Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BV8659

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
08-710748-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:CA1568, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte berooft haar toenmalige partner van het leven door hem minstens twaalf maal met een hamer op het hoofd te slaan.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf van zes jaar en een terbeschikkingstelling met dwangverpleging op. Tevens dient verdachte kosten van de crematie te vergoeden aan de nabestaanden van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710748-10

Datum vonnis: 13 maart 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in de PI Overijssel, PIV Zwolle te Zwolle.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 februari 2011, 25 maart 2011, 22 april 2011, 19 september 2011, 10 februari 2012 en 28 februari 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Grooters en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A.S. van der Biezen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer], al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, dan wel dat zij die [slachtoffer] zodanig zwaar heeft mishandeld dat [slachtoffer] daardoor is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

zij op of omstreeks 28 oktober 2010 in de gemeente Almelo, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht met een hamer, althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of lichaam geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

zij op of omstreeks 28 oktober 2010 in de gemeente Almelo, aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hoofd- en/of hersenletsel) heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht met een hamer, althans met een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair in de eerste plaats tenlastegelegde feit (moord) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren onvoorwaardelijke met aftrek van het voorarrest, alsmede terbeschikkingstelling met dwangverpleging, met toewijzing van de civiele vordering tot het gevorderde bedrag van

€ 992,-- en daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte inbeslaggenomen goederen.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 Het doden van het slachtoffer

Op 28 oktober 2010 omstreeks 6.05 uur heeft verdachte zich gemeld bij het politiebureau te Almelo. Verdachte heeft 28 oktober 2010 te 13.05 uur verklaard dat zij [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer) met een hamer tegen de kop heeft geslagen en dat zij kort daarna naar de politie is gegaan.

Op 29 oktober 2010 om 10.55 uur, verklaart zij een paar keer om haar heen te hebben gemept met dat ding. Op 28 oktober 2010 te 06.14 uur komen verbalisanten Grondman en Schoon aan op het adres [adres] te [plaatsnaam]. Nadat verbalisant Grondman de woning heeft betreden ziet hij een man liggen. Verbalisant Schoon herkent de man als de hem ambtshalve bekende [slachtoffer], geboren 2 november 1966 te Almelo. Om 06.20 uur die dag komt de GGD arts dr. Smulders ter plaatse. Hij constateert dat het slachtoffer is overleden.

De arts en patholoog A. Maes concludeert dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van meermalen opgelopen uitwendig inwerkend botsend geweld op het hoofd.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 28 oktober 2010 in de gemeente Almelo opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door hem meerdere malen met kracht met een hamer op/tegen het hoofd te slaan.

