Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BV9694

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
126613 KG ZA 12-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurzaak:

Ontruiming toegewezen. Overlast 81-jarige huurder. Ontruimingstermijn op drie maanden.

Onduidelijk waarom procedure bij Voorzieningenrechter is aangebracht, waar ook de kantonrechter bevoegd is. De Voorzieningenrechter vindt het onjuist om de nadelige financiële gevolgen van die keuze volledig op huurder aftewenten. Hij acht het billijk om een gedeelte van het griffierecht groot € 575,00 voor rekening van de verhuurder te laten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 265
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 213
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 556
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 557
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2012/126 met annotatie van Cor Goudriaan/Brigitte Vanatova
Prg. 2012/133

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer/rolnummer: 126613 KG ZA 12-30

Vonnis in kort geding van 21 maart 2012

inzake:

de stichting Woningstichting De Woonplaats

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede

eiseres,

verder te noemen: De Woonplaats,

advocaat mr. R.J. Leijssen, advocaat te Enschede,

tegen

[gedaagde]

wonende te [plaats] en [adres]

gedaagde,

verder te noemen: [gedaagde],

verschenen in persoon.

1. Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

• de dagvaarding met producties;

• de mondelinge behandeling, alwaar zijn verschenen [X] namens De Woonplaats, bijgestaan door mr. Leijssen en [gedaagde], vergezeld van [Y] en [Z]

• de pleitnota van De Woonplaats.

1.2 Het vonnis is bepaald op heden.

2. Feiten

2.1 Bij de beoordeling van dit geschil wordt uitgegaan van de hierna opgesomde feiten. Deze worden voorshands als vaststaand beschouwd omdat zij door een van partijen zijn gesteld en door de andere partij zijn erkend dan wel niet of onvoldoende zijn bestreden.

2.2 [gedaagde] huurt sinds 14 juni 2002 van De Woonplaats de woning aan [adres] te [plaats]. De woonruimte is gelegen in een door bejaarden bewoond appartementencomplex [B]

3. Geschil

3.1 De Woonplaats vordert [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, de woning aan [adres] te ontruimen en te verlaten. De Woonplaats legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] sinds begin 2011 voortdurend overlast veroorzaakt. [gedaagde] gedraagt zich hinderlijk tegenover bewoners en valt bij herhaling vrouwelijke bewoners lastig. [gedaagde] rijdt zo hard met zijn scootmobiel dat hij zaken beschadigt en zelfs bewoners verwondt. De Woonplaats stelt dat aan deze situatie zo spoedig mogelijk een eind dient te komen, nu het woongenot van de andere huurders in het geding komt. Ten bewijze van haar stellingen heeft De Woonplaats aan de dagvaarding een groot aantal schriftelijke klachten gehecht.

3.2 [gedaagde] verweert zich niet tegen door De Woonplaats geuite klachten omtrent zijn gedrag. Hij erkent dat hij met zijn scootmobiel schade heeft veroorzaakt. Met betrekking tot zijn gedrag in de toekomst stelt [gedaagde] desgevraagd door de voorzieningenrechter: “ik kan wel wat beloven, maar of het werkt weet ik niet.”

4. Beoordeling

4.1 Vooropgesteld dient te worden dat voor toewijzing van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen dan aanleiding is, indien op grond van de thans gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat in een bodemprocedure de beslissing gelijkluidend zal zijn.

4.2 Op grond van de door De Woonplaats gestelde en door [gedaagde] niet betwiste klachten is de voorzieningenrechter van mening dat [gedaagde] zich niet gedraagt zoals een goed huurder betaamt. Het gedrag van [gedaagde] oordeelt de voorzieningenrechter vooralsnog dusdanig ernstig dat van De Woonplaats, die verplicht is het woongenot van haar overige huurders te waarborgen, niet langer kan worden verwacht dat [gedaagde] nog langer het genot heeft van de door hem gehuurde woning aan [adres] te [plaats]. In dat kader acht de voorzieningenrechter het in voldoende mate aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure de door [gedaagde] veroorzaakte overlast aanleiding zal zijn de huurovereenkomst te ontbinden.

4.3 Het voren overwogene betekent dat de vordering tot ontruiming van het gehuurde wordt toegewezen. Met betrekking tot de ontruimingstermijn overweegt de voorzieningenrechter het navolgende. [gedaagde] is 81 jaar oud en slecht ter been. Er zal voor hem andere huisvesting moeten worden gevonden. De ervaring leert dat passende woonruimte voor een persoon als [gedaagde] schaars is en dat vinden hiervan de nodige tijd met zich mee zal brengen. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de ontruimingstermijn vast te stellen op drie maanden na betekening van dit vonnis.

4.4 De gevorderde machtiging om tot de ontruiming te bewerkstelligen door middel van de sterke arm zal worden afgewezen omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv. overbodig is.

4.5 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Onduidelijk is waarom De Woonplaats de onderhavige procedure heeft aangebracht bij de Voorzieningenrechter, daar waar ook de kantonrechter bevoegd is tot het geven van een voorziening zoals gevorderd. De handelwijze van De Woonplaats brengt met zich mee dat de gedaagde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, geconfronteerd wordt met een totaalbedrag van € 842,00 [te weten € 575,00 voor De Woonplaats en € 267,00 voor [gedaagde]] aan griffierecht, daar waar de in het ongelijk gestelde partij bij de kantonrechter "slechts" met een bedrag van € 109,00 aan griffierecht wordt geconfronteerd. De Voorzieningenrechter vindt het onjuist om de nadelige financiële gevolgen van de keuze voor die Voorzieningenrechter volledig op [gedaagde] af te wentelen. Met in achtneming van het vorenstaande komt het de Voorzieningenrechter billijk voor om een gedeelte van het verschuldigde griffierecht groot € 575,00 voor rekening van De Woonplaats te laten.

5. Rechtdoende

5.1 Veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] met al het zijne en de zijnen te verlaten en te ontruimen.

5.2 Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van De Woonplaats begroot op € 98,97 aan verschotten en € 400,00 aan salaris van de advocaat.

5.3 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 21 maart 2012 in aanwezigheid van de griffier.