Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BW0319

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
11/498 AKW N1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is eiseres ingezetene als bedoeld in de AKW? Arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 over het ingezetenebegrip. Is het gewijzigde beleid van verweerder omtrent het begrip ingezeteneschap in overeenstemming met dit arrest?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

zaaknummer: 11/498 AKW N1 A

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[Eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. P.J.C. Garrels, advocaat te Enschede,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak in deze zaak van

31 augustus 2011. In deze tussenuitspraak heeft verweerder de gelegenheid gekregen de gebreken in het besluit van 28 januari 2011 (het bestreden besluit) te herstellen.

Verweerder heeft vervolgens op 21 oktober 2011 een nieuwe motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Eiseres heeft hierop bij brief van 2 november 2011 gereageerd.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 22 februari 2012. Aan de zijde van eiseres is [X] verschenen, de echtgenoot van eiseres, bijgestaan door de

mr. P.J.C. Garrels. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [Y].

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen en beslissingen in de genoemde tussenuitspraak.

2. De rechtbank dient thans te beoordelen of de in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebreken door verweerder zijn hersteld. In dat kader dient eerst te worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres op 1 oktober 2010 geen ingezetene meer is als bedoeld in artikel 7, eerste lid, en artikel 6, eerste lid onder a, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), en op die grond met ingang van die datum geen recht meer heeft op kinderbijslag.

3. Volgens artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van deze wet, degene die in Nederland woont. De vraag waar iemand woont dient op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden te worden beoordeeld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 januari 2011 geoordeeld dat daarbij acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft volgens de Hoge Raad niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonbegrip volgt dat de wetgever geen bijzondere betekenis wilde toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land. Nu de wetgever volgens de Hoge Raad met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip, is deze parlementaire geschiedenis ook maatgevend voor de uitleg van het begrip woonplaats in de AKW. In het licht daarvan moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat voor de aanwezigheid van een woonplaats in Nederland, niet is vereist dat betrokkene economische banden met Nederland heeft. Verder volgt uit het arrest van de Hoge Raad dat bij de beantwoording van de vraag of iemand woonplaats heeft in Nederland, niet alleen die omstandigheden een rol kunnen spelen die kunnen worden gerubriceerd als factoren die een juridische, economische of sociale binding met Nederland opleveren.

4. Verweerder heeft de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd aan zijn standpunt dat eiseres per 1 oktober 2010 geen ingezetene is in Nederland:

- eiseres is in Turkije geboren en heeft zich in januari 1999 in Nederland gevestigd;

- sinds juli 2007 verblijft eiseres met haar kinderen [A] en [B] in Turkije;

- de kinderen volgen in Turkije onderwijs;

- op 5 augustus 2008 is in Turkije een derde kind geboren;

- blijkens een verklaring van de moeder van eiseres verblijft eiseres overwegend bij haar kinderen in Turkije. Eiseres zou gemiddeld één keer per kwartaal naar Nederland gaan;

- de in- en uitreisgegevens wijzen uit dat eiseres in ieder geval sinds 6 mei 2007 overwegend in Turkije bij haar kinderen verblijft;

- eiseres heeft samen met haar echtgenoot de eigendom van een appartement in Turkije. In dit appartement verblijven de kinderen en de moeder van eiseres. Als eiseres in Turkije is, verblijft zij daar ook;

- eiseres heeft samen met haar echtgenoot de eigendom van een woning in Nederland. Deze woning is verhuurd aan derden;

- eiseres staat samen met haar echtgenoot ingeschreven op het woonadres van haar schoonouders in Nederland;

- eiseres ontvangt een WAO-uitkering van het UWV;

- eiseres verricht geen activiteiten in Nederland;

- er woont familie in Nederland, maar ook in Turkije.