5.2 De voorbedachten rade

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie gaat bij haar betoog dat sprake is van voorbedachten rade uit van een tweetal scenario’s op grond waarvan deze strafverzwarende omstandigheid bewezen kan worden verklaard. Het eerste scenario houdt, zakelijk weergegeven, in dat verdachte, naar de kleine slaapkamer boven is gelopen om de hamer te pakken en dat zij vervolgens daarmee het slachtoffer meerdere keren en in twee fases, te weten op de trap en in de hal, heeft geslagen. Volgens het tweede scenario zou verdachte naar het bankstel in de kamer zijn gelopen om de hamer te pakken en zou zij zijn teruggelopen naar het slachtoffer om hem vervolgens meerdere keren met die hamer te slaan. In beide scenario’s zijn er naar het oordeel van de officier van justitie meerdere momenten geweest waarop verdachte de tijd en de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op haar daad, maar heeft verdachte van die tijd en gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van oordeel dat van voorbedachten rade geen sprake is en verdachte aldus dient te worden vrijgesproken van moord.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij verdachtes eerste, ten overstaan van verbalisant Samsen afgelegde, verklaring (pagina’s 10017en 10018 van het proces-verbaal) niet voor het bewijs zal gebruiken voor zover die verklaring na de aanhouding van verdachte is afgelegd. De rechtbank kan niet vaststellen of op het moment van die verklaring verdachte gewezen was op haar recht een advocaat te raadplegen, de zogenaamde Salduz-belering. Bovendien is niet gebleken dat verdachte op dat moment afstand heeft gedaan van dit recht.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte in haar verklaringen wisselend en tegenstrijdig verklaart over belangrijke aspecten van de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid. Zo verklaart zij de ene keer dat zij het slachtoffer wel heeft opgehaald nadat hij in de nachtelijke uren van 28 oktober 2010 weg was gegaan bij zijn ouders en de andere keer ontkent zij dat. De ene keer stelt zij dat zij op de bovenverdieping was toen het slachtoffer die ochtend voor de tweede keer bij haar in huis kwam, de andere keer zegt zij op de bank in de huiskamer beneden te hebben gelegen. Als het gaat om de door verdachte gestelde val van het slachtoffer van de trap, verklaart zij zowel over twee vallen kort achterelkaar, als over één val. Dat vallen zou volgens haar verklaringen bij de politie hebben plaatsgevonden toen het slachtoffer die ochtend voor de tweede keer bij haar in huis kwam. Bij de rechter-commissaris vertelt zij echter dat het slachtoffer zou zijn gevallen toen hij de eerste keer bij haar in huis was. Ook over de worsteling voorafgaand aan het moment dat zij met de hamer begon te slaan, verklaart verdachte wisselend. Met name zegt zij de ene keer dat zij eerst met de hamer heeft gedreigd voordat zij ermee sloeg, terwijl zij de andere keer zegt meteen te hebben geslagen nadat het slachtoffer haar in de buik had gestompt.

De rechtbank kan niet vaststellen wat de reden voor deze wisselende verklaringen is. De verklaringen van verdachte zijn daarom niet betrouwbaar. Zij kunnen niet zonder meer worden gebruikt om vast te stellen wat zich omtrent de dood van het slachtoffer heeft afgespeeld. Dat zou alleen mogelijk kunnen zijn als de betreffende verklaring door ander bewijs wordt ondersteund.

De beide door de officier genoemde scenario’s worden slechts gebaseerd op enkele verklaringen van de verdachte, zonder dat deze verklaringen naar het oordeel van de rechtbank voldoende worden onderbouwd door ander bewijsmateriaal. De door de officier van justitie genoemde verklaring van [getuige], de buurvrouw van verdachte, is onvoldoende specifiek om als onderbouwing te dienen. Zij kan slechts verklaren over iets dat zij heeft gehoord, ook nog eens door een muur heen, en niet over iets dat zij heeft gezien. Bovendien zijn deze geluiden niet objectief, bijvoorbeeld door een tijdstip, te koppelen aan een bepaald moment in het verhaal dat verdachte vertelt. De officier meent verder uit het toxicologisch onderzoek af te kunnen leiden dat het slachtoffer door middelengebruik versuft was toen hij van de trap was gevallen. De betreffende rapporten trekken deze conclusies echter niet. Vervolgens heeft de officier van justitie aan de hand van verschillende bewijsmiddelen uiteengezet dat het slachtoffer in de hal verschillende keren is geslagen met de hamer en zich op verschillende plaatsen in de hal bevond. Ook als dit juist zou zijn, kan uit die omstandigheden echter niet worden afgeleid dat verdachte naar boven is gelopen om de hamer te halen of dat het slachtoffer zich op de trap bevond toen hij werd geslagen.

Dat er in twee fases is geslagen, waartussen verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad voor beraad, kan aldus naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld. De officier heeft betoogd dat verdachte tijdens het veelvuldig slaan met de hamer een moment moet hebben gehad waarin zij gelegenheid heeft gehad zich te beraden. De rechtbank oordeelt dat de slagen met de hamer, wat er ook zij van het aantal keren dat dit is gebeurd, zich mogelijk zodanig snel in één opwelling hebben opgevolgd dat geen ruimte was voor enig beraad of rustig overleg bij verdachte. Bij haar overweging neemt de rechtbank in aanmerking de beperkte ruimte waarin een en ander zich heeft afgespeeld. Als verdachte de hamer van de bank heeft gepakt, dan was dit zodanig dicht bij de hal dat zij daar zeer weinig tijd voor nodig had.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit en dus ook niet dat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van voorbedachten rade is dan geen sprake, zodat ten aanzien daarvan vrijspraak dient te volgen.

