Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BV8393

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11 / 511 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht het recht op een WW-uitkering per 1 september 2010 beëindigd. Eiser heeft zijn werkzaamheden als werknemer uitgebreid. De rechtbank ziet geen aanleiding om het begunstigend buitenwettelijk beleid ook van toepassing te achten op een geval, als onderhavige, waarin weliswaar hetzelfde aantal uren wordt gewerkt, doch waarin de werkzaamheden in eerste instantie als zelfstandige en later in dienstverband worden verricht.

De visie van eiser dat bij de toepassing van artikel 20, vierde lid, aanhef en onder a, van de WW moet worden uitgegaan van het arbeidsurenverlies van het dienstverband van waaruit eiser werkloos is geworden, in casu 6 uur, volgt de rechtbank, gelet op de redactie van voornoemd artikellid en de samenhang met artikel 16 van de WW, niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 11 / 511 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[Naam eiser],

wonende te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. D.M.C. Kooijman, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand Arnhem te Arnhem,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

locatie te Hengelo, verweerder.

1. Bestreden besluiten

Besluit van verweerder d.d. 2 mei 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van

2 februari 2011, waarbij eisers uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) per

1 september 2010 is beëindigd, omdat hij per die datum geen relevant urenverlies meer heeft, ongegrond verklaard.

Bij brief van 17 mei 2011 heeft eiser, zoals nadien aangevuld, beroep ingesteld tegen het besluit van 2 mei 2011.

Verweerder heeft de stukken die betrekking hebben op deze zaak en een verweerschrift ingediend. Bij brief van 10 januari 2012 heeft verweerder aanvullende informatie verstrekt.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 26 januari 2012, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.A. Verbeek.

3. Overwegingen

Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op goede gronden de WW-uitkering van eiser per 1 september 2010 heeft beëindigd.

Namens eiser is - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. Primair stelt eiser dat hij nimmer meer uren is gaan werken. In de 26 weken voorafgaand aan zijn eerste werkloosheidsdag had eiser verschillende dienstverbanden. Naast zijn baan bij [naam werkgever 1], van waaruit hij werkloos is geworden, werkte eiser bij [naam werkgever 2], [naam werkgever 3] en [naam werkgever 4]. Daarnaast werkte eiser ook nog voor zichzelf voor [naam werkgever 2]. Eiser gaf diverse leerlingen die op de wachtlijst stonden bij deze muziekschool, buiten zijn arbeidsovereenkomst om, les. Toen de wachtlijst was opgeheven kregen deze leerlingen via [naam werkgever 2] les van eiser. Vanaf dat moment was eiser dus nog slechts in loondienst bij deze muziekschool. Wat betreft het aantal uren is echter niets gewijzigd. Eiser meent dat de uren die hij als zelfstandige heeft gewerkt vrijgelaten dienen te worden en derhalve geen invloed hebben op zijn recht op WW-uitkering. Subsidiair stelt eiser dat hij per 1 september 2010 altijd nog meer dan de helft van het aantal uren per week heeft verloren. Ten onrechte gaat verweerder uit van alle uren die eiser werkte. Volgens eiser moet worden uitgegaan van een arbeidsurenverlies van 6 uur. Per

1 september 2007 (lees: 1 september 2010) is eiser in ieder geval nog voor 3,46 uur per week werkloos. Dit is meer dan de helft van zijn uren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, voor zover hier van belang, is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. Volgens het tweede lid wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW eindigt dit recht voor zover de werknemer niet langer werkloos is. Volgens het vierde lid, aanhef en onder a, van artikel 20 van de WW eindigt het recht op uitkering geheel indien de werknemer al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als werknemer verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16.

Verweerder hanteert het beleid dat in de situatie waarin de werknemer reeds voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden verrichtte, het recht op uitkering pas wordt beëindigd als de werknemer deze niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden uitbreidt. Om vast te stellen of sprake is van een uitbreiding van die werkzaamheden dient de omvang ervan te worden berekend. Dit is het gemiddeld aantal uren per week dat de werknemer niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden verrichtte in de periode van 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het arbeidsurenverlies (de periode waarover ook de gemiddeld als werknemer gewerkte arbeidsuren worden berekend). Gedurende dit aantal uren kan de werkloze werknemer per kalenderweek niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden verrichten, zonder dat dit van invloed is op zijn uitkering. De strekking van dit beleid is om degene die naast de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden als zelfstandige heeft gewerkt, zoveel mogelijk in dezelfde positie te brengen als degene die twee dienstbetrekkingen heeft gecombineerd. In de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is dit als buitenwettelijk aan te merken beleid niet onaanvaardbaar geacht (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 2 december 1997, LJN: ZB7285).

Verweerder stelt zich, zo begrijpt de rechtbank, op het standpunt dat het geval van eiser niet onder dit beleid valt. De rechtbank volgt verweerder hierin en acht daartoe het volgende redengevend. Bij eiser is sprake van de situatie dat zijn dienstverband met [naam werkgever 2] is uitgebreid met 2,53 uur. Dit betekent dat eiser zijn werkzaamheden als werknemer heeft uitgebreid. Dat deze uitbreiding in het geval van eiser tot gevolg heeft dat hij minder uren als zelfstandige is gaan werken doet aan het voorgaande niet af. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat als eiser de zelfstandige uren zou hebben verloren zonder dat er een dienstverband voor in de plaats zou zijn gekomen, dit ook niet zou hebben geleid tot een hogere WW-uitkering. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beleid ook van toepassing te achten op een geval, als onderhavige, waarin weliswaar hetzelfde aantal uren wordt gewerkt, doch waarin de werkzaamheden in eerste instantie als zelfstandige en later in dienstverband worden verricht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een begunstigend buitenwettelijk beleid dat in beginsel beperkt moet worden uitgelegd.

Met inachtneming van het vorenoverwogene heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het recht op een WW-uitkering terecht op 1 september 2010 beëindigd. Door de uitbreiding van de verzekeringsplichtige werkzaamheden bij [naam werkgever 2] met 2,53 uren resteert een arbeidsurenverlies van minder dan 5 uur per week en minder dan de helft van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week dat in het onderhavige geval is vastgesteld op 40,58 uur. De visie van eiser dat bij de toepassing van artikel 20, vierde lid, aanhef en onder a, van de WW moet worden uitgegaan van het arbeidsurenverlies van 6 uur volgt de rechtbank, gelet op de redactie van voornoemd artikellid en de samenhang met artikel 16 van de WW, niet.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Het bestreden besluit kan in rechte in stand worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gedaan door mr. M.E. van Wees, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. I.A.M. Booijink, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op [datum uitspraak]

Afschrift verzonden op