5. Verweerder heeft gesteld dat hij aan de hand van de stempels in het paspoort van eiseres heeft beoordeeld hoe lang eiseres in Nederland dan wel in Turkije verblijft. Indien de rechtbank met verweerder voor de beoordeling hiervan van de stempels in het paspoort van eiseres uitgaat, dan volgt daaruit niet waar verweerder vanuit is gegaan, namelijk dat eiseres sinds juli 2007 in Turkije verblijft en dat zij sinds 6 mei 2007 in Turkije woont, welke omstandigheden bovendien tegenstrijdig met elkaar zijn. Uit de stempels in het paspoort van eiseres volgt naar het oordeel van de rechtbank wel dat eiseres, nadat zij in 1999 in Nederland was gevestigd, tot 2007 lange periodes in Nederland is gebleven. Voorts volgt uit deze stempels ook dat eiseres vanaf januari 2007 tot 21 augustus 2007 grotendeels in Nederland is gebleven. Verder volgt daaruit dat eiseres vanaf 21 augustus 2007 tot 1 oktober 2008 en vanaf 11 oktober 2008 tot en met 18 mei 2009 in Turkije is gebleven, en dat zij na 18 mei 2009 gedeeltelijk in Nederland en gedeeltelijk in Turkije is gebleven. Uit dit geheel volgt naar het oordeel van de rechtbank juist dat eiseres al met al geruime perioden in Nederland verblijft. Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat eiseres niet over een duurzame woning in Nederland beschikt, omdat zij bij haar schoonouders inwoont, heeft de echtgenoot van eiseres ter zitting verklaard dat ze in het huis van zijn ouders te allen tijde kunnen verblijven, dat zij over een huissleutel beschikken en dat zijn ouders langdurig in Turkije verblijven. De rechtbank neemt gelet op de stelling van de echtgenoot van eiseres aan dat eiseres over een permanente woning beschikt, omdat zij in de woning van haar schoonouders net zo lang kan blijven als zij wil. Gelet op de omstandigheid dat eiseres al met al geruime perioden in Nederland verblijft, in Nederland een GBA-adres heeft, in Nederland over een permanente woning beschikt en tevens hier een WAO-uitkering ontvangt, is de rechtbank van oordeel dat tussen eiseres en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Eiseres was dan ook op 1 oktober 2010 woonachtig in Nederland en derhalve ingezetene als bedoeld in de AKW. De feiten en omstandigheden waar verweerder vanuit is gegaan, zoals weergegeven onder overweging 4, brengen geen ander oordeel met zich mee.

6. De rechtbank volgt in deze zaak dus niet het beleid van verweerder omtrent het begrip ingezeteneschap, zoals dat is gewijzigd naar aanleiding van het arrest van de

Hoge Raad zoals dat onder rechtsoverweging 3 is weergegeven. Volgens het beleid van verweerder dient de vraag of tussen betrokkene en Nederland een persoonlijke band van duurzame aard bestaat, te worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Bepalend is volgens het beleid of uit de uiterlijke feiten en omstandigheden blijkt dat de banden van betrokkene met Nederland voldoende sterk zijn om aan te kunnen nemen dat hij hier te lande het middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dit in strijd met het arrest van de Hoge Raad, waarin juist is overwogen dat het niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat uit het beleid voortvloeit dat de beoordeling of betrokkene in Nederland woont, in twee stappen plaatsvindt. Eerst dient beoordeeld te worden of aan de hand van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld waar betrokkene woont. Indien op basis hiervan niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld waar betrokkene woont, dan wordt volgens verweerder aan de aanwezigheid van een duurzame woning in Nederland doorslaggevende betekenis toegekend. De rechtbank oordeelt dat dit tweestappenplan in strijd is met het arrest van de Hoge Raad. Uit het arrest volgt namelijk dat alle feiten en omstandigheden in één keer beoordeeld dienen te worden en dat aan bepaalde (categorieën) omstandigheden geen bijzondere betekenis dient te worden toegekend.

7. Nu eiseres naar het oordeel van de rechtbank op 1 oktober 2010 ingezetene was in Nederland, is de conclusie dan ook dat verweerder de gebreken in het bestreden besluit niet heeft hersteld. De rechtbank heeft overwogen dat zij in beginsel slechts eenmaal de mogelijkheid biedt een gebrek te herstellen. De rechtbank zal het beroep van eiseres gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Met het oog op finale geschillenbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal bepalen dat eiseres met ingang van

1 oktober 2010 recht heeft op kinderbijslag.

8. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder op grond van artikel 8:75, van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, zijnde de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 1.311,-- (één punt voor het indienen van een beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting, een half punt voor de schriftelijke reactie op het nadere standpunt van verweerder en een half punt voor het verschijnen op de nadere zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor van 1). De rechtbank zal verweerder voorts veroordelen in de kosten van eiseres in bezwaar, zijnde de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 437,-- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor van 1).

9. Nu aan eiseres een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten in bezwaar en beroep, zijnde in totaal een bedrag van € 1.748,--, betalen aan de griffier van de rechtbank.

10. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

Beslissing

De Rechtbank Almelo,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit, bepaalt dat eiseres met ingang van 1 oktober 2010 recht heeft op kinderbijslag en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep, welke kosten worden bepaald op € 1.748,--, door verweerder te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,-- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. van Wees, voorzitter, en mrs. R.J. Jue en L.M. Tobé, rechters, in aanwezigheid van mr. I.A.M. Booijink, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012.