5.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair in de eerste plaats is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair in de tweede plaats tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 28 oktober 2010 in de gemeente Almelo, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht met een hamer op/tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair in de tweede plaats meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 287 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair in de tweede plaats:

het misdrijf: doodslag.

7. De strafbaarheid van de verdachte

7.1 De noodweer of het noodweerexces

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer of tegen een onmiddellijk dreigend gevaar van zo een aanranding.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie was van een noodweersituatie geen sprake.

De overwegingen van de rechtbank

Voor zowel een geslaagd beroep op noodweer als op noodweerexces dient aannemelijk te zijn dat het handelen van verdachte een verdediging inhield tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het slachtoffer. Dat is echter niet aannemelijk geworden.

Slechts verdachte zelf verklaart over een directe aanval van het slachtoffer. Zoals hiervoor al uiteengezet, zijn deze verklaringen echter niet zonder meer betrouwbaar. Zij worden op dit punt ook niet ondersteund door andere verklaringen of bevindingen. Hoewel verdachte stelt door het slachtoffer te zijn gestompt, is bij onderzoek door de technische recherche geen letsel op het lichaam van verdachte vastgesteld. De door de verdediging aangehaalde verklaringen van buren over geluiden die zij hebben gehoord, zijn ook op dit punt onvoldoende specifiek. Dat het slachtoffer in het verleden geweld heeft gebruikt tegen verdachte, kan niet voldoende onderbouwen dat het slachtoffer ook op 28 oktober 2010 verdachte heeft aangevallen.

Ook de onmiddellijke dreiging van een aanval is niet aannemelijk geworden. Dat het slachtoffer kort voor het incident de woning is binnengedrongen is niet gebleken. Al zou het slachtoffer zich tegen de wil van verdachte in haar huis hebben bevonden, dan zou dit wellicht een in zijn algemeenheid dreigende situatie kunnen opleveren. Voor het bestaan van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding bestaat echter geen aanwijzing

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer en noodweerexces.

7.2 De psychische overmacht

Het standpunt van de verdediging

Vervolgens heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld als gevolg van psychische overmacht. Met name past het handelen van verdachte binnen het zogenoemde “Battered Woman Syndrome”. De doodslag is het gevolg van de spanningen en angsten van verdachte als gevolg van de relatie met het slachtoffer, zoals ook blijkt uit de opgemaakte psychische en psychiatrische rapportages.

Het standpunt van de officier van justitie

Naar mening van de officier van justitie is van psychische overmacht geen sprake.

De overwegingen van de rechtbank

Voor psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat verdachte op basis van een dergelijke drang heeft gehandeld.

De rechtbank wijst erop dat verdachte zelf geen verklaring van deze strekking aflegt. Zij stelt te hebben gehandeld omdat zij werd geslagen door het slachtoffer en ook stelt zij dat de ellende van de afgelopen jaren er op dat moment uitkwam. Nergens zegt zij echter geen andere uitweg te hebben gezien dan het slachtoffer te doden door te handelen zoals zij deed.

Er zijn objectieve aanwijzingen dat de verdachte zeer bang was voor het slachtoffer. De eerder genoemde getuige [getuige] vertelt bijvoorbeeld dat zij tien dagen voor de doodslag, toen het slachtoffer de woning van verdachte was binnengedrongen, meer angst bij verdachte heeft bespeurd dan anders. Enkele dagen later heeft verdachte tegen de politie verteld dat zij uit angst voor het slachtoffer met een hamer in bed sliep. Verder is ook aannemelijk dat het slachtoffer gewelddadig is geweest tegen verdachte. Het slachtoffer is hiervoor veroordeeld. Bovendien vertellen verschillende getuigen over het geweld van het slachtoffer jegens verdachte. Het recente gevecht van het slachtoffer met een wijkagent laat zien dat het slachtoffer tot zeer agressief gedrag in staat was.

