],

2. [eiser 2],

wonende te [plaats],

verder te noemen: [eiser 2],

3. [eiser 3],

wonende te [plaats],

verder te noemen: [eiser 3],

eisers,

verder samen te noemen: [eisers] c.s.,

advocaat: mr. H. Moltmaker te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats]

gedaagde,

verder te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. R.F.A. Rorink te Enschede.

1. Het procesverloop

1.1 [eisers] c.s. heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

1.2 Op 21 maart 2012 heeft [gedaagde] schriftelijk een reconventionele vordering aangekondigd.

1.3 [gedaagde] heeft op 21 en 22 maart 2012 aanvullende stukken in het geding gebracht.

1.4 [eisers] c.s. heeft op 22 maart 2012 een aanvullende productie in het geding gebracht.

1.5 De zaak is behandeld ter terechtzitting van 22 maart 2012. Ter zitting zijn verschenen:

- [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], vergezeld door mr. Moltmaker, voornoemd;

- [gedaagde], vergezeld door mr. Rorink, voornoemd.

De standpunten zijn toegelicht.

1.6 Het vonnis is bepaald op heden.

2. Vaststaande feiten

2.1 In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2 Per 1 september 2003 zijn [eisers] c.s., [gedaagde] en [D] (verder: [D]) een maatschapsovereenkomst aangegaan met als doel de exploitatie en het beheer van het pand aan [adres] en [plaats]

2.3 Per 1 januari 2004 zijn [eisers] c.s., [gedaagde] en [D] een Associatie Overeenkomst aangegaan om voor gezamenlijke rekening en risico in maatschapsverband de diergeneeskundige praktijk uit te oefenen. De diergeneeskundige praktijk wordt uitgeoefend onder de naam Diergeneeskundig Centrum “De Peuvers Esch”.

2.4 [eisers] c.s., [gedaagde] en [D] zijn per 1 april 2004 een huurovereenkomst aangegaan ten aanzien van het pand [adres] en [plaats].

2.5 [gedaagde] is in de periode 2004-2005 anderhalf jaar arbeidsongeschikt geweest.

2.6 Bij brief van 30 mei 2005 hebben [D] en [eisers] c.s. aan [gedaagde] de maatschap opgezegd. Na mediation hebben [D], [eisers] c.s. en [gedaagde] bij verklaring van

2 december 2005 de brief van 30 mei 2005 en de reactie daarop ingetrokken.

2.7 Per 1 januari 2008 is [D] uit de maatschap getreden.

2.8 Per 1 januari 2008 hebben [eisers] c.s., [gedaagde] en Dierenkliniek Den Ham de werkzaamheden met betrekking tot de “Diergroep Varkens” in de vorm van een maatschap, genaamd “Varkensartsen Twente/Salland”, ingebracht. Per 1 januari 2010 zijn de vennoten van Diergeneeskundig Centrum (D.G.C.) Dalfsen toegetreden tot de maatschap “Varkensartsen Twente/Salland”.

2.9 [eiser 2] heeft op 13 maart 2011 een brief aan [eiser 1], [eiser 3] en [gedaagde] doen toekomen. In deze brief staat, voor zover thans relevant:

“Via deze brief wil ik jullie kenbaar maken dat ik mijn aandeel in de maatschap “Diergeneeskundig centrum “de Peuvers Esch””aan jullie te koop aanbied.

Ik ben van mening dat het huidig collectief van ons vieren niet bij machte is om met voldoende kwaliteit en met genoeg commercieel succes de brede geneeskundige zorg die wij altijd voorstonden, aan te bieden. Ik zie daar voorlopig geen verandering in komen. Ik wens geen medeverantwoording meer te dragen voor het reilen en zeilen van onze gemengde praktijk.”

2.10 Voorts heeft [eiser 2] bij brief van 29 juni 2011 aan [eiser 1], [eiser 3] en [gedaagde] bericht, voor zover thans relevant:

“ In aanvulling op mijn brief van 13 maart jl., geef ik jullie hierbij officieel, zoals beschreven in artikel 13-lid 1 van het maatschapscontract van 19/1/2004, te kennen mijn deelname aan de maatschap DGC “de Peuvers Esch stop te zetten per 1 januari 2012. Ook mijn deelname aan de Onroerend Goed-maatschap “de Peuvers Esch” eindigt daarmee per 1 januari 2012.

