Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BV7917

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
12/48
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

beschikking artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/700387-10

Rekestnummer: 12/48

Beschikking van de meervoudige raadkamer op het bezwaarschrift op grond van artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, van:

[veroordeelde],

geboren op [datum] 1975 in [plaats],

wonende in [plaats] en [adres]

verder te noemen: de veroordeelde,

ingediend op 23 januari 2012 door mr. R.W. van Zanden, advocaat te Almelo.

1. Het verloop van de procedure

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 15 juni 2011 veroordeeld wegens verduistering, gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.

De officier van justitie bij de rechtbank in Almelo heeft op grond van artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, verder: de Wet, het bevel gegeven dat van de veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel

Op 11 januari 2012 is van de veroordeelde haar celmateriaal afgenomen.

Het bezwaarschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 15 februari 2012. De veroordeelde is niet verschenen; de advocaat en de officier van justitie zijn gehoord.

2. De standpunten van de veroordeelde en de verdediging en de officier van justitie

Standpunt raadsvrouw

Het standpunt van de raadsvrouw is dat zich de uitzonderingssituatie van artikel 2, eerste lid, sub b van de Wet voordoet. De veroordeling betrof verduistering en dat wordt in de wetsgeschiedenis genoemd als misdrijf voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek in zijn algemeenheid niet van betekenis kan zijn. De veroordeelde is niet eerder veroordeeld.

Standpunt officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie is dat sinds ‘de wetswijziging’ de Wet van toepassing is op alle misdrijven zodat geen uitzonderingen meer gemaakt kunnen worden voor bepaalde misdrijven, zoals verduistering.

3. De ontvankelijkheid

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en met redenen omkleed.

4. De beoordeling

Toetsingskader

De veroordeelde is veroordeeld wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 2 van de Wet en omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. Aan de veroordeelde is daarvoor een straf als bedoeld in artikel 1 van de Wet opgelegd. In zoverre is voldaan aan de in artikel 2, eerste lid van de Wet gestelde eisen en bestond voor de officier van justitie de plicht het bevel te geven.

Het bezwaar van de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel dient beoordeeld te worden in het licht van de in artikel 2, eerste lid, aanhef en sub b van de Wet geregelde uitzonderingen op die plicht. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Bespreking en beoordeling aangevoerde feiten en omstandigheden

Op grond van artikel 15 ervan is de Wet voor verschillende misdrijven op verschillende tijdstippen in werking getreden. Sinds 1 mei 2010 geldt de Wet voor alle in artikel 67, eerste lid, Sv omschreven misdrijven. Dit is geregeld in het Besluit van 29 december 2009, houdende inwerkingtreding van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden ten aanzien van veroordeelden wegens ieder misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis toegelaten.

De officier van justitie doelt met de verwijzing naar ‘de wetswijziging’ kennelijk op dat Besluit.

Maar ook al geldt de Wet in het algemeen sinds 1 mei 2010 voor alle misdrijven van artikel 67, eerste lid, Sv, dat neemt niet weg dat de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid sub b van de Wet ongewijzigd is gebleven. De gefaseerde inwerkingtreding staat los van de bij de totstandkoming van de wet door de wetgever genoemde gevallen waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, als voorbeeld waarvan de wetgever verduistering heeft genoemd (Nota naar aanleiding van het verslag van 8 juli 2003, TK 28 685, nr. 5). Door de officier van justitie zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan dat criterium in deze zaak niet van toepassing is.

Ondanks uitzonderingsituatie toch afname?

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of zich een geval voordoet waarin toch celmateriaal van de veroordeelde moet worden afgenomen, ook al betreft het een misdrijf waarvoor DNA-onderzoek niet relevant kan zijn. De eerste uitzondering doet zich blijkens de wetsgeschiedenis voor indien er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren in een ander soort misdrijf waarvoor DNA-onderzoek wel van belang is. De tweede uitzondering is dat de veroordeelde in het verleden ook andere soorten misdrijven heeft begaan waarbij doorgaans wel celmateriaal achterblijft.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen informatie bevat over eerdere veroordelingen. Evenmin zijn er andere omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat van een uitzondering op de uitzonderingssituatie sprake is.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en sub b van de Wet.

Het bezwaarschrift zal daarom gegrond worden verklaard, met bevel tot vernietiging van het afgenomen celmateriaal van de veroordeelde.

5. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het bezwaarschrift gegrond

- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bloebaum, voorzitter, mr. Lemain en mr. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.

Deze beschikking is door de voorzitter en de griffier getekend.