Dit betekent echter niet dat verdachte aan een zodanig externe drang, met name angst, was blootgesteld dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand hoefde te bieden. Dergelijk extreem, stelselmatig geweld of intimideren door het slachtoffer is niet aannemelijk. Verdachte is bovendien in staat gebleken enig tegenwicht te bieden aan het slachtoffer. Zij heeft hem vaak de deur gewezen en het slachtoffer is daarop ook vertrokken. Ook is zij zelf verschillende keren agressief geweest tegen het slachtoffer. Ook zij is daarvoor veroordeeld.

Daarnaast geldt dat ook interne, in de psyche van verdachte gelegen omstandigheden zijn aan te wijzen die hebben bijgedragen aan de doodslag. De psychische toestand van verdachte ten tijde van het delict is onderzocht. Psycholoog C.M. Bosklopper heeft op 15 april 2011 een rapport uitgebracht over verdachte. Dit rapport vermeldt onder andere dat bij eiseres sprake is van een borderlinepersoonlijkheidsproblematiek met antisociale trekken. Het ten laste gelegde feit vond plaats in een zeer tumultueuze en conflictueuze relatie waarbij beide partners in een neerwaartse spiraal een negatieve invloed op elkaar uitoefenden en, met name onder invloed van middelen (bij verdachte alcohol), wederzijds geweld gebruikten. Op enig moment bleek betrokkene niet meer in staat om de realiteit nog voldoende in het oog te houden zodat ‘de stoppen doorsloegen’. Ze sliep al een aantal weken met een hamer naast haar bed (wegens onveiligheidsgevoelens) en heeft deze tijdens een woede-uitbarsting gebruikt waarbij ze het slachtoffer een aantal slagen op zijn hoofd heeft gegeven waardoor hij uiteindelijk is komen te overlijden. Vanwege de onderliggende forse persoonlijkheidsproblematiek en de grote gevoeligheid voor verslaving waaraan zij ook ten tijde van het haar ten laste gelegde feit onderhevig was, kan indien bewezen verklaard het ten laste gelegde feit aan verdachte niet ten volle worden toegerekend en wordt ze in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Ondanks het feit dat ze zich enigermate bewust was van de ongeoorloofdheid van haar daad, was ze op dat moment niet meer in staat tot andere en veel minder destructieve gedragsalternatieven dan welke ze heeft aangewend.

Psychiater H.A. Gerritsen heeft op 1 april 2011 een rapport uitgebracht over verdachte. Hij stelt een diagnose. Er is sprake van alcoholafhankelijkheid, een paniekstoornis en (secundair aan het plegen van het ten laste gelegde feit en de huidige detentie) een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming bij een 37-jarige vrouw met een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Er bestaat een evidente relatie tussen het ten laste gelegde feit, indien bewezen, en de psychopathologie. Onderzochte kwam evenals in haar relatie met [naam vriend] ook met [slachtoffer], slachtoffer van het huidige ten laste gelegde feit, in een destructieve en neerwaartse spiraal terecht. Ze koos voor een agressieve en aan middelen (vooral alcohol) verslaafde partner, door wie ze zich liet mishandelen en vernederen en tegenover wie ze zich ook zelf agressief gedroeg. Escalaties vonden voornamelijk/uitsluitend plaats onder invloed van alcohol, in ieder geval was [slachtoffer], maar ook onderzochte zelf, regelmatig flink onder invloed. De laatste escalatie vond plaats op 28 oktober 2010 toen [slachtoffer] wederom de woning van betrokkene binnendrong, en wel fors onder invloed van alcohol. Verdachte verloor volledig de controle over zichzelf en sloeg [slachtoffer] meerdere keren met de hamer, indien bewezen, op zijn hoofd. Hierbij was ze onder invloed van alcohol en XTC. Het gebruik hiervan moet gezien worden tegen de achtergrond van haar alcoholafhankelijkheid: onderzochte had alcohol nodig om haar structurele angst zoveel mogelijk te dempen. Het handelen van betrokkene kan deels verklaard worden op basis van haar borderline persoonlijkheidsstoornis, in het bijzonder de identiteitsstoornis (het kwetsbare zelfgevoel) en de woedebuien (de gestoorde agressieregulatie) naast de impulsiviteit. Op grond van voorgaande kan onderzochte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Van een posttraumatische stressstoornis, volgens de verdediging onderdeel van het “Battered Woman Syndrome”, is blijkens de rapportages geen sprake. Verder volgt uit deze rapportages dat het middelengebruik door verdachte een grote rol heeft gespeeld bij het gepleegde feit en dat agressiedoorbraken onderdeel uitmaken van de problematiek ten gevolge van de geestesgesteldheid van verdachte.