[…]

Conform artikel 17 lid 1 van het hiervoor genoemde maatschapscontract van 19/1/2004 en conform artikel 11 lid 1 van de Onroerend Goed-maatschapsovereenkomst bied ik jullie mijn aandeel in de maatschapspraktijk alsmede mijn aandeel in het praktijkpand ter overname per 1 januari 2012 aan, tegen een som die zal worden vastgesteld als omschreven in het genoemde artikel 17 lid 1 en het genoemde artikel 11 lid 1.

Het heeft echter mijn voorkeur om het aandeel van de Peuvers Esch in de maatschap VarkensartsenTwente/Salland in eigendom voort te zetten en op die manier tussen ons op handen zijnde dissociatie invulling te geven. Mochten jullie hier niet mee akkoord gaan, dan zullen we de dissociatie afwikkelen zoals geschetst in de 3e alinea van deze brief zoals hierboven opgenomen.”

2.11 [eisers] c.s. en [gedaagde] hebben verschillende gesprekken gevoerd onder begeleiding van diverse professionals, waaronder [T], accountant [K] en mediator [H]

2.12 Partijen zijn op enig moment overeengekomen dat de datum van opzegging wordt verschoven naar 1 april 2012.

2.13 Bij brief van 30 december 2011 heeft [eiser 2] het navolgende aan [eiser 1], [eiser 3] en [gedaagde] bericht:

“ In reactie op de laatste ontwikkelingen en het ontbreken van een eensluidend dissociatievoorstel van jullie kant, trek ik middels deze brief, die ik jullie morgen persoonlijk ter hand stel, mijn opzegging van de maatschap d.d. 29/6/2011 in.

[…]

Aangemerkt dient te worden dat ik nog steeds een oplossing nastreef met respect voor ieders situatie. In mijn beleving is iedereen er bij gebaat dat we op eigen kracht, met de juiste ondersteuning, tot een goede ontvlechting komen.”

2.14 Bij brief van 21 maart 2012 heeft [eisers] c.s. een verzoek voor een arbitrageprocedure ingediend bij de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

3. Standpunten van partijen

In conventie

Standpunt [eisers] c.s.

3.1 [eisers] c.s. heeft gevorderd om bij wijze van voorlopig oordeel bij vonnis, uitvoerbaar bij

voorraad te beslissen:

I. primair dat de voorzieningenrechter voorshands van mening is dat er geen rechtsgeldige opzegging door [eiser 2] meer bestaat op grond waarvan de Associatie Overeenkomst jegens hem eindigt per 1 april 2012;

II. tevens, althans alternatief, dat de voorzieningenrechter voorshands oordeelt dat er sprake is van een gewichtige reden conform artikel 7A:1684 Burgerlijk Wetboek op grond waarvan de Associatie Overeenkomst moet worden ontbonden;

III. dat [gedaagde] moet meewerken aan wettelijke verplichting tot vereffening en verdeling van de maatschap binnen twee dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat hij niet voldoet aan het bepaalde in het vonnis;

IV.subsidiair dat [eiser 2] niet gehouden is om zijn maatschapsaandeel aan te bieden binnen 1 maand na 1 april 2012, althans niet dan nadat de arbiters een definitief oordeel over de situatie hebben geveld;

V. het concurrentiebeding voor zover dit zou gelden te schorsen, althans in ieder geval totdat de arbiters een definitief oordeel over de situatie hebben geveld;

VI.meer subsidiair zulke voorzieningen die de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden in goede justitie te bepalen passend acht.

3.2 Daartoe heeft [eisers] c.s. - kort en zakelijk weergegeven - gesteld dat er geen sprake meer is van een rechtsgeldige opzegging van de Associatie Overeenkomst door [eiser 2]. Op grond van artikel 7A:1683 sub 3 Burgerlijk Wetboek (BW) en conform artikel 13 lid 1 van de Associatie Overeenkomst kan een maatschapsovereenkomst eindigen door opzegging door een van de vennoten aan alle andere vennoten. De intrekking van de opzegging door [eiser 2] is in ieder geval door [eiser 1] en [eiser 3] geaccepteerd, zodat de opzegging niet meer aan alle vennoten is gericht en aan de opzegging de rechtskracht komt te ontvallen.