De rechtbank concludeert daarom dat geen sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

7.3 De toerekeningsvatbaarheid

Zoals hiervoor uiteengezet hebben de psycholoog en de psychiater geconcludeerd tot verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank heeft geen reden aan deze conclusies te twijfelen. Van volledige ontoerekeningsvatbaarheid is daarom geen sprake.

Het verzoek tot het bevelen van een contra-expertise of tot het horen van deze deskundigen wijst de rechtbank af. Zij verwijst daartoe naar de motivering die zij daarvoor heeft gegeven op de zitting van 28 februari 2012. Nadien zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden die nopen tot een ander oordeel.

7.4 De conclusie

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Verder heeft De rechtbank bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte terzake moord wordt veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank tot bewezenverklaring van doodslag. De rechtbank houdt rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop geldende strafmaximum (voor doodslag is dat 15 jaar gevangenisstraf) en in de straffen die voor soortgelijke feiten wordt opgelegd.

Verdachte heeft haar toenmalige, nog betrekkelijk jonge partner op een zeer gewelddadige en gruwelijke manier om het leven gebracht. Zij heeft het slachtoffer minstens twaalf maal met een hamer op of tegen hoofd geslagen tengevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Met haar handelwijze heeft verdachte een onherstelbare inbreuk gemaakt op het meest fundamentele recht van de mens, namelijk het recht op leven. Door de bewezenverklaarde doodslag is bij de directe familie van het slachtoffer waaronder zijn zoons, ouders en overige familieleden, een onomkeerbaar verlies teweeggebracht, hetgeen nog eens is verwoord in de door een zus van het slachtoffer namens de familie ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring. Het ernstige gevolg van het bewezenverklaarde en de wijze waarop de levensberoving is uitgevoerd, hebben een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen en in de directe omgeving van het slachtoffer in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Doodslag zoals in het onderhavige geval bewezenverklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigt.

De rechtbank zal bij de beoordeling van deze zaak en de oplegging van de straf ook rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met name met de hiervoor vermelde omtrent verdachte door de psychiater H.A. Gerritsen en de psycholoog C.M. Bosklopper omtrent verdachte opgemaakte pro justitia rapportage. Als strafverminderende omstandigheid heeft de rechtbank in aanmerking genomen de door deze gedragsdeskundigen geconcludeerde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat verdachte weliswaar in 2010 nog terzake een geweldsdelict is veroordeeld maar dat verdachte overigens zo goed als geen relevante justitiële documentatie heeft.

De rechtbank is ervan doordrongen dat het bewezenverklaarde feit een schokkend levensdelict oplevert dat enorme impact heeft op met name de nabestaanden van het slachtoffer. Toch meent de rechtbank een minder zware straf op te moeten leggen dan door de officier van justitie gevorderd. Dat doet de rechtbank omdat zij voor een lichter feit veroordeelt dan de officier van justitie als uitgangspunt heeft genomen. Voorts acht de rechtbank van belang dat aan verdachte tevens de terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd, nu volgens voornoemde deskundigen gelet op de kans op recidive de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen deze maatregel eisen.

Bosklopper stelt daarover het volgende. Verdachte is nog volstrekt onvoldoende in staat om te gaan met haar beperkingen vanuit zowel de persoonlijkheids- als verslavingsproblematiek. Zolang hierin onvoldoende structurele verandering komt, zal betrokkene een speelbal blijven van haar gevoelens en agressieve impulsen en is het risico niet te verwaarlozen dat ze zowel terugvalt in middelengebruik als in delictgerelateerde activiteiten. Delictgedrag valt in haar geval vooral te verwachten bij het opnieuw aangaan van een (intieme) relatie waardoor ze vatbaar wordt voor mensen die misbruik van haar zouden kunnen maken. Zonder behandeling van zowel de persoonlijkheidsproblematiek als ook haar verslaving is er een sterk verhoogd risico op terugval in agressief en impulsief gedrag met alle negatieve consequenties van dien. Gezien de beschreven problematiek wordt in eerste instantie gedacht aan een klinische behandeling binnen minimaal de setting van een forensisch-psychiatrische kliniek.

Gerritsen concludeert het volgende. Gezien het strafblad met eerdere mishandeling, de psychopathologie in de zin van de alcoholafhankelijkheid, de paniekstoornis en de borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, de neiging tot het aangaan van destructieve relaties en de huidige zwakke sociaal-maatschappelijke inbedding is de kans op herhaling van het tenlastegelegde feit evident verhoogd. En is wezenlijk dat verdachte intensief wordt behandeld om zo het recidiverisico substantieel te verminderen. Gezien de huidige toestand van verdachte, de ernstige psychopathologie en haar huidige zwakke sociaal-maatschappelijke inbedding is klinische behandeling geïndiceerd.

Anders dan de deskundigen Gerritsen en Bosklopper in hun rapportage adviseren, bepaalt de rechtbank dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu gelet op het onderzoek ter terechtzitting en met name op de door de reclassering omtrent verdachte opgemaakte rapportage d.d. 1 februari 2012, verdachte niet gemotiveerd is voor een noodzakelijke klinische behandeling en zij aangeeft niet mee te willen werken aan een plan van aanpak in het kader van een TBS met voorwaarden. Nog afgezien van de omstandigheid dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden alleen mogelijk is als verdachte zich bereid verklaart de te stellen voorwaarden na te leven, is het ook praktisch niet mogelijk gebleken om betrokkene in het kader van een TBS met voorwaarden in een kliniek te plaatsen. De FPK Assen doet verdachte, nadat zij de proefperiode niet heeft willen afronden, geen behandelaanbod. Voorts is het ook niet mogelijk gebleken verdachte in een andere minder veilige setting onder te brengen. Aldus kan geen invulling worden gegeven aan een TBS met voorwaarden.

Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de hierna te melden duur.

De rechtbank stelt vast dat de TBS wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

8.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

De onder verdachte inbeslaggenomen weed is op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De onder verdachte inbeslaggenomen boksbeugel is eveneens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu deze boksbeugel bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan verdachte werd verdacht is aangetroffen en geen ander doel heeft dan deze als wapen te gebruiken en aldus dient tot het plegen van agressiedelicten en voorts van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit van dat wapen is strijd is met de wet en het algemeen belang.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 992,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit kosten die gemaakt zijn in verband de crematie van het slachtoffer en die niet door de verzekeraar zijn vergoed. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 992,-- , inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf het moment waarop voormeld bedrag door de benadeelde partij is betaald. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de nabestaanden van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a en 37b Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair in de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het primair in de tweede plaats tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair in de tweede plaats meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

primair in de tweede plaats: doodslag

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair in de tweede plaats bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaren;

maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

- beveelt dat de terbeschikkingestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

- verstaat dat de maatregel zal worden opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van een bedrag van € 992,-- (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2010 over € 25,--, vanaf 2 november 2010 over € 135, vanaf 24 januari 2011 over € 168,--, vanaf 31 januari 2011 over € 50,--, vanaf 28 februari 2011 over € 614,--). Veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het primair in de tweede plaats bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 992,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 19 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de onder verdachte inbeslaggenomen verdovende middelen en boksbeugel.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Wees, voorzitter, mr. W.M.B. Elferink en

mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2012.