3.3 Voorts heeft [eisers] c.s. gesteld dat er sprake is van een diepgaande vertrouwensbreuk met [gedaagde]. Er is zodoende sprake van een gewichtige reden op grond waarvan conform artikel 7A:1684 BW de maatschap kan worden ontbonden. Indien de maatschap “de Peuvers Esch” moet worden ontbonden, dient [gedaagde] op grond van redelijkheid en billijkheid mee te werken aan vereffening en verdeling.

3.4 [eisers] c.s. heeft verder gesteld dat door het eventuele beëindigen van de maatschapsovereenkomst niet automatisch ook de maatschapsovereenkomst “Varkensartsen Twente/Salland” eindigt. Het is in het belang van de maatschap Diergeneeskundig Centrum “de Peuvers Esch” dat [eiser 2] zijn werkzaamheden voortzet. De onherstelbare schade die een (voortijdig) eind van zijn werkzaamheden met zich mee zou brengen voor de maatschap als geheel is nauwelijks te overzien.

3.5 Tot slot heeft [eisers] c.s. gesteld spoedeisend belang te hebben bij het gevorderde, aangezien [gedaagde] blijft vasthouden aan de opzegging van [eiser 2] per 1 april 2012.

Standpunt [gedaagde]

3.6 [gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

3.7 Door [gedaagde] is uitdrukkelijk betwist dat er sprake was van een verstoorde onderlinge relatie tussen de maten. [eisers] c.s. heeft zijn stelling daaromtrent ook niet nader onderbouwd. In de notulen van de afgelopen jaren staat alleen normale (opbouwende) kritiek die op geen enkele wijze als een verstoorde werkrelatie valt te kenschetsen en die ook nog eens betrekking heeft op andere maten. Aan de stelling van [eisers] c.s. ter zake de vertrouwensbreuk dient te worden voorbijgegaan, nu deze stelling niet aannemelijk is gemaakt.

3.8 [gedaagde] heeft zich, gelet op de gang van zaken rondom de eerdere opzegging in 2005, verraden gevoeld na de mededeling van [eiser 3] dat hij liever met [eiser 2] dan met [gedaagde] samenwerkte. [eisers] c.s. heeft aan [gedaagde] gezegd dat de enige oplossing was dat [gedaagde] de maatschap zou verlaten.

3.9 Ten aanzien van de opzegging van [eiser 2] heeft [gedaagde] gesteld dat conform artikel 3:37 lid 5 BW de verklaring inhoudende intrekking de wederpartij eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring moet bereiken. [eiser 2] heeft de maatschap opgezegd en de mededeling daarvan heeft [eiser 1], [eiser 3] en [gedaagde] kort daarna bereikt, zodat intrekking niet meer mogelijk was.

3.10 Ten aanzien van het gevorderde onder I. en II. heeft [gedaagde] gesteld dat de vordering een sterk constitutief althans declaratoir karakter heeft, hetgeen zich niet leent voor toewijzing in kort geding. Het onder III. gevorderde leent zich evenmin voor behandeling in kort geding, aldus [gedaagde].

3.11 [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering ter zake het niet aanbieden van het maatschapsaandeel.

3.12 Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat [eiser 2] na 1 april 2012 wel zijn werkzaamheden binnen de dierenartsenpraktijk “de Peuvers Esch” en de maatschap “Varkensartsen Twente/Salland” mag blijven verrichten, nu alle partijen erbij gediend zijn dat de dierenartsenpraktijk een gezonde onderneming is en blijft. [gedaagde] heeft daarnaast gesteld dat [eiser 2] vanaf 1 april 2012 wel boetes zal gaan verbeuren in verband met overtreding van het concurrentiebeding en dat deze boetes zullen worden aangezegd en deel zullen uitmaken van de vorderingen in de arbitrageprocedure.

In reconventie

Standpunt [eiser]

3.13 [eiser] heeft in reconventie gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] c.s. te veroordelen zich te houden aan de inhoud van de Associatie Overeenkomst Diergeneeskundig Centrum “de Peuvers Esch” alsmede aan de vanwege de Associatie Overeenkomst tussen partijen gemaakte nadere afspraken hoe dan ook genaamd, de onroerendgoedmaatschapsovereenkomst en de maatschapsovereenkomst “Varkensartsen Twente/Salland”, zulks op straffe van verbeurte van een boete door [gedaagden] c.s. aan [eiser] na betekening van het vonnis ad € 1.000,- per dag dat [gedaagden] c.s., althans één of meerdere van hen, zich niet houdt/houden aan de contractuele afspraken vervat in de genoemde overeenkomsten tot aan de datum waarop een arbitraal vonnis dan wel een arbitraal arrest in kracht van gewijsde is gegaan;

II. [gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

3.14 Daartoe heeft [eiser] - kort en zakelijk weergegeven - gesteld dat er na de zomer van 2011 niet meer met hem wordt samengewerkt of overlegd. [eiser] wordt meer en meer geïsoleerd met het oog op de wens van [gedaagden] c.s. om [eiser] uit te stoten. [eiser] heeft er belang bij dat [gedaagden] c.s. wordt veroordeeld zich te houden aan de inhoud van de contractuele afspraken tot nadat bij onherroepelijk arbitraal vonnis is geoordeeld over de toekomst van de maatschap.

Standpunt [gedaagden] c.s.

3.15 [gedaagden] c.s. heeft geconcludeerd tot afwijzing van de reconventionele vordering. [gedaagden] c.s. houdt zich reeds aan de Associatie Overeenkomst en het is onduidelijk waar [gedaagden] c.s. zich nog meer aan zou moeten houden.

4. De beoordeling

In conventie

4.1 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [eisers] c.s. spoedeisend belang heeft bij het gevorderde, nu de opzegging van [eiser 2] per 1 april 2012 zou ingaan. De voorzieningenrechter zal overgaan tot de materiële beoordeling van het geschil.

Opzegging

4.2 Vaststaat dat de brief van 29 juni 2011 van [eiser 2] de maten [eiser 3], [eiser 1] en [gedaagde] heeft bereikt en dat [eiser 2] door middel van deze brief zijn deelname in de maatschap Diergeneeskundig Centrum “de Peuvers Esch” heeft stopgezet per 1 januari 2012, alsmede heeft medegedeeld dat zijn deelname aan de onroerendgoedmaatschap eindigt.

4.3 Krachtens artikel 3:37 lid 5 BW moet een intrekking van een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring om haar werking te hebben die persoon eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring bereiken. De intrekking van de opzegging door [eiser 2] is vervat in diens brief van 30 december 2011. Nu vaststaat dat de opzegging de overige maten kort na versturen van de brief van 29 juni 2011 heeft bereikt, is duidelijk dat de intrekking van de opzegging de overige maten niet eerder of gelijk met de opzegging zelf heeft bereikt. De brief van 30 december 2011 sorteert zodoende naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet het effect dat de opzegging daadwerkelijk is ingetrokken.

4.4 De ‘intrekking’ van de opzegging door [eiser 2] bij brief van 30 december 2011 kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hoogstens worden geziens als een aanzet om tot nadere afspraken met de maten [eiser 3], [eiser 1] en [gedaagde] te komen. Vaststaat dat partijen op enig moment een afwijkende ingangsdatum van de opzegging zijn overeengekomen (1 april 2012 in plaats van 1 januari 2012). Echter, niet is gebleken dat alle partijen ook nader zijn overeengekomen dat de opzegging ingetrokken is. Dat [eiser 1] en [eiser 3] de intrekking hebben geaccepteerd is daarvoor onvoldoende.

4.5 Gelet op het vorenstaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat de opzegging door [eiser 2] niet (langer) rechtsgeldig is. De voorzieningenrechter zal het onder I. gevorderde daarom afwijzen.

Ontbinding

4.6 Ten aanzien van de vordering tot het voorshands oordelen dat er sprake is van een gewichtige reden op grond waarvan de Associatie Overeenkomst dient te worden ontbonden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.7 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de vordering van [eisers] c.s. constitutief van aard, zodat deze niet voor toewijzing in kort geding geschikt is.

4.8 Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat voldoende gebleken is dat op dit moment de verhoudingen tussen [eisers] c.s. en [gedaagde] verstoord zijn, maar dat partijen zich aan de andere kant lijken te realiseren dat ze een bedrijfseconomisch belang hebben om samen verder te gaan.

4.9 De vordering van [eisers] c.s. ter zake de medewerking van [gedaagde] aan vereffening en verdeling van de maatschap dient gelet op het vorenstaande eveneens te worden afgewezen.

Maatschapsaandeel

4.10 Nu [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van [eisers] c.s. ter zake het aanbieden van het maatschapsaandeel van [eiser 2], zal de voorzieningenrechter deze vordering toewijzen, met dien verstande dat zal worden bepaald dat [eiser 2] niet gehouden is om zijn maatschapsaandeel aan te bieden tot aan de datum waarop een arbitraal vonnis of arbitraal arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

Concurrentiebeding

4.11 Partijen zijn het erover eens dat het in het financieel belang van de maatschap Diergeneeskundig Centrum “de Peuvers Esch” is dat [eiser 2] zijn werkzaamheden voor die maatschap en de maatschap “Varkensartsen Twente/Salland” blijft verrichten.

4.12 Het standpunt van [gedaagde] ter zake het alsnog verbeuren van boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding verhoudt zich niet met het financieel belang van de maatschap om [eiser 2] voorlopig zijn werkzaamheden te laten verrichten. Er kan niet van [eiser 2] worden verwacht dat hij in het belang van de maatschap werkzaamheden blijft verrichten, terwijl hij een groot risico loopt op het verschuldigd worden van boetes juist omdat hij die benodigde werkzaamheden verricht.

4.13 De voorzieningenrechter zal het concurrentiebeding ten aanzien van [eiser 2] schorsen voor zover dat betrekking heeft op werkzaamheden die [eiser 2] tot op heden heeft verricht en tot aan de datum waarop een arbitraal vonnis of arbitraal arrest in kracht van gewijsde is gegaan. Op deze manier kan [eiser 2] de kennelijk in het belang van de maatschap Diergeneeskundig Centrum “de Peuvers Esch” en de maatschap “Varkensartsen Twente/Salland” zijnde werkzaamheden blijven verrichten, in afwachting van het oordeel van de arbiters.

Proceskosten

4.14 De voorzieningenrechter zal de proceskosten compenseren tussen partijen.

In reconventie

4.15 Niet is gebleken dat [gedaagden] c.s. zich niet houdt aan de inhoud van de Associatie Overeenkomst, onroerendgoedmaatschapsovereenkomst of de maatschapsovereenkomst “Varkensartsen Twente/Salland”. De reconventionele vordering kan in zoverre dan ook niet worden toegewezen.

4.16 [eiser] heeft voorts gevorderd [gedaagden] c.s. te veroordelen zich te houden aan de vanwege de Associatie Overeenkomst tussen partijen gemaakte nadere afspraken hoe dan ook genaamd. Door [eiser] is op geen enkele wijze geconcretiseerd welke (werk)afspraken het betreft, zodat dit gedeelte van de reconventionele vordering dient te worden afgewezen omdat de vordering onvoldoende bepaald is.

4.17 Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat het afwijzen van de reconventionele vordering niet wegneemt dat [gedaagden] c.s. en [eiser] er verstandig aan doen om de komende tijd (op de werkvloer) op een respectvolle wijze met elkaar om te gaan en alle maten te betrekken bij belangrijke beslissingen ter zake de maatschap Diergeneeskundig Centrum “de Peuvers Esch” en de maatschap “Varkensartsen Twente/Salland”.

4.18 De voorzieningenrechter zal, evenals ter zake de vordering in conventie, de proceskosten tussen partijen compenseren.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

I. bepaalt dat [eiser 2] niet gehouden is om zijn maatschapsaandeel aan te bieden tot aan de datum waarop een arbitraal vonnis of arbitraal arrest in kracht van gewijsde is gegaan;

II. schorst het concurrentiebeding ten aanzien van [eiser 2] voor zover dat betrekking heeft op werkzaamheden die [eiser 2] tot heden heeft verricht en tot aan de datum waarop een arbitraal vonnis of arbitraal arrest in kracht van gewijsde is gegaan;

III. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

IV. verklaart onderdelen I. en II. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie

VI. wijst de vordering van [eiser] af;

VII. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.